Geluidsgevoelige objecten vergunningplichtige bedrijven

Geluidsgevoelige objecten vergunningplichtige bedrijven

Geluid

Inhoud pagina: Geluidsgevoelige objecten vergunningplichtige bedrijven

Voor vergunningsplichtige inrichtingen (op grond van artikel 2.1, lid 2 Bor) maakt het bevoegd gezag een (geluids-)voorschriftenpakket op maat. Daarbij staat het bevoegd gezag voor de vraag welke objecten bescherming tegen geluidhinder behoeven.

De grondslag waarop het bevoegd gezag voorschriften op neemt, is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In de Wabo zelf zijn geen objecten genoemd die bescherming tegen (geluid)hinder behoeven.  Bepalend bij het stellen van voorschriften tegen geluidhinder is "het nodig zijn ter bescherming van het milieu". Het bevoegd gezag bezit derhalve enige mate van beoordelingsvrijheid om te bepalen welke objecten bescherming tegen geluidhinder behoeven en wat het beschermingsniveau voor dergelijke objecten is.

De "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening" (1998) is een hulpmiddel voor overheden bij het bepalen van het beschermingsniveau. De overgrote meerderheid van de gemeenten gebruikt hoofdstuk 4 van de handreiking. In dit hoofdstuk is de beoordelingssystematiek voor geluidhinder bij vergunningverlening van de (vervallen) Circulaire Industrielawaai uit 1979 opgenomen. Deze richt zich uitsluitend op woningen.
De handreiking is er vooral op gericht dat gemeenten een eigen geluidbeleid opstellen voor geluidhinder door industrielawaai en dit eigen beleid hanteren bij vergunningverlening. Slechts een klein aantal van de gemeenten heeft dit echter gedaan.

Vaak wordt bij vergunningverlening om de te beschermen objecten te bepalen, aangesloten bij de definities uit de Wet geluidhinder van een woning of andere geluidsgevoelige bestemmingen. Hiermee wordt vrijwel altijd voldoende waarborg gegeven tegen geluidhinder.
Hierbij moet wel de kanttekening worden gemaakt dat als er een zienswijze wordt ingediend die betrekking heeft op de beschermwaardigheid van een object dit door het bevoegd gezag niet zonder meer afgedaan kan worden met de motivering "geen geluidsgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder" (ABRvS 12 april 2006, nr. 200506766/1). Juist doordat er noch in de Wet milieubeheer noch in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening geluidsgevoelige objecten worden genoemd of wordt verwezen naar de Wet geluidhinder worden er meer eisen gesteld aan de motivering.

Feitelijk gebruik

Bij vergunningverlening wordt bescherming geboden aan de hand van het feitelijk gebruik, en niet op basis van de planologische bestemming. Zo hoeft een gebouw dat de bestemming ‘woning’ heeft niet beschermd te worden als het langdurig leeg staat, voor een andere functie wordt gebruikt of niet meer voor bewoning geschikt is en er geen te verwachten ontwikkelingen zijn waaruit blijkt dat dit gaat veranderen.
Andersom geldt ook dat een "illegaal" bewoond gebouw wel bescherming krijgt.

Gevoelige objecten op een gezoneerd industrieterrein

De beoordeling van geluidsgevoelige objecten op het gezoneerde industrieterrein levert vaak discussie op. In een uitspraak van de ABRvS 24 januari 2007, nr. 200600676/1 wordt ingegaan op de toetsing op basis van artikel 8.8 Wm (nu artikel 2.14 Wabo), de bescherming van geluidsgevoelige objecten en het opnemen van voorschriften. Daaruit blijkt dat er geen toetsing aan de grenswaarden op basis van de Wet geluidhinder dient plaats te vinden. Dit betekent niet dat er geheel geen bescherming mag worden geboden (al dan niet door het opnemen van voorschriften), maar dat het speciale vestigingsklimaat voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein niet mag worden aangetast. De bescherming is dus zeer beperkt.

