Procedure Besluit hogere waarden

Home > Onderwerpen > Hinder, gezondheid, veiligheid > Geluid > Wet geluidhinder > Procedure Besluit hogere waarden

Procedure Besluit hogere waarden

Geluid

Inhoud pagina: Procedure Besluit hogere waarden

Op deze pagina wordt ingegaan op de procedure voor het besluit hogere waarde in het kader van de Wet geluidhinder in de gevallen dat burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn. Andere procedures gelden in het geval dat hogere waarden worden opgesteld in het kader van sanering (industrie-, weg- en spoorweglawaai), in het kader van de Tracéwet of de Spoedwet wegverbreding.

Een deel van de procedure vindt zijn grondslag in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Maar ook in de Wet geluidhinder (Wgh) en het Besluit geluidhinder (Bgh) zijn bepalingen rond de procedure te vinden. In de onderstaande pagina worden niet alle procedurele aspecten in relatie met de Awb (bv. over de ter inzage legging) behandeld. Hiervoor wordt verwezen naar algemene literatuur betreffende de Awb. De volgende onderwerpen worden behandeld:

De VROM-Inspectie is in 2008 nagegaan of de gemeenten aan de regelgeving voldoen, alle mogelijke maatregelen in beeld brengen en haalbare maatregelen toepassen in de situaties waarin een verhoogde geluidsbelasting onvermijdelijk is. Ook is onderzocht in hoeverre burgers worden geïnformeerd over de verhoogde geluidsbelasting in hun (woon)omgeving en kunnen beschikken over informatie over de geluidsbelasting in hun (woon)omgeving. De bevindingen, conclusies en aanbevelingen kunt u lezen in Geluid? We willen het niet horen!

 Bevoegd gezag

Sinds de wetswijziging van 1 januari 2007 is de hoofdregel dat de burgemeester en wethouder bevoegd zijn om binnen de grenzen van hun gemeente een hogere waarde vast te stellen (art. 110a lid 1). Hierop zijn een aantal uitzonderingen:

Burgemeester en wethouders van een buurgemeente is bevoegd (art. 110a lid 2):

  • in de situatie dat de activiteit die de aanleiding is om een hogere waarde vast te stellen (aanleg of reconstructie van een weg, aanleg of wijziging van een gezoneerd industrieterrein) in de buurtgemeente ligt.

Gedeputeerde staten is bevoegd (art. 110a  lid 7):

  • bij de aanleg of wijziging van een hoofdspoorweg of de aanleg of reconstructie van een weg in beheer bij het Rijk of een provincie
  • bij de vaststelling of wijziging van een zone rond een industrieterrein dat als industrieterrein van regionaal belang is aangewezen bij provinciale verordening op basis van de Wet milieubeheer of de Wet ruimtelijke ordening.

Minister van Infrastructuur en Milieu is bevoegd:

  

Verzoek tot hogere waarde

Verzoeker

In hoofdstuk 5 van het Besluit geluidhinder staat wie een verzoek tot een besluit hogere waarde kan indienen. Dit is afhankelijk van of het een zone rond een industrieterrein, dan wel een zone langs een weg of spoorweg betreft. Omdat burgemeester en wethouders vaak zelf bevoegd gezag zijn voor het vaststellen van hogere waarden en daarom veelal ambtshalve beslissen, is het verzoek tot vaststelling minder relevant geworden.

Hieronder wordt aangegeven wie in welke situatie een verzoek kan indienen:

Verzoeker bij een zone rond een industrieterrein (art. 5.1 lid 1 Bgh):

  • degene die het beheer voert over het industrieterrein waarvoor de hogere waarde verzocht wordt
  • het bestuur van de Kamer van Koophandel en Fabrieken van het gebied waarin het industrieterrein gesitueerd is of wordt.

