200403656/1 S. van den Bosch-Lockhorst e.a. - B&W van Elburg
Vervoermanagement
Inhoud pagina: 200403656/1 S. van den Bosch-Lockhorst e.a. - B&W van Elburg
Trefwoorden: vervoer, verkeersveiligheid
Inleiding
De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op een stoeterij voor het houden van 40 volwassen pony’s ouder dan 3 jaar en 20 pony’s in de opfok jonger dan 3 jaar
Voorzover appellanten hebben gesteld dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten een voorschrift aan de vergunning te verbinden waarin de voor het verkeer van en naar de inrichting te volgen rijroute is aangegeven, overweegt de Afdeling dat dit betrekking heeft op het gebruik van de openbare weg door bezoekers van de inrichting. De maatregelen die vergunninghouder zou moeten treffen om te kunnen voldoen aan het door appellanten voorgestane voorschrift behoren echter niet tot zijn bevoegdheid, omdat naar moet worden aangenomen het gaat om maatregelen in het kader van de wegenverkeerswetgeving dan wel het gebruik van bevoegdheden ter zake de openbare orde. Nu het treffen van dergelijke maatregelen buiten de reikwijdte van de Wet milieubeheer is gelegen, heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien een dergelijk voorschrift aan de vergunning te verbinden.
Voorts betogen appellanten dat het gebruik van de aangevraagde en vergunde in- en uitrit aan de Grevensweg leidt tot onaanvaardbare verkeersoverlast op deze weg.
De Afdeling
De Afdeling stelt voorop dat de wegenverkeerswetgeving het primaire toetsingskader biedt voor de beoordeling van verkeersoverlast. In het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer blijft echter ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets voorzover het gaat om de verkeersaantrekkende werking van de inrichting. Gezien de vergunde bedrijfsvoering, waaronder het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van zodanige verkeersoverlast dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. Het beroep treft in zoverre geen doel.
Daarnaast stellen appellanten zich op het standpunt dat het gebruik van de in- en uitrit aan de Grevensweg leidt tot verkeersonveilige situaties in de omgeving van de inrichting en dat de Grevensweg niet geschikt is voor de aangevraagde en vergunde bedrijfsactiviteiten. Bovendien is volgens appellanten de Grevensweg particulier eigendom en heeft de eigenaar geen toestemming gegeven om van zijn grond gebruik te maken.
Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kunnen reeds om die reden niet slagen.
Wet
Wm 8.10 en 8.11

