200204717/1 Pathé Theatres BV te Amsterdam – B&W Diemen
Vervoermanagement
Inhoud pagina: 200204717/1 Pathé Theatres BV te Amsterdam – B&W Diemen
Trefwoorden: Verkeer, vervoerplan, multifunctioneel bioscoopcomplex
Inleiding
Appellante betoogt dat verweerders de geluidoverlast die wordt veroorzaakt door parkeer- en verkeersbewegingen van en naar de inrichting niet kan beoordelen bij gebreke van een vervoerplan. Een dergelijk plan had onderdeel moeten uitmaken van de vergunningaanvraag, aldus appellante.
De Afdeling
In de vergunning is bepaald dat uiterlijk 3 maanden voor het in gebruik nemen van de inrichting een vervoerplan ter beoordeling aan verweerder dient te worden gezonden, alsmede aan het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Zuidoost. Zonder een door verweerder goedgekeurd vervoerplan mag de inrichting niet in werking zijn.
Volgens B&W bieden de opgestelde milieu-effectrapportage, het akoestisch onderzoek en het nader akoestisch onderzoek voldoende informatie voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu van de parkeer- en verkeerbewegingen. In de onderzoeken is beschreven hoeveel parkeer- en verkeerbewegingen kunnen worden verwacht. Daarbij is aandacht geschonken aan het percentage bezoekers dat met de auto, fiets dan wel openbaar vervoer naar het bioscoopcomplex zal komen. De hantering van dit percentage is gebaseerd op gegevens van vergelijkbare bioscoopcomplexen, gekoppeld aan de omstandigheid dat het onderhavige complex is gesitueerd in een gebied dat goed is te bereiken met het openbaar vervoer en de fiets.
De Afdeling is van oordeel dat, mede gelet op het feit dat de inrichting niet in werking mag zijn zonder dat het vervoerplan is goedgekeurd, B&W zich in redelijkheid op voornoemd standpunt heeft kunnen stellen. Voorschriften ter bevordering van het gebruik van het openbaar vervoer en de fiets liggen niet primair binnen het kader van de Wm-vergunning. Deze aspecten moeten in het kader van de ruimtelijke ordening of andere regel- en beleidsinstrumenten worden verwezenlijkt.
Waar het gaat om het bezoekersverkeer van en naar de inrichting hecht de Afdeling voorts belang aan het feit dat de keuze met een bepaald vervoermiddel naar de inrichting te gaan uiteindelijk aan de bezoeker en niet aan de drijver van de inrichting. Hetgeen dienaangaande van de drijver van de inrichting kan worden gevergd in het kader van de Wm is dan ook beperkt.
B&W heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vergunningvoorschriften die het bezoekersverkeer van en naar de inrichting regelen niet aan de vergunning hoeven te worden verbonden.
Wet
Wm 8.10 en 8.11

