BREF Minerale olie en gasraffinaderijen
BBT, IPPC en BREFs
Inhoud pagina: BREF Minerale olie en gasraffinaderijen
Emissieniveau VOS bij dampverwerking zeeschipbelading, 6 mei 2009, 200804351/1/M1
Bij besluit van 16 april 2008 heeft gedeputeerde staten van Noord-Holland een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef onder b en c verleend voor het veranderen en in werking hebben van die verandering van een inrichting voor op- en overslag en behandeling van vloeibare koolwaterstoffen, vloeibare organische chemicaliën, niet-eetbare oliën en melasse.
De bij het bestreden besluit vergunde verandering ziet onder meer op 11 nieuwe tanks voor de op- en overslag van K1-producten. Deze tanks zijn gelegen in twee tankputten. De verandering ziet voorts op een uitbreiding van de capaciteit van de bestaande dampverwerkingsinstallatie en op de aanleg van een tweede dampverwerkingsinstallatie. Deze installaties worden enkel gebruikt voor de verwerking van dampen die afkomstig zijn uit de tanks van de zeeschepen die de inrichting bezoeken.
In voorschrift 3.1.1 mag de emissie van VOS zowel vanuit dampverwerkingsinstallatie 1 als vanuit dampverwerkingsinstallatie 2 de grenswaarde van 150 mg C/Nm3 niet overschrijden. Appellanten stelt dat deze emissieconcentratiegrenswaarden afkomstig is van de BREF raffinaderijen. Volgens appellanten had het college niet zonder nadere motivering een emissiegrenswaarde uit dit BREF mogen overnemen, nu in de NeR expliciet wordt verwezen naar de afspraken die worden gemaakt in het kader van het Milieuconvenant Integrale Milieu Kader Op- en Overslag Bedrijven (IMKO-2). Volgens appellanten wordt in het kader van IMKO-2 slechts aandacht besteed aan de eventuele analoge toepassing van het BREF op- en overslag. Voor zover het overnemen van een emissiegrenswaarde uit het BREF raffinaderijen al was toegestaan, stelt appellanten dat afwijking van die grenswaarde in dit geval gerechtvaardigd is in verband met de bescherming van het milieu in zijn geheel. Volgens haar levert een emissieconcentratiegrenswaarde van 1 g C/Nm3 in plaats van 150 mg C/Nm3 de meeste gunstige balans op voor het milieu.(integrale afweging)
Het college stelt dat de emissieconcentratiegrenswaarde van 150 mg C/Nm3 is gebaseerd op de NeR. Volgens het college is deze emissiegrenswaarde afgeleid uit de eveneens in vergunningvoorschrift 3.1.1 gestelde grenswaarden voor gO.1, gO.2, gO.3 en MVP2-stoffen welke grenswaarden gebaseerd zijn op de algemene emissie-eisen uit de NeR.
Omdat het college de installaties van Oiltanking qua aard en omvang vergelijkbaar acht met de installaties uit de BREF raffinaderijen, is er volgens het college geen reden om niet uit te gaan van een grenswaarde die valt binnen de bandbreedte van deze BREF. In IMKO-2 wordt volgens het college niet ingegaan op de hoogte van de VOS grenswaarde.Over het TNO-rapport stelt het college zich op het standpunt dat de verschillen rond het daarin gestelde milieuoptimum zeer gering zijn en het gelet op de lokale milieu omstandigheden, geen aanleiding ziet om van de gestelde emissieconcentratiegrenswaarde af te wijken.
De Raad geeft aan dat, in dit onderhavig geval, paragraaf 3.4.2.4 van de NeR (op- en overslagbedrijven) van belang is. In deze paragraaf worden als maatregelen ter reductie van de emissie van VOS onder meer dampverwerkingsinstallaties genoemd. Nu dit een nageschakelde techniek betreft die derhalve is opgenomen in paragraaf 3.4 geldt in ieder geval de onder c bedoelde uitzondering van paragraaf 2.8.6.6 zodat op grond van de NeR in ieder geval emissieconcentratie-eisen mogen worden gesteld aan de dampverwerkingsinstallaties. De verwijzing in paragraaf 3.4.2.4 naar het convenant IMKO-2 wat de status daarvan ook moge zijn, kan aan het vorenstaande niet afdoen.