Verzoeker bij een zone rond een industrieterrein van regionaal belang (art. 5.1 lid 2 Bgh):

  • degene die het beheer voert over het industrieterrein waarvoor de hogere waarde verzocht wordt
  • het bestuur van de Kamer van Koophandel en Fabrieken van het gebied waarin het industrieterrein gelegen is of wordt
  • burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de woningen, de andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen gesitueerd zijn of worden
  • burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het industrieterrein gesitueerd is of wordt.

Verzoeker bij een zone langs een weg (art. 5.2 Bgh):

  • de wegaanlegger
  • de wegbeheerder (in het geval van reconstructie).

Verzoeker bij een zone langs een spoorweg (art. 5.3 Bgh):

  • burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de woningen, de andere geluidsgevoelige gebouwen of de geluidsgevoelige terreinen gesitueerd zijn of worden
  • burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de spoorweg gesitueerd is of wordt
  • de spoorwegexploitant, indien het betreft de aanleg of wijziging van een spoorweg.

Inhoud van het verzoek

In art. 5.4 Bgh is vastgelegd aan welke eisen het verzoek ten minste moet voldoen. Het verzoek omvat ten minste:

  • de verzochte hogere waarde
  • de redenen die aan het verzoek ten grondslag liggen
  • de resultaten van het akoestisch onderzoek
  • een verklaring dat maatregelen zullen worden getroffen indien de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, vanwege de weg of vanwege de spoorweg, binnen de woning of andere geluidsgevoelige gebouwen bij gesloten ramen meer bedraagt dan de toegestane binnenwaarde.

Bij het verzoek bevinden zich één of meer kaarten (art. 5.4 lid 2 Bgh) met bijbehorende verklaring. Die kaart of kaarten moeten voldoen aan de volgende voorschriften (art. 3.8 lid 4 Bgh):

  • de kaarten worden getekend op een duidelijke ondergrond
  • de begrenzing van het gebied waarop het plan betrekking heeft, wordt met een duidelijke lijn op de kaarten aangegeven
  • de kaarten worden vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 10 000, tenzij de omvang van het gebied of de aard van het plan een andere schaal noodzakelijk maakt
  • uit de kaarten moet blijken hoe het in het plan begrepen gebied aansluit op het daaromheen gelegen gebied
  • voor zover in het plan gronden zijn begrepen waarvan de bestemming in de naaste toekomst voor verwezenlijking in aanmerking komt, worden deze gedeelten vervat in één of meer kaarten op een schaal van ten minste 1 op 2500, waarop de kadastrale grenzen, sectie en nummers van de in deze gedeelten van het plan begrepen percelen zijn aangegeven
  • indien een bestemmingsplan uit meerdere kaarten bestaat, moet uit een overzichtskaart de aansluiting van de kaarten onderling en de aansluiting aan het daaromheen gelegen gebied blijken
  • op de kaarten worden de schaal en de noordpijl aangegeven
  • op de kaarten worden de bestaande gebouwen en de namen van de belangrijkste wegen, straten en waterwegen aangegeven
  • de kaarten moeten op duidelijke en overzichtelijke wijze worden uitgevoerd
  • zij moeten van duurzaam materiaal vervaardigd worden en goed vermenigvuldigbaar zijn.

Op de kaarten staan onderstaande zones/gebieden aangegeven, voor zover de woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen waarop het verzoek betrekking heeft, daarbinnen liggen of worden gesitueerd (bestaand dan wel toekomstig):

Ook bij het ambtshalve nemen van een besluit hogere waarde moet bovenstaande informatie in het ontwerp-besluit opgenomen worden (art. 5.5 Bgh).

Inhoudelijke afweging hogere waarde

Een hogere waarde (op verzoek) hoeft niet te worden verleend (dit is wel een besluit waartegen beroep mogelijk is). Een hogere waarde mag alleen worden verleend wanneer toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard (art. 110a lid 5). Om te bepalen of er sprake is van "overwegende bezwaren van financiële aard" kan bij wegverkeerslawaai en spoorweglawaai gebruik gemaakt worden van het doelmatigheidscriterium in de "Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder".

