Systematiek

Systematiek

Geluid

Inhoud pagina: Systematiek

De Wet geluidhinder regelt in het ruimtelijk spoor de bescherming van (nieuwe) woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen in relatie met (eventuele aanleg of wijzigingen aan) die spoorwegen. Voor het ruimtelijk inpasbaar maken van spoorwegen is meestal de Tracéwet van toepassing. Voor het ruimtelijk mogelijk maken van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen geldt de Wet ruimtelijke ordening.

De bescherming tegen geluidhinder van spoorweglawaai in het kader van een tracéwetprocedure is geregeld in afdeling 2 van hoofdstuk VII Zones langs spoorwegen van de Wet geluidhinder. Voor andere situaties geldt afdeling 4.1 Aanleg of wijziging van een spoorweg en maatregelen met betrekking tot zones langs spoorwegen, hoofdstuk 4 Spoorwegen van het Besluit geluidhinder.

Op deze pagina wordt ingegaan op de volgende onderwerpen:

Andere relevante onderwerpen (op andere webpagina's) zijn:

Systematiek zonering

De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor spoorverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) spoorweg een planologisch aandachtsgebied (de zone) ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Deze bescherming geldt onder andere in de volgende situaties:

  • realisatie van een geluidsgevoelige bestemming in de zone via een ruimtelijk besluit (bestemmingsplan/projectbesluit)
  • de aanleg van een spoorweg mogelijk maken via een ruimtelijk besluit (tracébesluit / bestemmingsplan/projectbesluit)
  • de wijziging van een bestaande spoorweg in het kader van de Wgh (al dan niet in combinatie met een ruimtelijk besluit)

In bovenstaande situaties gelden voor woningen en andere geluidsgevoelige objecten in de zone een basisbeschermingsniveau, dit is de voorkeursgrenswaarde. Door middel van een "hogere waarde procedure" kan door het bevoegd gezag gemotiveerd een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) worden toegestaan. Deze verhoging is mogelijk tot een maximaal toelaatbare (grens)waarde.

NB. In art. 4.8 Bgh wordt nog een basisbescherming tegen geluidhinder geboden (los van de bescherming van geluidgevoelige bestemmingen) door een minimumkwaliteitseis aan de geluidsemissie van een nieuwe of vervangen spoorbaan (zie hiervoor "Wijze van aanleg van spoorwegen).

 

Omvang geluidszones

Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone langs een spoorweg onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. In de Regeling Zonekaart spoorwegen is per spoortraject de zonebreedte vastgesteld. Deze zonebreedte varieert van 100 tot maximaal 1300 meter. In de bijlage van de regeling vindt u de zonekaart.

 

Nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen

Wanneer een nieuwe geluidsgevoelige bestemming via een ruimtelijk besluit (bestemmingsplan, projectbesluit) mogelijk wordt gemaakt geldt (via art. 107 Wgh) hoofdstuk vier van het Besluit geluidhinder. Bij deze besluiten moeten voor geluidsgevoelige bestemmingen de hoogst toelaatbare geluidsbelasting in acht genomen worden (art. 4.1 bij bestemmingsplan en art. 4.2 bij een projectbesluit).
Bij een vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in de zone van bestaande wegen niet getoetst te worden (art. 4.1 lid3). Een uitzondering hierop vormt een wijziging van een bestaande spoorweg, voor verdere informatie hierover wordt verwezen naar "Aanleg en wijziging spoorweg buiten de Tracéwet om". 

