Systematiek Wegverkeerslawaai
Geluid
Inhoud pagina: Systematiek Wegverkeerslawaai
De Wet geluidhinder regelt voor het aspect geluid het goed ruimtelijk inpasbaar maken van wegen in relatie met woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen langs die wegen.
Op deze pagina wordt ingegaan op de volgende onderwerpen:
- Systematiek zonering
- Omvang geluidszones
- Veranderingen in zones (nieuwe wegen en/of nieuwe woningen)
- Reconstructie van een weg
- Tracéwet (aanleg, wijziging of verbreding van een hoofdweg)
- Sanering wegverkeerslawaai.
Andere relevante onderwerpen (op andere webpagina's) zijn:
- Geluidsgevoelige bestemmingen in de Wet geluidhinder;
- Procedure Besluit Hogere waarde;
- Rekenen en meten wegverkeerslawaai.
Meer informatie kunt u vinden in de vragen en antwoorden wegverkeerslawaai.
Systematiek zonering
De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een planologisch aandachtsgebied (de zone) ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Deze bescherming geldt in de volgende situaties:
- via een ruimtelijk besluit (bestemmingsplan/projectbesluit) de aanleg van een weg mogelijk maken;
- via een ruimtelijk besluit (bestemmingsplan/projectbesluit) een geluidsgevoelige bestemming in de zone realiseren;
- de reconstructie/wijziging van een bestaande weg (al dan niet in combinatie met een ruimtelijk besluit).
In bovenstaande situaties gelden voor woningen en andere geluidsgevoelige objecten in de zone een beschermingsniveau van 48 dB, dit is de voorkeursgrenswaarde. Door middel van een "hogere waarde procedure" kan door het bevoegd gezag een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) worden toegestaan. Deze verhoging is mogelijk tot een maximaal toelaatbare (grens)waarde. De hoogte van deze maximaal toelaatbare (grens)waarde is afhankelijk van verschillende factoren, zoals bijvoorbeeld de ligging van de geluidsgevoelige bestemming in binnenstedelijk of buitenstedelijk gebied.
De geluidsimmissie van een verkeersweg is afhankelijk van het aantal rijstroken en ook van de aard van de omgeving. Daarom heeft een geluidszone langs een weg niet één standaardbreedte. In art. 74 wordt de omvang van de zone voor de verschillende situaties aangegeven.
Voor een weg, niet zijnde een auto(snel)weg, binnen de bebouwde kom:
- bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter;
- bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter.
Voor een weg buiten de bebouwde kom en voor een auto(snel)weg (zowel binnen als buiten de bebouwde kom):
- voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter;
- voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;
- voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.
30-km wegen en woonerven
Voor wegen die gelegen zijn binnen een woonerf en voor 30 km-wegen gelden geen zones en is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Deze vrijstelling wordt gemotiveerd door het feit dat deze wegen meestal geen geluidsbelastingen veroorzaken boven de voorkeurswaarde. In die gevallen waar dat wel het geval is (klinkerweg, relatief veel verkeer), is in de jurisprudentie bepaald dat een akoestische afweging bij het opstellen van een ruimtelijk plan toch nodig is met een verwijzing naar een goede ruimtelijke ontwikkeling.
De aanleg van nieuwe wegen en/of nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen
Wanneer een nieuwe weg (niet zijnde een rijksweg of (hoofd)spoorweg, zie Tracéwet) of een nieuwe geluidsgevoelige bestemming via een ruimtelijk besluit (bestemmingsplan of projectbesluit) mogelijk wordt gemaakt, moeten voor geluidsgevoelige bestemmingen in de zone de voorkeursgrenswaarde danwel een vastgestelde hogere waarde in acht genomen worden (art. 76 bij bestemmingsplan, art. 76a bij projectbesluit).
Bij een vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in de zone van bestaande wegen niet getoetst te worden (art. 76 lid 3). Een uitzondering hierop vormt een akoestisch relevante wijziging van een bestaande weg, voor verdere informatie hierover wordt verwezen naar "Reconstructie van een weg".
Akoestisch onderzoek
Bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een zone langs een weg moet een akoestisch onderzoek worden ingesteld naar:
- De geluidsbelasting die door woningen binnen de zone, alsmede door andere geluidsgevoelige gebouwen of door geluidsgevoelige terreinen, vanwege de weg zou worden ondervonden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken (art. 77 lid 1 onder 1);
- De doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat de in de toekomst vanwege de weg optredende geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarden te boven zou gaan (art. 77 lid 1 onder 1);
- Indien wordt overwogen om hogere waarden vast te stellen, heeft het akoestisch onderzoek tevens betrekking op de doeltreffendheid van de maatregelen om te voldoen aan de vast te stellen hogere waarden (art. 77 lid 2).
Voor een projectbesluit zijn in de Wgh geen verplichtingen opgenomen betreffende een akoestisch onderzoek. Echter door verplichte toetsing aan de Wgh bij het nemen van een projectbesluit (art. 76a) zal voor situaties waarbij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde dreigt een akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn.