In een "Hogere waarde beleid" kan het bevoegd gezag aangeven in welke situaties en onder welke voorwaarden zij zal meewerken aan een verzoek. Een hogere waarde beleid biedt voordelen in kwaliteit, tijdwinst en rechtszekerheid. Voor meer informatie over een hogere waarde beleid wordt verwezen naar de folder Geluidsbeleid Hogere Waarden

Ontwerpbesluit hogere waarde

In art. 110c wordt aangegeven dat de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure (Afdeling 3.4) van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Met betrekking op de ter inzage legging is in Wgh zelf nog een extra verplichting opgenomen.

Ter inzage legging

Het ontwerp van het te nemen besluit hogere waarde, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, wordt ter inzage gelegd (art. 3:11 Awb).

Er zijn vier situaties te onderscheiden:

  • Een besluit hogere waarde in het kader van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan.
    In art. 110c lid 1 is vastgelegd dat het ontwerpbesluit hogere waarde tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd in het geval burgemeester en wethouders bevoegd zijn de hogere waarde vast te stellen.
  • Een besluit hogere waarde in het kader van de vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.
    In de Wgh is niet vastgelegd hoe de koppeling (in tijd) plaatsvindt tussen een ontwerpwijzigings- of ontwerpuitwerkingsbesluit en het ontwerpbesluit hogere waarde. Het ontwerpbesluit hogere waarde behoeft dus niet gelijktijdig met het ontwerpwijzigings- of ontwerpuitwerkingsbesluit ter inzage gelegd te worden.
    Hoewel er formeel geen koppeling is tussen beide procedures, wordt wel aanbevolen om beide ontwerpbesluiten tegelijkertijd ter inzage te leggen. Om het ontwerpbesluit hogere waarde goed te begrijpen is immers de informatie behorende bij het ontwerpwijzigings- of ontwerpuitwerkingsbesluit nodig.
  • Een besluit hogere waarde in het kader van een omgevingsvergunning.
    Over het algemeen zal een hogere waarde procedure doorlopen moeten worden voor een omgevingsvergunning voor een ruime afwijking van het bestemmingsplan (art. 2.12 lid 1 sub a onder 3° Wabo), het vroegere projectbesluit. Een dergelijke omgevingsvergunning wordt genomen via de uitgebreide voorbereidingsprocedure (§ 3.3 De uitgebreide voorbereidingsprocedure Wabo).
    In de Wgh is niet vastgelegd hoe de koppeling (in tijd) plaatsvindt tussen een ontwerp-projectbesluit en de omgevingsvergunning . Het ontwerpbesluit hogere waarde behoeft dus niet gelijktijdig met de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage gelegd te worden. Hoewel er formeel geen koppeling is tussen beide procedures, wordt wel aanbevolen om het ontwerpbesluit hogere waarde tegelijkertijd ter inzage te leggen. Om het ontwerpbesluit hogere waarde goed te begrijpen is immers de informatie behorende bij het ontwerpprojectbesluit nodig.
    NB. Bij verlening van een omgevingsvergunning met een beperkte afwijking van het bestemmingsplan art. 2.12 lid 1 sub a onder 2° Wabo  in de zone van een spoorweg moet ook worden getoetst aan de Wet  geluidhinder (art. 4.2 Bgh). Dit in tegenstelling tot verlening van een omgevingsvergunning met een beperkte afwijking van het bestemmingsplan in de zone van een weg of een industrieterrein.
    Voor een omgevingsprocedure voor een beperkte afwijking geldt de reguliere voorbereidingsprocedure (§ 3.2 De reguliere voorbereidingsprocedure Wabo). Hiervoor geldt dat er geen ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage wordt gelegd maar direct het besluit voor de omgevingsvergunning wordt genomen, met in acht nemen van de vastgestelde hogere waarde. Het ontwerp-hogere waarde kan dus niet tezamen met het besluit voor de omgevingsvergunning ter inzage worden gelegd.
  • Een besluit hogere waarde in het kader van een reconstructie van een weg of een wijziging van een spoorweg buiten de Tracéwet om (zonder een ruimtelijke procedure).
    In de Wgh is niet vastgelegd hoe de koppeling (in tijd) plaatsvindt tussen een ontwerp-projectbesluit en een reconstructie- danwel wijzigingsbesluit. Het ontwerpbesluit hogere waarde behoeft dus niet gelijktijdig met een reconstructie- danwel wijzigingsbesluit ter inzage gelegd te worden.

