200605238/1- "Bewonersvereniging De Miranda-Buurt" e.a. – B&W Gemeente Amsterdam

Home > Onderwerpen > Duurzame ontwikkeling, techniek > Vervoermanagement > Jurisprudentie > 200605238/1- "Bewonersvereniging De Miranda-Buurt" e.a. – B&W Gemeente Amsterdam

200605238/1- "Bewonersvereniging De Miranda-Buurt" e.a. – B&W Gemeente Amsterdam

Vervoermanagement

Inhoud pagina: 200605238/1- "Bewonersvereniging De Miranda-Buurt" e.a. – B&W Gemeente Amsterdam

Inleiding

Er is vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een musicaltheater met horecavoorzieningen en een parkeergarage. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

1. Luchtkwaliteit

Men heeft bezwaren aangevoerd over luchtkwaliteit. Het theater wordt gevestigd op een plaats waar de grenswaarden reeds worden overschreden, aldus appellanten. Zij betwijfelen of met de in dit geval te treffen maatregelen kan worden voldaan aan de voor luchtkwaliteit geldende normen. Met de oprichting van de inrichting zal in verband met de toename van verkeersbewegingen volgens hen een verdere overschrijding van deze normen plaatsvinden.
Verweerder heeft betoogd dat het in werking hebben van de inrichting geen reëel effect op de luchtkwaliteit ter plaatse zal hebben.

In artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 is, voor zover hier van belang, bepaald dat bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10) en benzeen in acht moeten nemen.

2. Parkeerhinder
Appellanten stellen parkeerhinder en hinder van rondrijdende auto's in hun woonomgeving te zullen ondervinden. Verder blijkt volgens appellanten uit de verleende vergunning onvoldoende duidelijk door wie de parkeergarage van de inrichting zal worden gebruikt. Zij betogen verder dat ten onrechte niet is voorzien in een taxistandplaats bij de inrichting.
Verweerder heeft ter voorkoming dan wel beperking van onder meer parkeerhinder de voorschriften aan de vergunning verbonden. De vergunninghoudster moet uiterlijk twee maanden voor de ingebruikname van het theater een vervoersplan ter goedkeuring bij het bevoegd gezag indienen. In dit plan moet onder meer worden ingegaan op de parkeergelegenheid, het ontoegankelijk maken van woonwijken voor auto's van theaterbezoekers en een combinatiekaart voor toegang van het theater en gebruik van het openbaar vervoer.

De Afdeling

Ad. 1 Luchtkwaliteit
Ten aanzien van de door verweerder uitgevoerde toetsing van de gevolgen van het verkeer van en naar de inrichting aan de voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide geldende grenswaarden, overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt aan de hand van de stukken, waaronder een door verweerder overgelegde notitie vast dat de appellanten geen argumenten naar voren hebben gebracht die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de in deze notitie vermelde bevindingen.

Dat ter hoogte van de kruising van de "Europaboulevard" met de "Ring A 10" voormelde grenswaarden worden overschreden, zoals door appellanten is betoogd en wat daar verder ook van zij, doet aan het vorenstaande niet af nu het verkeer van en naar de inrichting daar reeds in het heersende verkeersbeeld is opgenomen en derhalve niet meer aan de inrichting kan worden toegerekend. Gezien het vorenstaande vormt het betoog van appellanten geen aanleiding voor het oordeel dat door het verlenen van de vergunning de in het Besluit gestelde grenswaarden niet in acht worden genomen. Verweerder is er dan ook terecht van uitgegaan dat het Besluit niet in de weg staat aan vergunningverlening.

Ad 2. Parkeerhinder

De Afdeling stelt gelet op de aanvraag, die deel uitmaakt van de verleende vergunning, het volgende vast. De inrichting zal beschikken over 720 parkeerplaatsen waarvan circa 500 parkeerplaatsen zullen worden gebruikt ten behoeve van het musicaltheater en 220 parkeerplaatsen zijn gereserveerd voor een gepland hotel. Derhalve is naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk door welke doelgroep de parkeergarage zal worden gebruikt. Gelet op het vorenstaande, gezien het aan de vergunning verbonden voorschrift en de capaciteit van de parkeergarage bij de inrichting, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare parkeerhinder ofwel overlast van rondrijdende auto's in de woonomgeving van appellanten niet behoeft te worden gevreesd. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft toegezegd dat indien parkeeroverlast in de woonomgeving van appellanten ontstaat als gevolg van het in werking zijn van de inrichting, hij passende verkeersmaatregelen zal treffen.

Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Wet

Wm art 8.1, Besluit Luchtkwalitiet 2005.
RvS-nummer:
200605238/1
Vindplaats:
www.raadvanstate.nl
Bevoegd gezag:
gemeente
Datum uitspraak:
4 april 2007
vervoermanagement
 

Kenniscentrum InfoMil