Beschermingsniveau
Het beschermingsniveau voor woningen is in de Wet geluidhinder zelf geregeld. In art. 82 is de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op een gevel van een woning vastgelegd. In art. 83 zijn de hoogst toelaatbare waarden voor woningen vastgelegd die het bevoegd gezag in een hogere waarde procedure mag vast stellen. Daarbij is voor een aantal verschillende situaties onderscheid gemaakt in de hoogst toelaatbare waarde. Zo maakt het voor het toegestane beschermingsniveau uit of de geluidsgevoelige bestemmingen in de zone van de weg in buitenstedelijk danwel stedelijk gebied liggen. Voor buitenstedelijk gebied is het beschermingsniveau over het algemeen hoger (d.w.z. lagere hoogst toelaatbare geluidsbelasting). Zie tabel 1.
Het beschermingsniveau voor andere geluidsgevoelige bestemmingen is vastgelegd in het Besluit geluidhinder (art. 3.1 Bgh voorkeursgrenswaarde, art. 3.2 Bgh hoogst toelaatbare waarde). Zie tabel 2.
- Tabel 1 Toetsingskader woningen bij veranderingen in de zone van een weg
- Tabel 2 Toetsingskader andere geluidsgevoelige bestemmingen bij veranderingen in de zone van een weg
Middels een hogere waarde procedure kan van de voorkeursgrenswaarde worden afgeweken tot de hoogst toelaatbare waarde. Of én in hoeverre deze afwegingsruimte tussen de voorkeursgrenswaarde en de hoogst toelaatbare waarde wordt gebruikt, is ter beoordeling van het bevoegd gezag. In veel gevallen heeft het bevoegd gezag hiervoor een hogere waarde beleid opgesteld (zie ook de infoMilfolder "Hogere waarde beleid"). In de meeste gevallen zal in het dichtbevolkte Nederland door het bevoegd gezag gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om hogere waarden vast te stellen. Het bevoegd gezag mag hogere waarden slechts verlenen indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege de weg, ondoeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard (art. 110a lid 5). Om te bepalen of er sprake is van "overwegende bezwaren van financiële aard" kan gebruik gemaakt worden van het doelmatigheidscriterium in de "Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder".
Aanleg van een weg buiten toepassing van de bestemmingsplanprocedure
Op basis van de oude Wet op de ruimtelijke ordening hoefde er binnen de bebouwde kom geen bestemmingsplannen opgesteld te worden. Voor een aanleg van een weg binnen de bebouwde kom was in die situatie geen bestemmingsplanwijziging nodig en als gevolg daarvan ook geen toetsing aan de Wet geluidhinder. Voor deze situatie, die niet veel voorkomt, is voorzien inparagraaf 2 van afdeling 2 van hoofdstuk VI "Zones langs wegen" Wgh. Pas nadat de voorgeschreven procedure is doorlopen en aan de wettelijke grenswaarden (zie artikelen 79, 80 en 81 Wgh) blijkt te kunnen worden voldaan, kan tot aanleg van de weg worden overgegaan. Met de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (geldend vanaf 1 juli 2008), waarin het bestemmingsplan verplicht is voor het gehele grondgebied, zal na een overgangstermijn van vijf jaar deze situatie zich niet meer voordoen.
Reconstructie van een weg
Naast de aanleg van nieuwe wegen of van nieuwe woningen kunnen ook wijzigingen aan bestaande wegen invloed hebben op het akoestische klimaat van bestaande geluidsgevoelige bestemmingen. Deze bescherming wordt geregeld in afdeling 4 "Reconstructies" van hoofdstuk VI "Zones langs wegen" Wgh.
De Wet geluidhinder treedt bij wijzigingen aan bestaande verkeerswegen onder twee voorwaarden in werking:
- het betreft een fysieke wijziging aan de weg;
- door de wijziging is er een significante toename is van de geluidsbelasting (2 dB toename). Deze laatste voorwaarde geldt per geluidsgevoelige bestemming.
Wordt aan deze voorwaarden voldaan dan is er sprake reconstructie in het kader van de Wgh en zal de geluidsbelasting op de woningen getoetst moeten worden aan de grenswaarden uit de Wgh.
Fysieke wijzigingen aan een weg
In de Wgh is niet uitputtend beschreven wat een fysieke wijzigingen van een weg zijn. Voorbeelden van een fysieke wijziging aan een weg zijn:
- wijziging van profiel, wegbreedte, hoogteligging of wegdek;
- wijziging van het aantal rijstroken;
- aanleg van kruispunten;
- aanleg van aansluitingen, op- en afritten;
- verwijdering, plaatsing of wijziging van verkeerstekens;
- verandering snelheidsregime.