Gezien de in paragraaf 2.3,4 van de NeR beschreven sommatiebepaling voor gelijktijdige optredende emissies van verschillende stoffen uit afzonderlijke klassen binnen één categorie, in dit geval emissies van stoffen in de klassen gO.1, gO.2 en gO.3 binnen de categorie g.O, bestaat geen aanleiding te oordelen dat de NeR ruimte laat voor een hogere emissiegrenswaarde voor VOS dan die welke het college voor dampverwerkingsinstallatie 1 en 2 heeft voorgeschreven. Ten aanzien van het TNO-rapport overweegt de afdeling dat de in het rapport weergegeven omvang van de gevolgen van het hogere energieverbruik en het grotere materiaalgebruik die de door het college gestelde waarde met zich mee brengen, niet zodanig zijn dat geconcludeerd moet worden dat, in afwijking van hetgeen uit de NeR voortvloeit, slechts een hogere dan de door het college gestelde emissieconcentratiegrenswaarde voor VOS kan worden aangemerkt als overeenkomend met toepassing van beste beschikbare technieken.
Bubble voor zwaveldioxide, 24 december 2008, 200708811/1
Bij besluit van 6 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer voorschrift 2.8 van de op 22 december 1993 aan Shell verleende vergunning als bedoeld in artikel 8.4 gewijzigd.
Voorschrift 2.8 bepaald dat de uitworp van zwaveldioxide vanuit de gehele inrichting niet meer mag bedragen dan 19.600 ton per jaar (17.800 ton per jaar geïnterpreteerd als vier jaarsgemiddelde). Per 1 januari 2010 mag de uitworp van zwaveldioxide vanuit de inrichting niet meer bedragen dan 5.100 ton per jaar, geïnterpreteerd als een vier jaar voortschrijdend gemiddelde. Het genoemde vier jaar voortschrijdend gemiddelde wordt hierbij ten hoogste met 10% per jaar kalenderjaar overschreden. Overschrijding is alleen toegestaan indien de vergunninghouder vooraf het bevoegd gezag schriftelijk aantoont dat het vier jaar voortschrijdend gemiddelde bij een normale procesvoering niet wordt overschreden.
Periode tot 2010
Appellanten voert aan dat het college aan Shell ten onrechte tijd heeft gegund om te voldoen aan de grenswaarde voor de uitworp van zwaveldioxide vanuit de gehele inrichting van 5.100 ton per jaar, geïnterpreteerd als een vier jaar voortschrijdend gemiddelde. Gedurende deze periode worden mede gezien het oneigenlijk en structurele gebruik van de fakkel, volgens haar niet de beste beschikbare technieken toegepast en biedt bestreden besluit in zoverre een ontoereikende bescherming.
Het college heeft bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken betrokken de tijd die nodig is om een betere techniek toe te passen:
- ketelhuis 4 zal gefaseerd worden stilgelegd in 2009;(vertraagd door faillissement van een aannemer);
- CD-5 wordt gestookt met residuale brandstoffen zonder nageschakelde technieken. Dit zal worden beëindigd zodra de branders zijn aangepast (na onderhoudsstop in 2008);
- de slibverbrander is per 1 januari 2008 stilgelegd;
- de fakkelcompressor is buiten gebruik gesteld, omdat deze moet worden vervangen maar dat is pas in 2010 afgerond;
- de SOxgetter bij de katalytische kraakinstallatie is nog niet operationeel.
Gelet op artikel 8.11 derde lid van de Wm moet ervan worden uitgegaan dat ook al in de periode voor het omschakelen op andere technieken in een inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken in de loop der tijd een andere inhoud kunnen hebben. Dit betekent dat het beschermingniveau, dat wordt bereikt met de toepassing van betere technieken, gedurende de tijd die nodig is om deze technieken toe te passen niet altijd kan worden bereikt. In dat geval dient bevoegd gezag te beoordelen of de binnen de inrichting toegepaste technieken kunnen worden beschouwd als de voor deze periode in aanmerking komende beste beschikbare technieken.
Gezien de aard en de omvang van de binnen de inrichting te treffen maatregelen en de gevolgen daarvan voor de continuïteit van de bedrijfsvoering, bestaat naar het oordeel van de afdeling ruimte voor een gefaseerde vervanging van de onderdelen van de inrichting en ruimte om bij het bepalen van de tijd die nodig is de reeds ophanden zijnde onderhoudswerkzaamheden te betrekken.