Wie kan zienswijze indienen

Art. 3:15 lid 1Awb bepaalt dat belanghebbenden bij het bestuursorgaan hun zienswijze over het ontwerp naar voren mogen brengen. Ar. 3:15 lid 2 Awb geeft aan dat bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden bepaald dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze naar voren te brengen. In de Wgh is niet vastgelegd dat door een ieder zienswijzen ingediend kunnen worden (er is hier dus geen sprake van een wettelijk voorschrift). Dus, tenzij het bevoegd gezag het anders bepaalt, kunnen alleen belanghebbenden zienswijzen tegen het ontwerpbesluit hogere waarde indienen. Het ligt overigens niet voor de hand dat het bevoegd gezag er voor kiest om iedereen de gelegenheid te geven om zienswijzen in te dienen, al was het alleen maar om discussies te vermijden over de kring van mensen die beroep aan kunnen tekenen tegen het besluit.

NB. Tegen een ontwerpbestemmingsplan en tegen een ontwerpprojectbesluit kunnen wel door een ieder zienswijzen ingediend worden. Dit is vastgelegd in de Wet ruimtelijke ordening (art. 3.8 Wro voor het ontwerpbestemmingsplan en art. 3.12 lid 5 Wabo voor de ontwerpomgevingsvergunning). Daarbij kan ook het aspect geluid worden ingebracht, echter niet op die punten die worden geregeld via de Wgh. Een verdere bespreking van het aspect geluid in een ruimtelijke ordeningprocedure staat in het hoofdstuk "Geluid" in de Handreiking Ruimtelijke Ordening en Milieu.

Termijn zienswijze

In art. 3:16 Awb is aangegeven dat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken bedraagt, ingaande met de dag waarop het ontwerpbesluit hogere waarde ter inzage is gelegd.

Besluit hogere waarde

In de meeste gevallen wordt het besluit hogere waarde ambtshalve genomen en betreft het geen besluit op verzoek. Voor ambtshalve genomen besluiten kent de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure (Afdeling 3.4) van de Awb geen beslistermijn. Het besluit hogere waarde moet door Burgemeester en Wethouders echter genomen zijn vóór het nemen van het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning of vóór het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan (door de gemeenteraad). De grenswaarden moeten bij het nemen van die besluiten immers in acht worden genomen. De beslistermijnen van de omgevingsvergunning dan wel de vaststelling van het bestemmingsplan beperken daarom de beslistermijn voor het besluit hogere waarde.

In een beperkt aantal gevallen is een besluit hogere waarde wel een besluit op verzoek. In art. 3:18 Awb is de termijn geregeld waarbinnen het bevoegd gezag een besluit moet nemen als het een besluit op verzoek betreft. Het besluit moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk zes maanden na het verzoek genomen worden. Wanneer er geen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit zijn ingediend moet het bevoegd gezag beslissen binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken.

In afdeling 3.6 van de Awb is geregeld hoe de bekendmaking en mededeling van een besluit moet plaatsvinden.

Beroep tegen een besluit hogere waarde 

Wie kan in beroep?

Alleen belanghebbenden kunnen beroep aantekenen tegen een besluit hogere waarde. Art. 146 geeft aan dat beroep op de administratieve rechter open staat overeenkomstig hoofdstuk 20 van de Wet milieubeheer. In art. 20.1 lid 1 Wm wordt aangeven dat alleen belanghebbenden in beroep kunnen gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

Als belanghebbende wordt door de ABRvS slechts erkend degene die een rechtens te erkennen belang heeft dat rechtstreeks is betrokken bij een besluit tot vaststelling van een hogere waarde.
In een recente uitspraak van de Raad van State (ABRvS 27 mei 2009 nr. 200805817/1) wordt uitgebreid ingegaan op het aspect "belanghebbende". Uit deze uitspraak blijkt dat ook een belangengroep gericht op het woon- en leefklimaat van een bepaald gebied belanghebbende kan zijn (dit moet blijken uit de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden van de belangengroep).