Akoestisch onderzoek
Bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of een projectbesluit dat betrekking heeft op een zone langs een spoorweg moet een akoestisch onderzoek worden ingesteld naar:

  • De geluidsbelasting die door woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen binnen de toekomstige zone vanwege de spoorweg zou worden ondervonden, zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken (art. 4.3 lid 1 onder a)
  • De doeltreffendheid van de in aanmerking komende maatregelen om te voorkomen dat de in de toekomst vanwege de spoorweg optredende geluidsbelasting van de onder a bedoelde objecten de voorkeursgrenswaarden te boven zou gaan (art. 4.3 lid 1 onder b)
  • Indien wordt overwogen hogere waarde vastte stellen heeft het akoestisch onderzoek tevens betrekking op de doeltreffendheid van de maatregelen om te voldoen aan de vast te stellen hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. (art. 4.3 lid 2)

Beschermingsniveau
Het beschermingsniveau voor nieuw te realiseren geluidsgevoelige bestemmingen in de zone van een spoorweg is vastgelegd in art. 4.9 (voorkeursgrenswaarde) en artikelen 4.10 t/m 4.12  (hoogst toelaatbare geluidsbelasting), zie onderstaande tabel.

Beschermingsniveau realiseren geluidsgevoelige bestemmingen in de zone van een spoorweg

Bestemming

Voorkeursgrenswaarde

Hoogst toelaatbare geluidsbelasting

Woning

55 dB
(art. 4.9 lid 1)

68 dB
(art. 4.10)

Andere geluidsgevoelige gebouwen

53 dB
(art. 4.9 lid 2)

68 dB
(art. 4.11)

Geluidsgevoelige terreinen

55 dB
(art. 4.9 lid 3)

63 dB
(art. 4.12)

Via een hogere waarde procedure kan van de voorkeursgrenswaarde worden afgeweken tot de hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Of én in hoeverre deze afwegingsruimte tussen de voorkeursgrenswaarde en de hoogst toelaatbare geluidsbelasting wordt gebruikt, is ter beoordeling van het bevoegd gezag. Voor deze beoordeling kan het bevoegd gezag hiervoor een eigen opgesteld hogere waarde beleid gebruiken (zie voor het opstellen hiervan de InfoMilfolder "Hogere waarde beleid").
Het bevoegd gezag mag hogere waarden slechts verlenen indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege de weg, ondoeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard (art. 110a lid 5  Wgh).

 

Aanleg en wijziging spoorweg in het kader van de Tracéwet

Zoals al eerder is aangegeven vindt een wijziging of aanleg meestal plaats in het kader van de Tracéwet. Dit is geregeld in art. 8 Tracéwet:

  • de aanleg van een landelijke spoorweg (art. 8, lid 1 onder a Tracéwet). Onder een landelijke spoorweg wordt verstaan "een spoorweg waarvoor een verbinding is aangegeven op een kaart van indicatieve en limitatieve spoorwegverbindingen, die behoort tot een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening" (art. 1 onder d Tracéwet);
  • een wijziging van een landelijke spoorweg waarmee de minister de bruikbaarheid van die spoorweg beoogt te verbeteren, en die bestaat uit:
    • een uitbreiding van die spoorweg met één of meer sporen, indien het uit te breiden spoorweggedeelte twee aansluitingen met elkaar verbindt;

    • de aanleg van spoorwegbouwkundige bouwwerken;

    • de aanleg van een verbindingsboog; of

    • een geheel van onderling samenhangende maatregelen ten aanzien van die spoorweg;

  • het opnieuw in gebruik nemen van een reeds aangelegde landelijke spoorweg voor zover het gaat om een lengte van 5 kilometer of meer;

In bovengenoemde situaties is het ministerie van Infrastructuur en Milieu in het kader van de Tracéwet het bevoegd gezag. In de Wgh is in hoofdstuk VII Zones langs spoorwegen een aparte afdeling 2 "De aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg in de zin van artikel 8 van de Tracéwet" opgenomen. De systematiek en het beschermingsniveau in deze afdeling verschilt overigens niet significant met de systematiek en het beschermingsniveau voor niet landelijke spoorwegen. Gezien de primaire doelgroep van deze website, gemeenten, wordt verder niet ingegaan op deze afdeling. Voor informatie over de Tracéwet wordt verwezen naar de website van Rijkswaterstaat.

