E03.99.0110 C.G.M. Otten, E. Bouman en Exploitatiemaatschappij Gelredome te Arnhem, Dorpsvereniging Elden, H. van der Wagen-Bötzel en R.M. van der Wagen-Bötzel te Elden - B&W Arnhem
Vervoermanagement
Inhoud pagina: E03.99.0110 C.G.M. Otten, E. Bouman en Exploitatiemaatschappij Gelredome te Arnhem, Dorpsvereniging Elden, H. van der Wagen-Bötzel en R.M. van der Wagen-Bötzel te Elden - B&W Arnhem
Trefwoorden: Verkeer, opname in het heersende verkeers beeld, voetbalstadion en evenementencomplex
Inleiding
De verweerders zijn volgens appellanten ten onrechte ervan uitgegaan dat het verkeer van en naar de inrichting onmiddelijk buiten de inrichting is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De in het mobiliteitsplan opgenomen maatregelen en voorzieningen bieden daarom onvoldoende waarborgen om indirecte hinder te voorkomen.
Appellanten verwachten parkeeroverlast ten gevolge van de toename van het jaarlijkse aantal evenementen, de toename van het aantal zitplaatsen in het stadion, de invoering van betaald parkeren en het kleine aantal beschikbare parkeerplaatsen op het terrein van de inrichting en de vermindering van het gratis shuttlevervoer. Daarnaast verwachten appellanten overlast van grote stromen voetgangers in het dorp Elden door het ontbreken van shuttlevervoer bij satellietparkeerplaatsen die binnen een straal van drie kilometer van het stadion liggen.
De Afdeling
Ad 1. De gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer worden niet meer aan het in werking zijn van de inrichting toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Volgens de Afdeling is dit het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevinden.
Door de ligging van Gelredome tussen elkaar kruisende verkeers-intensieve doorgaande wegen oordeelt de Afdeling dat ten opzichte van de dichts bij de inrichting gelegen woningen sprake is van opname van het verkeer in het ter plaatse heersende verkeersbeeld. Het verkeer van en naar de satellietparkeerplaatsen kan niet in de vergunningverlening worden meegenomen aangezien deze parkeerplaatsen niet tot de inrichting behoren.
Ad 2. Verweerders hebben bij het mobiliteitsplan een prioriteitenstelling gemaakt voor het vervoer van en naar de inrichting. Het daarbij gehanteerde uitgangspunt is dat bevorderd wordt dat zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van het openbaar vervoer. Door middel van zogenaamde combikaarten worden bezoekers aangemoedigd om met georganiseerd busvervoer naar het stadion te komen. Het invoeren van betaald parkeren en het beschikbaar stellen van gratis shuttlevervoer van en naar de verder gelegen satellietparkeerplaatsen is bedoeld om het parkeren in de omgeving van de inrichting te beperken.
Volgens de Afdeling hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in de vergunning opgenomen voorschriften voldoende bescherming bieden tegen parkeeroverlast.
Wet
Wm 8.10