Overweging 2.3.4, betreffende toetsing op basis van artikel 8.8 Wm:
"Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer moeten ingevolge de Wet geluidhinder geldende grenswaarden bij de beslissing op een aanvraag om vergunning krachtens de Wet milieubeheer in acht worden genomen. De Wet geluidhinder voorziet in een zonegrenswaarde en in een maximaal toelaatbare geluidsbelasting voor woningen die zijn gelegen binnen de zone, maar buiten het industrieterrein. De wet voorziet niet in een grenswaarde voor woningen gelegen op het industrieterrein."
Kortom: geen toetsing Wet geluidhinder voor woningen op een gezoneerd industrieterrein en dus ook niet voor andere geluidsgevoelige objecten.

Overweging 2.3.5, betreffende de bescherming van geluidsgevoelige objecten:
"De Afdeling overweegt dat bij het verlenen van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer het stelsel van de Wet geluidhinder niet mag worden doorkruist. Dit brengt ten aanzien van de bescherming van op het gezoneerde industrieterrein gelegen woningen het volgende mee. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals haar uitspraak van 14 december 2005 in zaak nr. 200410115/1, mag de geluidsbelasting ter plaatse van een woning op een gezoneerd industrieterrein in elk geval geen grond vormen voor weigering van een vergunning voor een inrichting op dat industrieterrein. De Afdeling is verder van oordeel dat geen sprake is van doorkruising van het stelsel van de Wet geluidhinder ingeval het bieden van bescherming tegen geluidhinder aan een woning op het gezoneerde industrieterrein niet leidt tot weigering van de vergunning en de inrichting evenmin tot het treffen van zodanige maatregelen wordt verplicht, dat gesproken moet worden van een aantasting van het speciale vestigingsklimaat voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein dat de Wet geluidhinder mede beoogt te bieden."
Samenvattend: onder voorwaarden mag bescherming aan woningen worden geboden, mits het speciale vestigingsklimaat niet wordt ingeperkt.

Overweging 2.3.6, betreffende het opnemen van voorschriften:
"Het door appellante gestelde dat de geluidsbelasting ter plaatse van een woning gelegen op een gezoneerd industrieterrein geen grond kan vormen voor weigering van een vergunning voor een inrichting op dat industrieterrein is derhalve op zichzelf juist. Dit betekent echter niet, zoals appellante kennelijk veronderstelt, dat verweerder in het geheel geen geluidvoorschriften aan de vergunning mag verbinden die beogen op het industrieterrein gelegen woningen te beschermen.
Aan voorschrift 2.4 kan op betrekkelijk eenvoudige wijze gehoor worden gegeven; daarmee kan vermijdbare geluidhinder worden voorkomen. Het speciale vestigingsklimaat voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein zal met een dergelijk voorschrift niet worden aangetast."
Samenvattend: voorschriften mogen, mits niet te beperkend in relatie met het speciale vestigingsklimaat.

Enkele speciefieke objecten

Hieronder worden een aantal specifieke objecten besproken. Daarbij is gebruik gemaakt van jurisprudentie. Daarbij moet gerealiseerd worden dat uitspraken altijd betrekking hebben op een specifiek geval waarbij allerlei overwegingen een rol kunnen spelen. Wanneer u een van de uitspraken wilt aanhalen, wordt geadviseerd om de gehele uitspraak op te vragen en de overwegingen goed in acht te nemen.

Bedrijfswoning/Dienstwoning

Een bedrijfswoning die tot de inrichting behoort is bij vergunningverlening geen geluidsgevoelig object. Een bedrijfswoning die niet tot de inrichting behoort is in principe een woning van derden en derhalve een geluidsgevoelig object.
Soms kan er discussie zijn of een woning tot een inrichting behoort. Belangrijk bij de beoordeling is het aspect functionele binding. De afweging moet gemaakt worden of de woning een zodanige betrokkenheid heeft bij de inrichting dat deze tot de inrichting gerekend kan worden. Hieronder staan enkele situaties die inzicht geven wat zoal onder functionele binding gerekend kan worden.