 

Aanleg en wijziging spoorweg buiten de Tracéwet om

Aanleg van een spoorweg

In de (beperkte) gevallen dat niet via het kader van de Tracéwet de aanleg van een spoorweg wordt mogelijk gemaakt, maar via een bestemmingsplan of projectbesluit, geldt de bescherming (via art. 107 Wgh) van paragraaf 4.1 van hoofdstuk 4 Besluit geluidhinder. De verplichtingen qua akoestisch onderzoek en het beschermingsniveau zijn identiek aan het beschermingsniveau voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen in een zone van een spoorweg.
NB. Op basis van de oude WRO hoefde er binnen de bebouwde kom geen bestemmingsplannen opgesteld te worden. Voor een aanleg van een spoorweg (waar de Tracéwet niet van toepassing is) binnen de bebouwde kom (zonder bestemmingsplan) is een ruimtelijk besluit dan niet persé noodzakelijk. De Wgh biedt ook in deze situatie bescherming, dit is geregeld in paragraaf 4.1.2 van hoofdstuk 4. Spoorwegen Bgh. Met de nieuwe Wro, waarin het bestemmingsplan verplicht is voor het gehele grondgebied, zal na een overgangstermijn van vijf jaar, deze situatie niet meer voordoen.

Wijziging van een spoorweg

Naast de aanleg van een nieuwe spoorweg (buiten de Tracéwet om) kunnen ook wijzigingen aan een bestaande spoorweg invloed hebben op het akoestische klimaat van bestaande geluidsgevoelige bestemmingen. Voor de duidelijkheid, het betreft dan wijzigingen van een spoorweg die niet onder de Tracéwet vallen (zie Aanleg en wijziging van een spoorweg in het kader van de Tracéwet).

Een wijziging van een spoorlijn is in art. 1 Wgh gedefinieerd:

"wijziging met betrekking tot een aanwezige spoorweg, die verandering brengt in de omstandigheden welke ingevolge de regels die gelden bij de vaststelling van de geluidsbelasting vanwege die spoorweg in acht genomen moeten worden en waarvan uit akoestisch onderzoek blijkt dat de berekende geluidsbelasting vanwege de spoorweg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen hoger zal zijn dan 63 dB of, indien die berekende geluidsbelasting vanwege de spoorweg in het toekomstig maatgevende jaar 63 dB of lager zal zijn maar hoger dan een bij algemene maatregel van bestuur aangegeven geluidsbelasting, uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting vanwege de spoorweg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidsbelasting voorafgaand aan de wijziging zal toenemen met ten minste 3 dB";

In de Wgh is daarnaast ook aangegeven welke wijzigingen aan een spoorweg niet leiden tot een wijziging van een spoorweg op basis van de Wet geluidhinder (art. 1b lid 4 Wgh) en dus ook niet leiden tot toetsing aan de grenswaarden uit de Wgh:

"In afwijking van artikel 1 Wgh wordt onder wijziging van een spoorweg in deze wet en de daarop berustende bepalingen niet verstaan de afzonderlijke omstandigheid die bestaat uit:

  • een wijziging van de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beiden in het toekomstig maatgevende jaar van door Onze Minister te bepalen categorieën spoorvoertuigen op een bepaald spoorweggedeelte of een combinatie van spoorweggedeelten als gevolg waarvan de geluidsemissie van de betreffende spoorgedeelten of de combinatie daarvan onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van de gemiddelde geluidsemissie, bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, van de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;
  • een horizontale verplaatsing van de spoorstaven over een afstand kleiner dan twee meter;
  • een verticale verplaatsing van de spoorstaven over een afstand kleiner dan één meter, dan wel
  • het ter vervanging aanbrengen van een baanconstructie, die, bepaald met inachtneming van de door Onze Minister op grond van artikel 107 gestelde regels, niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie."