Het college heeft door één emissieplafond van zwaveldioxide voor de periode tot 2010 te stellen, de reductie van de emissie die in de jaren 2008 en 2009 wordt bereikt, niet betrokken bij de voorbereiding voor het bestreden besluit. De emissie van 17.880 ton zwaveldioxide per jaar en een vier jaar voortschrijdend gemiddelde emissie van 16.670 ton zwaveldioxide per jaar in 2006 is lager dan de emissie die op grond van voorschrift 2.8, eerste volzin, van de vergunning voor de inrichting is toegestaan. Uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting volgt dat het college zich inzicht heeft verschaft in hoeverre de in voorschrift 2.8, eerste volzin, van de vergunning gestelde emissiegrenswaarde toch kan worden beschouwd als een afgeleide van de voor deze periode in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Gezien het vorenstaande heeft het college het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
Periode na 2010
Appellanten voert aan dat het plafond van 5.100 ton per 2010 te hoog is. Volgens haar mag Shell volgens de BREF aardolie- en aardgasraffinaderijen niet meer dan 2.500 ton per jaar uitwerpen. Redenen hiervoor zijn:
- de katalytische kraker voldoet niet aan de beste beschikbare techniek voor een gasgestookte raffinaderij, nu daarbij een nageschakelde wasser ontbreekt;
- norm van 850 mg/Nm3 geldt voor een oliegestookte raffinaderij terwijl Shell overgaat op het stoken van gas;
- het college gaat uit van een efficiency voor het verwijderen van zwavel van 99,5% terwijl de geldende vergunning uitgaat van 99,8%.
Het college geeft aan dat het emissieplafond voor 2010 is bepaald op basis van het bubble concept. Daarbij heeft het college voor het aantal en het soort installaties van Shell bepaald wat de maximale emissie van zwaveldioxide mag bedragen. Volgens het college wordt met de uitstoot van 5.100 ton zwaveldioxide per jaar aan het BREF aardolie- en aardgasraffinaderijen voldaan. Het college vermeld dat dit overeenkomt met een concentratie die ruim onder de 500 mg/m3 per jaar ligt.
Het college gaat ervan uit dat:
- concentratiewaarde voor de katalytische kraker 350 mg/Nm3 is; (motivatie waarom geen wasser wordt geplaatst, is tijdens zitting door college gemotiveerd)
- voor oliegestookte fornuizen of ketels 850 mg/m3;
- voor gasgestookte ketels, fornuizen of gasturbines 20 mg/Nm3;
- voor de Sulphur Recovery Unit een terugwinningrendement van 99,5%.(indien de zwavelfabrieken een hoger rendement dan het minimale rendement in de BREF mag dit volgens het college gebruikt worden om een andere installatie te compenseren).
Dit voldoet volgens het college aan het BREF aardolie- en aardgasraffinaderijen.
Volgens het deskundigenbericht komt het vastgestelde emissieplafond van 5100 ton zwaveldioxide als vier jaar voortschrijdend gemiddelde overeen met een bubble-waarde van 420 mg/Nm3. Onder de bubble vallen de emissies die als gevolg van het stoken van zwavelhoudende brandstoffen vrijkomen en de emissie die bij het ontzwavelen en het kraken vrijkomen. Indien voor de vaststelling van de bubble-waarde alleen wordt uitgegaan van de brandstofemissies door olie- en gasstook, de procesemissies van de katalytische kraker en de restemissies van de SRU's/zwavelfabrieken, komt dit volgens dit bericht in 2010 een zwaveldioxide emissie vrij van 3 kiloton per jaar, hetgeen overeenkomt met een bubble-waarde van minder dan 300 mg/Nm3. Aan het emissieplafond moet dan nog de emissies van de fakkel, de SARU en de slibverbrandingsinstallaties worden toegevoegd.
Deze laatste is nu gesloten. Wat betreft de fakkel is het emissieniveau dat overeenkomt met de toepassing van beste beschikbare technieken afhankelijk van de afgefakkelde hoeveelheid gas en het zwavelgehalte daarvan. In het bestreden besluit wordt ervan uitgegaan dat per 2010 de zwaveldioxide emissie van de fakkel moet worden teruggebracht tot 1741 ton. Dit is volgens het deskundigenbericht het laagste niveau dat in de jaren 2003-2006 bereikt is. De SARU mag op grond van het bestreden besluit ongeveer evenveel bijdragen als in de jaren 2003-2006. De bijdrage van deze bronnen is daarmee door het college gebaseerd op een niveau dat in de praktijk als adequaat wordt gezien. Dit is vervolgens door het college aangemerkt als het emissieniveau dat overeenkomt met de toepassing van de beste beschikbare technieken. Het college heeft gelet op het ontbreken van een duidelijke definitie in het BREF, volgens het deskundigenbericht aldus op pragmatische wijze het emissieplafond voor de hele inrichting vast gesteld. De afdeling ziet in hetgeen appellanten stelt geen aanleiding voor het oordeel dat het deskundigenbericht onjuist zou zijn. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een emissieplafond voor zwaveldioxide van 5.100 ton per jaar vanaf 2010 overeenkomt met de toepassing van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken.
