Activiteitenbesluit
Energie
Inhoud pagina: Activiteitenbesluit
Het merendeel van de bedrijven in Nederland valt direct onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Een aanzienlijk deel van de bedrijven die voor de komst van het Activiteitenbesluit een vergunning hadden, vallen nu ook direct onder deze algemene regels. De vergunningplicht is daardoor voor bepaalde bedrijven opgeheven. Dat geldt ook voor diverse branchegerichte algemene maatregelen van bestuur (de voormalige 8.40 amvb's) die in het Activiteitenbesluit zijn samengevoegd. Het aantal vergunningplichtige bedrijven neemt de komende jaren af, omdat de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit wordt vergroot. Meer bedrijven onder algemene regels betekent ook een toenemend belang van een effectief, volledig en eenduidig toezicht op deze algemene regels.
Vergunningplicht
De gpbv-installaties ofwel de IPPC-bedrijven zijn direct vergunningplichtig en wel op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna Wabo). De overige vergunningplichtige activiteiten worden via bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht (hierna Bor) aangewezen. Bedrijven die op grond van het Bor vergunningplichtig zijn, worden als inrichting type C beschouwd. Voor de vergunningplichtige bedrijven geldt dat alle eisen voor energie-efficiëntieverbetering in de vergunning worden vastgelegd.
Algemene regels in het Activiteitenbesluit
Bedrijven die volledig onder het Activiteitenbesluit vallen, worden als inrichting type A of B onderscheiden. Een bedrijf kan alleen als inrichting type A worden beschouwd, zodra aan artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Een bedrijf dat geen vergunningplichtige activiteiten uitvoert en niet voldoet aan de criteria van artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit, wordt ‘automatisch' als inrichting type B beschouwd. Voor inrichting type A en B geldt dat de algemene regels uit het Activiteitenbesluit volledig moeten worden nageleefd. Het enige verschil is dat een inrichting type A geen plicht heeft om een melding bij het bevoegd gezag in te dienen. De voornaamste reden is dat een inrichting type A als minder milieubelastend wordt beschouwd. Dit in tegenstelling tot een inrichting type B waarvoor wel een meldingplicht geldt. Alle andere algemene regels moeten wel door beide typen inrichtingen worden nageleefd, zoals afdeling 2.6 Energiebesparing (artikel 2.15) van het Activiteitenbesluit. Ondanks de veronderstelling dat een inrichting type A een lagere milieubelasting heeft, is het belangrijk om te weten dat dergelijke inrichtingen vanwege het energiegebruik toch zeer relevant zijn voor energie-efficiëntieverbetering.
Afdeling 2.6 Energiebesparing
In artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit is de wettelijke plicht voor een ondernemer vastgelegd om alle energiebesparende maatregelen te realiseren. Deze wettelijke plicht is alleen van toepassing als aan de onderstaande toetsingscriteria wordt voldaan:
- een minimaal jaarlijks elektriciteitsverbruik van 50 000 kWh; of
- een minimaal jaarlijks verbruik van 25 000 m3 aan aardgasequivalenten aan brandstoffen;
- een terugverdientijd van vijf jaar (of minder) per energiebesparende maatregel.
Artikel 2.15 richt zich primair op de verantwoordelijkheid van de ondernemer om een zuinig en doelmatig gebruik te waarborgen in de bedrijfsvoering. In eerste instantie moet een ondernemer zelfstandig aan de slag gaan met het realiseren van energiebesparende maatregelen in de bedrijfsvoering (zelfredzaamheid). De gemeente blijft echter nadrukkelijk ‘het bevoegd gezag' en bepaalt of de ondernemer voldoende invulling heeft de verantwoordelijk en zelfredzaamheid.
Door een actief toezicht op het naleefgedrag van ondernemers met betrekking tot artikel 2.15 kan het bevoegd gezag een bijdrage leveren aan energie-efficiëntieverbetering bij bedrijven. Tegelijkertijd wordt daarmee een belangrijke bijdrage geleverd aan het klimaatbeleid van Nederland.
Zorgplicht
Een toezichthouder kan in bepaalde situaties direct op basis van de zorgplicht van het Activiteitenbesluit handhaven. Voor wat betreft energie-efficiëntieverbetering geldt dat iedere ondernemer de nadelige gevolgen voor het milieu voorkomt of beperkt. Dit kan worden bereikt door een doelmatig gebruik van energie en door zorg te dragen dat het bedrijf in goede staat van onderhoud verkeerd. De zorgplicht is in principe toepasbaar bij alle bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen. Deze plicht is dus ook van toepassing op bedrijven die als kleingebruiker worden beschouwd (zie 'Aanpak toezicht kleingebruikers').
Het staat het bevoegd gezag vrij om daar waar naar de mening van het bevoegd gezag sprake is van evidente energieverspilling de zorgplicht van het Activiteitenbesluit te gebruiken om energiebesparende maatregelen te verlangen van de ondernemer. Het is wel van belang om hierbij een realistische en redelijke kosten- en batenafweging te maken. Als richtlijn kan een terugverdientijd van drie jaar (of minder) worden gehanteerd. Vanwege het feit dat het aspect energiebesparing uitputtend is geregeld in het Activiteitenbesluit, is het niet mogelijk om op basis van de zorgplicht aanvullende eisen te stellen via maatwerkvoorschriften. De gemeente heeft de ruimte om via gemeentelijk beleid evidente energieverspilling te beperken dan wel te voorkomen. Het is aan te raden om op bestuurlijk niveau hierover afspraken vast te leggen.
Zie artikel 1.4 (eerste lid) van het Activiteitenbesluit.
Op grond van artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit.
Aardgasequivalenten (a.e.) drukt een standaard hoeveelheid energie uit per type brandstof (zoals huisbrandolie, stookolie, steenkool, benzine diesel et cetera), waardoor het mogelijk is om diverse brandstoffen aan elkaar te relateren.
| Brandstof | Aardgasequivalent (m3) | 25.000 m3 a.e. = |
| Stadsverwarming | 1 GJ = 31,6 m3 | 800 GJ |
| Huisbrandolie | 1 liter = 1,20 m3(1) | 21.000 liter |
| Stookolie | 1 liter = 1,30 m3(1) | 19.000 liter |
| Steenkool | 1 kg = 0,93 m3(1) | 27 ton |
| Vloeibaar propaan | 1 liter = 0,73 m3 | 34.000 liter |
| LPG | 1 liter = 0,95 m3 | 26.000 liter |
| Diesel | 1 liter = 1,13 m3 | 22.000 liter |
| Benzine | 1 liter = 1,04 m3 | 24.000 liter |
| Droog hout | 1 kg = 0,48 m3(1) | 52 ton |
Zie artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit.