  • De voormalig eigenaar van de inrichting woont in de oude dienstwoning.  Bij de koop van de inrichting is bedongen dat de woning uitsluitend aan diegene kan worden verhuurd die direct of indirect bij de bedrijfsvoering van de inrichting is betrokken. Woning heeft een zodanige betrokkenheid bij de inrichting dat deze om die reden tot de sfeer van de inrichting kan worden gerekend en geen bescherming tegen geluidhinder behoeft. ABRvS 26 juni 2002, nr. 200200618/1
  • Huurder is in dienst geweest van vergunninghoudster. In het kader van dit dienstverband kon hij woning huren. Woning heeft daarom een zodanige betrokkenheid bij de inrichting dat deze om die reden tot de sfeer van de inrichting kan worden gerekend. ABRvS 18 mei 2005, nr. 200405745/1
  • Bewoner van woning steekt  incidenteel met enige frequentie een helpende hand uit op inrichting (tijdens afwezigheid en tijdens pieken). Onvoldoende grond voor oordeel dat we sprake is van een zodanige binding dat woning hoort tot sfeer van de inrichting. Dat bewoner voor zijn hulp een vergoeding ontvangt, doet aan dit oordeel niet af, temeer omdat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.  ABRvS 11 juli 2001, nr. 200000335/1 (vindplaats: M en R 2002, nr. 65)


Recreatiewoningen/vakantiewoningen

Voor de vraag of een object op grond van de Wet milieubeheer moet worden beschermd tegen nadelige gevolgen voor het milieu is niet de planologische status van dat object maar het feitelijk gebruik dat van dat object wordt gemaakt, doorslaggevend. ABRvS 15 juni 2005, nr. 200407535/1 Uit de stukken blijkt dat het een tweede woning betreft, waar met een zekere regelmaat, gedurende langere tijd personen verblijven. Gelet hierop komt op grond van de Wet milieubeheer aan die woning een zekere mate van bescherming tegen geluidhinder toe.

Aangezien de woning echter niet permanent wordt bewoond, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet dezelfde mate van bescherming tegen geluidhinder behoeft te worden geboden als de bescherming die verweerder biedt aan permanent bewoonde woningen en die, blijkens het verhandelde ter zitting, is gebaseerd op de normstelling in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening.

Woonboten/woonschepen

Er is verschillende jurisprudentie over de vraag of een woonboot een geluidsgevoelig object is. Daarbij is het feitelijk gebruik van de woonboot als woning doorslaggevend en niet de planologische status van de ligplaats. (ABRvS 15 juni 2000, nr. E03.98.0779 (vindplaats: nieuwsbrief StAB 3/2000, nr 00-65)). In een andere uitspraak waarbij de woonboot als een recreatiewoning(boot) wordt gebruikt voor twee maanden per jaar(ABRvS 23 december 1997, nr. E03.95.1808 (vindplaats JM 1998/74)) oordeelt de afdeling dat de woonboot niet als een geluidsgevoelig object gezien moet worden. De afdeling stelt in die uitspraak ook dat de recreatieboot niet kan worden aangemerkt als woning in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet geluidhinder, daar het niet gaat om een gebouw. Daarnaast wijst de Afdeling er op dat recreatieboten niet worden genoemd in de Amvb’s van de Wet geluidhinder, waarin geluidsgevoelige objecten worden aangewezen.

Wanneer een woonboot is gelegen op een gezoneerd industrieterrein dan komt deze geen bescherming toe.


Voor een bouwbedrijf dat op een in het kader van de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein ligt, wordt een vergunning krachtens de Wm verleend. Een op de wal getrokken woonboot is niet bij het akoestisch onderzoek betrokken omdat verweerders van mening zijn dat deze woonboot niet als een geluidsgevoelige bestemming is opgenomen in het bestemmingsplan. De Afdeling constateert dat de in geding zijnde woonboot bestemd is voor bewoning en feitelijk permanent bewoond wordt. Onder die omstandigheden is de woonboot aan te merken als een geluidsgevoelig object. In casu komt de woonboot echter niet voor bescherming in aanmerking nu deze op een gezoneerd industrieterrein ligt en de Wet geluidhinder niet voorziet in de bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige objecten die op een industrieterrein liggen. De zone rondom het industrieterrein omvat immers niet mede het terrein zelf. ABRvS 27 januari 2000, nr. E03.97.0147 (vindplaats: nieuwsbrief StAB 2/2000, K12)

Stacaravan

De Afdeling stelt dat de caravan reeds jaren door appellant wordt gebruikt als permanente woonplaats. Voor de toepassing van de Circulaire Industrielawaai moet de caravan worden aangemerkt als woning waaraan bescherming toekomt. ABRvS 23 december 1999, nr. E03.97.0795 (vindplaats: JM 2000/88)