Apellanten voert aan dat ten onrechte jaarlijks 10% meer mag worden geëmitteerd als dit in een ander jaar wordt gecompenseerd. Dit volgens haar niet gebaseerd op de BREF. Het college stelt zich op het standpunt dat op ieder moment inzicht kan worden verkregen in de zwaveldioxide administratie, zodat afdoende gewaarborgd wordt dat het voortschrijdend jaargemiddelde niet wordt overschreden. Shell acht een marge noodzakelijk, omdat de installatie aan het einde van een periode tussen twee onderhoudsstops minder gaat presenteren.
Het BREF hanteert geen vier jaar voortschrijdend gemiddelde. De afdeling overweegt dat ter zitting is gebleken dat het college zich op het standpunt stelt dat wanneer geen vier jaar voortschrijdend gemiddeld emissieplafond wordt gebruikt, het emissieplafond gesteld zou moeten worden op het plafond dat ten hoogste benut wordt in de periode van vier jaar, te weten 5.610 ton. Het college stelt zich op het standpunt dat ook dit emissieplafond overeenkomt met de toepassing van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken.
Hoewel het BREF geen vier voortschrijdend gemiddelde hanteert is het gebruik hiervan niet uitgesloten. In hetgeen appellanten stelt bestaat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat gebruik van een vierjaar voortschrijdend gemiddeld emissieplafond niet in strijd is met de toepassing van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken.
Bij BBT beoordeling tijd betrekken die nodig is voor het omschakelen op een betere techniek, 13 augustus 2008, 200704489/1
Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland aan Total raffinaderij Nederland N.V. (hierna te noemen TRN) een revisievergunning verleend voor een inrichting bestemd voor de verwerking van ruwe olie.
Appellanten voeren aan dat het college gelet op artikel 22.1a van de Wet milieubeheer ten onrechte TRN tot 1 januari 2010 wat betreft de emissie van SO2 en NOx ruimte heeft gegeven om te voldoen aan betere technieken, zodat de vergunning in zoverre een ontoereikende bescherming biedt.
Het college stelt zich op het standpunt dat TRN de aanpassing aan de bestaande grotere installaties vanwege de te treffen ingrijpende maatregelen eerst tijdens de geplande onderhoudsstop in 2009 kan realiseren. Daartoe wijst het college op de benodigde tijd voor de voorbereiding, levertijd en installatie van deze aanpassingen. Het college heeft daarin aanleiding gezien, gelet op artikel 5a.1 eerste lid, aanhef en onder h, van het Ivb, om de tijd die nodig is om een betere techniek toe te passen bij het bepalen van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken, te betrekken.
Artikel 5a.1, eerste lid aanhef en onder h van het Ivb dient in licht van het bepaalde in bijlage IV van de IPPC-richtlijn zo te worden uitgelegd dat het bevoegd gezag bij het bepalen van beste beschikbare technieken, kan betrekken, de tijd die nodig is voor het omschakelen op een betere beschikbare techniek.
Deze uitleg laat naar het oordeel van de Afdeling, gezien de aard en omvang van de binnen de inrichting te treffen maatregelen en de gevolgen daarvan voor de continuïteit van de bedrijfsvoering, ruimte om bij het bepalen van de tijd die nodig is om een betere techniek toe te passen de in dit geval reeds ophanden zijnde onderhoudsstop te betrekken. Het college heeft gedurende de tijd die nodig is om een betere techniek toe te passen de emissie-eisen uit het BEES-A als uitvloeisel van de toepassing zijnde beste beschikbare technieken aangemerkt. De Afdeling ziet in het bovenstaande geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de emissie-eisen voor SO2 en NOx gedurende de tijd die nodig is om een betere techniek toe te passen toereikend zijn.
Appellanten betogen dat de emissienormen voor SO2 en NOx vanaf 1 januari 2010 en voor stof niet toereikend zijn. Het college is volgens hen bij de berekening van deze grenswaarden onder meer uitgegaan van een te ruime verhouding gas/vloeistof als brandstofinzet.