Als op basis van het bovenstaande er sprake van een wijziging van een spoorweg in het kader van de Wgh zal door het bevoegd gezag de geluidsbelasting op de bestaande geluidgevoelige bestemmingen getoetst moeten worden aan de grenswaarden uit afdeling 4.2 van hoofdstuk 4 Bgh. Het beschermingsniveau voor geluidsgevoelige bestemmingen bij een wijziging van een spoorweg is geregeld in paragraaf 4.2.2. Wijziging van een spoorweg in het Bgh.

Wanneer er sprake is van een wijziging van een spoorweg zonder aanpassing van het bestemmingsplan, worden de akoestische gevolgen van de wijziging in een zelfstandig reconstructiebesluit beoordeeld (art. 4.6). Is er voor een wijziging van een spoorweg (niet zijnde een wijziging in het kader van de Tracéwet) wel een ruimtelijk besluit nodig dan worden de akoestische gevolgen voor bestaande woningen vanwege die wijziging in dat kader beschouwd. 
NB. Voor het beschermingsniveau maakt het bovenstaande niet uit.

 

Wijze van aanleg van spoorwegen

In art. 4.8 wordt nog een basisbescherming tegen geluidhinder geboden (los van de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen) door een minimumkwaliteitseis aan de geluidsemissie van een nieuwe of vervangen spoorbaan ( deze geluidsemissie mag niet hoger zijn dan een overeenkomstige spoorbaan waarvan de constructie bestaat uit langgelast spoor op houten dwarsliggers). Deze minimumkwaliteitseis geldt bij elke aanleg of wijziging van de baanconstructie en is bindend voor de spoorwegexploitant. Deze kwaliteitseis, zo blijkt uit de toelichting, heeft tot doel dat geen onnodig lawaai wordt veroorzaakt, ook bij andere bestemmingen (dan de geluidsgevoelige objecten uit de Wgh) waarin mensen langere tijd verblijven of waar om andere redenen een zekere rust gewenst is. Te denken valt aan parken, natuurgebieden of stiltegebieden. Deze kwaliteitseis uit art. 4.8 heeft vooral gevolgen bij de vervangen van oude stalen bruggen.

In art. 4.8 lid 2 wordt de mogelijkheid geboden om af te wijken van bovengenoemde kwaliteitseis indien technische of financiële omstandigheden daartoe aanleiding geven.

 

Sanering spoorweglawaai

Bij de inwerkingtreding van het hoofdstuk VII Zones langs spoorwegen van de Wet geluidhinder waren er al geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande spoorwegen met een te hoge geluidsbelasting. Deze woningen vallen onder de "sanering" wanneer de geluidsbelasting op de gevel in peiljaar 1987 meer was dan 65 dB(A) op de gevel.

Bij de zogenoemde gekoppelde sanering wordt de sanering aangepakt terwijl er sprake is van een wijziging van de spoorweg in het kader van de Wgh. Deze gekoppelde sanering is geregeld via art. 106f  Wgh voor wijzigingen aan een spoorweg in het kader van de Tracéwet. Voor een wijziging van een spoorweg buiten de Tracéwet om is de sanering geregeld via art. 4.7 Bgh.

Bij zogenaamde autonome sanering gaat het om projecten waarbij niet gewacht wordt totdat er zo'n andere aanleiding is. De gemeente neemt hiertoe het initiatief en voert de sanering ook zelf uit. Bij de autonome sanering hanteert het ministerie een prioritering op basis van de hoogte van de geluidsbelasting. Woningen komen alleen in aanmerking voor een saneringssubsidie als ze voor 1 januari aan het ministerie zijn gemeld, en dus op de zogenoemde Eindmeldingslijst van het ministerie voorkomen. De autonome sanering is geregeld is afdeling 4.3 Bgh.

Voor meer informatie over sanering in het kader van spoorweglawaai wordt verwezen naar de website Bureau sanering verkeerslawaai.

 

Kenniscentrum InfoMil