Akoestisch rapport vergunningsplichtige inrichting
Geluid
Inhoud pagina: Akoestisch rapport vergunningsplichtige inrichting
Het bevoegd gezag vraagt om gegevens met betrekking tot de oprichting (art. 4.1 Mor), een beperkte verandering (art. 4.21 Mor) en een verandering en revisie (art. 4.17 Mor).
In het onderstaande is vermeld welke gegevens gevraagd kunnen worden voor:
Oprichting en verandering
Er is geen aanvraag vereist voor een verandering van de inrichting of van de werking daarvan die in overeenstemming is met de voor de inrichting verleende vergunning en de daaraan verbonden voorschriften (art. 2.4 Bor). In dat geval levert de inrichtinghouder geen akoestische gegevens aan.
Bij een beperkte verandering leidt een verandering van de inrichting of de werking daarvan niet tot andere of grotere nadelige gevolgen én niet tot een andere inrichting (art. 3.10 lid 3 Wabo). De inrichtinghouder levert in dit geval (art. 4.21 Mor) gegevens waaruit blijkt :
- van welke onderdelen en in welke mate van de vergunning of vergunningen en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften wordt afgeweken
- dat de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende vergunning is toegestaan.
Bij de overige veranderingen en oprichting vraagt het bevoegd gezag om gegevens met betrekking tot oprichting of de verandering (art. 4.17 Mor). Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen:
- Vergunningsplichtige inrichtingen aangewezen in Besluit omgevingsrecht en Regeling Omgevingsrecht
- Vergunningsplichtige inrichting op een gezoneerd industrieterrein
- Alle (overige) vergunningsplichtige inrichtingen
Vergunningsplichtige inrichtingen aangewezen in Besluit en Regeling Omgevingsrecht
Inrichtingen die vallen onder art. 4.5 Mor zijn inrichtingen die die behoren tot een categorie, genoemd in Bijlage I onder 11.1, 12.1, 13.1, onder a, 1° t/m 3°, 17.1, 18 of 19 Bor , of die behoren tot een categorie met Gedeputeerde Staten of de Minister als bevoegd gezag. Deze inrichtingen zijn verplicht de volgende gegevens aan te leveren:
- De aard van de geluiden en hoogte van de te verwachten geluidsbelasting welke de inrichting binnen een door het bevoegd gezag aangegeven gebied buiten de inrichting kan veroorzaken;
- De tijden waarop die geluidsbelasting zich zal voordoen;
- De methode waarmee de aard van de geluiden en hoogte van de geluidsbelasting zijn vastgesteld.
De meest logische vorm om deze gegevens aan te leveren is een akoestisch rapport.
Noch in de Wet milieubeheer noch in de Wabo is vastgelegd welke reken- en meetmethode gebruikt moet worden om de gevolgen voor het milieu voor het aspect geluid in kaart te brengen. In de praktijk wordt de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 gebruikt. Deze handleiding is ook in de jurisprudentie aanvaard. Ook het verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting, de indirecte hinder, wordt bepaald met deze handleiding.
Vergunningsplichtige inrichtingen op gezoneerde industrieterreinen
Deze inrichtingen leveren gegevens aan over de geluiduitstraling (art. 165 Wgh).
Het gaat om informatie over type en plaats van de geluidsbronnen, bronvermogens, bedrijfstijden en dergelijke. Deze emissiegegevens zullen door de zonebeheerder zelf in het beheermodel moeten worden opgenomen. In art. 2.14 lid 1 sub c Wabo is de verplichting opgenomen dat het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag voor vergunningsplichtige inrichtingen de volgens de Wet geluidhinder geldende grenswaarde in acht moet nemen. Daarbij gaat het voor de Wet geluidhinder om grenswaarden gericht op de gecumuleerde geluidsbelasting van alle inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein. Een uitzondering daarop is het geluid van windturbines, art. 1b lid 2 Wgh.
Er wordt dus niet alleen gekeken naar de geluidsbelasting van het individuele bedrijf waarvoor een vergunning moet worden verleend. Op basis van de Wet geluidhinder zijn er twee type grenswaarden waaraan getoetst moet worden, de zone (50 dB(A) etmaalwaarde) en de hoogst toelaatbare geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen in de zone.
Alle (overige) vergunningsplichtige inrichtingen
Alle inrichtingen leveren in ieder geval de volgende gegevens aan (art. 4.1 lid 1 onder e en onder g Mor):
- De aard en omvang van de belasting van het milieu die de inrichting tijdens normaal bedrijf kan veroorzaken, daaronder begrepen een overzicht van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die daardoor kunnen worden veroorzaakt
- de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken.
Op grond dit artikel is het mogelijk om een akoestisch rapport te vragen van bedrijven, die niet in art. 4.5 Mor zijn genoemd. Het bevoegd gezag zal dan wel moeten motiveren waarom het rapport in deze situatie gewenst is, het mag niet onredelijk zijn.
In de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening (paragraaf 5.1) vindt u meer informatie over akoestisch rapport in dergelijke situaties. In de Handreiking wordt nog verwezen naar het inmiddels vervallen Inrichtingen- en vergunningenbesluit, maar deze systematiek is met de Wabo niet gewijzigd:
"Daarnaast bieden hoofdstuk 5 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en de Handleiding Meten en Rekenen lndustrielawaai in algemene zin voldoende mogelijkheden om ook bij de niet in artikel 5.10 genoemde bedrijven een voor de beoordeling geschikt akoestisch onderzoek te verlangen. Bij dergelijke bedrijven zal veelal een opgave van geluidsbronnen, bedrijfstijden en emissiegegevens voldoende zijn, doch in sommige gevallen kan het gewenst zijn toch een volledig akoestisch onderzoek te verlangen. Wanneer dat zinvol is, is in zijn algemeenheid niet te zeggen. Zo kan het bevoegd gezag eventueel eerst zelf of naar aanleiding van een eenvoudige opgave van het bedrijf, een globale schatting maken van de geluiduitstraling.
Men kan zich daarbij baseren op de meest dominante geluidsbronnen of op de afstanden zoals opgenomen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Blijkt daarbij dat het bedrijf in de buurt van of boven de te stellen grenswaarden uitkomt, dan kan vervolgens alsnog door het bevoegd gezag een uitgebreid akoestisch onderzoek worden gevraagd, dan wel worden uitgevoerd. Ook een eventuele cumulatie met nabijgelegen bedrijven kan er toe leiden dat een uitgebreid akoestisch onderzoek zal worden gevraagd."