Uit de BREF raffinaderijen volgt dat de verhouding gas/vloeibaar in de brandstofinzet voor belangrijke mate bepalend is voor de hoogte van de emissies van SO2, NOx en stof. Het college heeft in het bestreden besluit de verwachting uitgesproken dat in de komende jaren de inzet van gas zal toenemen. Voor het berekenen van de emissienormen voor SO2, NOx en stof heeft het college echter slechts gebruik gemaakt van de door TRN verstrekte gegevens uit de jaren 2004/2005 over de feitelijke verhouding gas/vloeibaar op energiebasis 55/45. Dit betekent dat 55% van de energie uit het verstoken van gas ontstaat en 45% uit het verstoken van olie. Het college heeft niet onderzocht in hoeverre de door hem uitgesproken verwachting aangaande een structurele toename van de inzet van gas mogelijk was en in hoeverre deze ontwikkelingen gevolgen heeft voor de verhouding gas/vloeibaar en de daaraan gerelateerde emissienormen voor SO2 en NOx vanaf 2010 en voor stof. Dit wringt te meer omdat tijdens de zitting is gebleken dat, in tegenstelling tot voorheen, de beperkingen omtrent de aanlevering van aardgas zich waarschijnlijk niet meer zullen voordoen, zodat de inzet van gas met name niet meer afhankelijk is van het binnen de raffinaderij vrijkomende gas (RFG). Dit maakt een verhoogde inzet van gas mogelijk.
Door het vorenstaande niet bij het nemen van het bestreden besluit te betrekken, is niet duidelijk of de op basis daarvan berekende emissienormen voor SO2 en NOx vanaf 2010 en voor stof overeenstemmen met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken.
Daarnaast is het college voor de emissienorm van stof uit fornuis 201H01 in voorschrift 11.2.1 uitgegaan van een gemeten waarde van 35 mg/Nm3. Niet is nagegaan in hoeverre deze norm als uitvloeisel van de toepassing van beste beschikbare technieken kan worden beschouwd. Gezien het vorenstaande is het bestreden besluit in zoverre reeds hierom niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
Appellanten voert aan dat de emissiegrenswaarden voor metalen en andere stoffen in vergunningvoorschrift 11.16 niet toereikend zijn.
In voorschrift 11.16 zijn maximale jaarvrachten opgenomen voor de emissies van metalen en andere stoffen. In de BREF raffinaderijen worden geen specifieke BBT-maatregelen ten aanzien van de emissie van zware metalen genoemd. Emissies van metalen vinden plaats in de vorm van stof als bestanddeel van stof, waardoor een relatie bestaat tussen de beperking van de stofemissie en de vermindering van de emissies van zware metalen.
Het college is bij vaststellen van de grenswaarden uitgegaan van meetgegevens van 1999. Het college is niet nagegaan in hoeverre de in de aanvraag vermelde waarden een uitvloeisel zijn van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Het bestreden besluit is in zoverre reeds in strijd met artikel 3:2 van de Awb.
Appellanten voert aan dat ten onrechte geen continue monitoring van de SO2- en stofemissie is voorgeschreven. De voorschriften 7.7 en 7.8 van de vergunning bevatten slechts algemene richtlijnen omtrent de monitoring van emissies. Daarnaast is in de vergunning niet opgenomen hoe de maximale jaarvrachten van metalen en andere stoffen als bedoeld in voorschrift 11.16 gemeten moeten worden.
In de vergunning is een voorschrift opgenomen waarin is bepaald dat vergunninghoudster dient te beschikken over een meet- en registratiesysteem en dat de meetfrequentie nog nader moet worden bepaald. Ten aanzien van SOx, NOx en stof zijn de meetvoorschriften uit het BEES A van toepassing. Voorts wordt in voorschrift 11.17 voor het meten van emissies, waaronder de emissies als bedoeld in voorschift 11.16, verwezen naar de te gebruiken meetmethoden zoals beschreven in bijlage 4.7 van de NeR en naar de wijze van bepalen van de meetfrequentie als bedoeld in voorschrift 7.8 van de vergunning. Dit dient binnen drie maanden na het van kracht worden van de vergunning nader te worden bepaald.
Het college had een of meerdere voorschriften aan de vergunning moeten verbinden inhoudend dat op een daarbij aan te geven wijze moet worden bepaald of aan de vergunning opgenomen grenswaarden voor de in voorschrift 11.16 weergegeven stoffen wordt voldaan. De voorschriften 7.7, 7.8 en 11.17 zijn in de zin van artikel 8.12 vierde lid van de Wet milieubeheer te onbepaald. Nu het college heeft nagelaten daartoe strekkende voorschriften aan de vergunning te verbinden, is het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 8.12 van de Wm.