NB. Iemand kan pas in beroep gaan bij de ABRvS als diegene eerder een zienswijze tegen het ontwerpbesluit heeft ingediend. Dit laatste geldt niet als de belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijze heeft ingediend (bv. het betreft een verschil tussen het ontwerpbesluit en het definitief besluit).

Lengte beroepstermijn

In art. 6:7 Awb is geregeld dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt.

Begin beroepstermijn

Er zijn vier situaties te onderscheiden:

  • Een besluit hogere waarde in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan.
    In art. 145 Wgh is bepaald dat de beroepstermijn voor het besluit hogere waarde begint op de dag waarop beroep kan worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in het geval dat het besluit hogere waarde wordt genomen door burgemeester en wethouders.
  • Een besluit hogere waarde in het kader van de vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.
    Voor de beroepstermijn voor het besluit hogere waarde in het kader van in het kader van de vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan is in de Wgh niets geregeld wat betreft het begin van de beroepstermijn. In die gevallen geldt art. 6:8 lid 4 Awb: de beroepstermijn begint een dag nadat het besluit ter inzage is gelegd. 
  • Een besluit hogere waarde in het kader van een omgevingsvergunning.
    Voor de beroepstermijn voor het besluit hogere waarde in het kader van een omgevingsvergunning is in de Wgh niets geregeld wat betreft het begin van de beroepstermijn. In die gevallen geldt art. 6:8 lid 4 Awb: de beroepstermijn begint een dag nadat het besluit ter inzage is gelegd. 
  • Een besluit hogere waarde in het kader van een reconstructie van een weg of een wijziging van een spoorweg buiten de Tracéwet om (zonder een ruimtelijke procedure).
    Voor de beroepstermijn voor het besluit hogere waarde in het kader van een reconstructie van een weg of wijziging van een spoorweg buiten de Tracéwet om is in de Wgh niets geregeld wat betreft het begin van de beroepstermijn. In die gevallen geldt art. 6:8 lid 4 Awb: de beroepstermijn begint een dag nadat het besluit ter inzage is gelegd. 

Inschrijving Kadaster

Volgens art. 110i lid 1 moet het besluit hogere waarden geregistreerd worden bij het Kadaster, nadat dit besluit onherroepelijk is geworden. De kadastrale registratie betekent niet dat de vastgestelde hogere waarde rechtstreeks aan het betreffende kadastrale perceel wordt gekoppeld: er wordt slechts een aanduiding opgenomen dat er een hogere waarde is vastgesteld. Het besluit daaromtrent is vervolgens wel opvraagbaar bij het kadaster.

De kadastrale registratie geschiedt op het niveau van een kadastraal perceel of gedeelte daarvan. Dat houdt in dat het besluit pas aan het kadaster kan worden aangeboden ter inschrijving als daarbij tevens de kadastrale aanduiding wordt vermeld. Als er sprake is van globale bestemmingsplannen of appartementengebouwen waarvoor de uiteindelijke kadastrale aanduiding ten tijde van het nemen van het besluit tot vaststellen van hogere waarden nog niet bekend is, is het raadzaam de registratie eerst te laten plaatsvinden als de definitieve kadastrale aanduiding bekend is.

Art. 110i lid 2 stelt dat als een besluit hogere waarde wordt ingetrokken, wordt gewijzigd of geen waarde meer heeft, de kadastrale registratie daarop moet worden aangepast.

Meer informatie staat in de Factsheet Kadastrale Registratie van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

speaker swishphotos
 

Kenniscentrum InfoMil