Universiteitsgebouwen

Universiteitsgebouwen, die niet expliciet worden genoemd, zijn naar het oordeel van de Afdeling vergelijkbaar met de scholen voor basis-, en voortgezet onderwijs en de instellingen voor hoger beroepsonderwijs. Dit betekent dat deze gebouwen gelet op het gebruik daarvan moeten worden aangemerkt als geluidsgevoelige bestemmingen. ABRvS 18 februari 1997, nr. E03.95.1295 (vindplaats:  M en R, 1997, nr 69)

Kampeerterrein

Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat een kampeerterrein niet geluidsgevoelig is omdat personen zich slechts gedurende korte tijd daarop bevinden en het niet tot permanent verblijf dient. Naar het oordeel van de Afdeling kunnen objecten als geluidsgevoelig worden aangemerkt wanneer zich gedurende langere tijd personen daarop of daarin bevinden. In aanmerking genomen dat, met uitzondering van een periode van ongeveer zes weken per jaar, voortdurend personen op het kampeerterrein verblijven, hebben verweerders het kampeerterrein ten onrechte niet beschouwd als hindergevoelig object. Daarbij is niet van doorslaggevend belang dat de personen die zich op deze kampeerplaats bevinden ieder voor zich slechts gedurende een bepaalde - korte - periode daar verblijven. ABRvS 17 augustus 2000, nr. E03.98.1241

Tuin

Voor zover appellant beoogt bescherming tegen geluidhinder te verkrijgen wanneer hij zich in zijn tuin bevindt, overweegt de Afdeling dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een tuin geen geluidsgevoelig object is dat in aanmerking komt voor bescherming tegen geluidhinder. ABRvS 1 december 2004, nr. 200307297/1

Volkstuincomplexen

Volkstuincomplexen worden niet genoemd in artikel 4, tweede lid van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen. Bovendien dienen deze complexen doorgaans slechts gedurende een deel van het jaar tot verblijf van personen, die doorgaans de op het complex aanwezige opstallen niet voor permanent gebruik (mogen) benutten. Dergelijke opstallen zijn derhalve in beginsel geen geluidsgevoelige bestemming. ABRvS 18 februari, nr. E03.95.1295 (vindplaats M en R, 1997, nr. 69)

Begraafplaats

Een begraafplaats kan niet aangemerkt worden als geluidsgevoelig object. ABRvS 28 juli 2004, nr. 200304766/1

Bedrijfsloods

Een bedrijfsloods kan volgens de Afdeling bestuursrechtspraak een geluidsgevoelig object zijn aangezien in ieder geval gedurende drie maanden, afhankelijk van het seizoen, meerdere mensen iedere dag van 's ochtends tot 's avonds werkzaam zijn in de desbetreffende loods (ABRvS 15 januari 2003, nr. 200200707/1).  De Afdeling overweegt verder: "Het vorenstaande brengt naar het oordeel van de Afdeling overigens niet automatisch met zich, dat in een dergelijke loods verblijvende personen dezelfde bescherming dienen te krijgen als in het geval het een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming betreft. In het thans voorliggende geval dienen verweerders dan ook te bezien of, en zo ja in welke mate, de in de onderhavige loods verblijvende personen bescherming tegen geluidhinder behoeven. Dat betekent overigens niet dat deze personen dezelfde bescherming dienen te krijgen als in het geval van een woning."
Elk object waarin langdurig mensen verblijven kan dus in principe een geluidsgevoelig object zijn dat in het kader van een belangenafweging (bij bespreking van zienswijzen/bedenkingen) minstens beschouwd dient te worden. Of er bescherming tegen geluidhinder moet worden geboden en in welke mate hangt af van de specifieke omstandigheden van een situatie.

Geluidsgvoelige objecten en andere regelgeving

Ook in andere juridische kaders speelt de vraag wat nu precies een geluidsgevoelig object is. Daarbij kunnen ook verschillen optreden. Het is daarom belangrijk om goed voor ogen te hebben in welk juridisch kader de afweging wordt gemaakt of een object geluidsgevoelig is of niet.

speaker swishphotos
 

Kenniscentrum InfoMil