In de Wgh is wel aangegeven welke fysieke wijzigingen aan een weg niet leiden tot een reconstructie op basis van de Wet geluidhinder (art. 1b, lid 6):
- een snelheidsverlaging (art. 1b lid 6 onder a);
- de vervanging van een wegdeklaag door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking (art. 1b lid 6 onder b);
- een snelheidsverhoging tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold vóór een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma om te voldoen aan de grenswaarden van luchtkwaliteit (art. 1b lid 6 onder c).
Significante toename
Er moet bij een fysieke wijziging van de weg onderzocht worden of de berekende geluidsbelasting vanwege de weg 2 dB toeneemt. Hieronder wordt verder ingegaan op welke waarden men moet vergelijken om te beoordelen of de geluidsbelasting toeneemt met 2 dB of meer.
Startpunt reconstructie
Welke geluidsbelasting nu als precies als startpunt van de reconstructie moet worden beschouwd (met andere woorden het startpunt voor de berekening) is afhankelijk van drie factoren:
- de heersende geluidsbelasting op de geluidsgevoelige bestemming (in het jaar voorafgaand aan de reconstructie);
- de voorkeursgrenswaarde van de geluidsgevoelige bestemming;
- of er in het verleden een hogere waarde is vastgesteld.
Het startpunt bij de vaststelling van een reconstructie is voor woningen vastgelegd in art. 100 en voor andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen in art. 3.3 Bgh, zie tabel 3.
Huidige akoestische situatie | Startpunt reconstructie |
|---|---|
< 48 dB(A) 1 | 48 dB(A) 1 |
Een eerdere hogere waarde2 én heersende geluidsbelasting > 48 dB 1 | Laagste waarde3 |
Geen eerdere hogere waarde4 én heersende geluidsbelasting > 48 dB 1 | Heersende waarde |
1 Voor andere geluidsgevoelige terreinen dan woonwagenstandplaatsen moet 53 dB in plaats van 48 dB gelezen worden (art. 3.4, lid 4 Bgh);
2 Hogere waarde vastgesteld bij of krachtens de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering, of de Spoedwet wegverbreding;
3 Laagste waarde van de heersende waarde of de eerder vastgestelde waarde;
4 Ingeval de weg op 1 januari 2007 aanwezig, in aanleg of geprojecteerd was én de woningen en andere gevoelige gebouwen binnen de zone die op 1 januari 2007 aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd waren;
Toekomstige situatie
Bij de vaststelling van de geluidsbelasting van de gewijzigde weg voor de toekomstige situatie moet worden uitgegaan van:
- de gewijzigde weg zonder eventuele maatregelen (zie art. 1);
- het maatgevende jaar (meestal het tiende jaar na wijziging).
Wel of niet een significante toename?
Uit het verschil tussen het startpunt van de reconstructie en de toekomstige situatie kan bepaald worden of er een significante toename is (> 2 dB). De toetsing voor een significante toename (minimaal 2 dB) kan eventueel beïnvloed worden door afronding. In het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 zijn daarom regels gesteld voor de afronding in het kader van een reconstructie.
Wanneer er bij een geluidsgevoelige bestemming sprake is van "reconstructie" moet er toetsing plaatsvinden aan het geboden beschermingsniveau van de Wet geluidhinder. Het kan dus voorkomen dat bij een wijziging van weg sommige woningen langs de weg wel en sommige woningen niet getoetst worden aan het beschermingsniveau van de Wet geluidhinder. Woningen die op de saneringslijst staan (zie voor verder informatie onder het kopje "sanering") vallen niet onder reconstructie (artikel 98 Wgh).
Beschermingsniveau
Het beschermingsniveau is afhankelijk van de aard van de geluidsgevoelige bestemmingen en of er sprake is van stedelijk of buitenstedelijk gebied. Als vuistregel geldt dat de geluidsbelasting op een geluidsgevoelige bestemming door een reconstructie van een weg met niet meer dan 5 dB mag toenemen. Voor woningen kan echter onder voorwaarden wel een grotere stijging van de geluidsbelasting acceptabel zijn. In art. 100a wordt voor woningen de hoogst toelaatbare geluidsbelasting per situatie geregeld, voor de andere geluidsgevoelige bestemmingen is art. 3.4 Bgh van toepassing.
Besluiten
Een reconstructie van een weg kan in twee situaties voorkomen:
- Voor een wijziging van een weg is een ruimtelijk besluit nodig ( een projectbesluit danwel een bestemmingsplan). De akoestische gevolgen voor bestaande woningen van de wijziging van een weg worden dan in die ruimtelijke procedure beschouwd.
- De wijziging van de weg is mogelijk zonder aanpassing van het bestemmingsplan, bijvoorbeeld bij een snelheidsverhoging. In een dergelijke situatie worden de akoestische gevolgen van de wijziging in een zelfstandig reconstructiebesluit beoordeeld (art. 99).
Tracéwet
In afdeling 2a "De aanleg, wijziging of verbreding van een hoofdweg in de zin van artikel 8 Tracéwet" wordt bescherming geboden tegen geluidhinder aan geluidsgevoelige bestemmingen in de zone van "hoofdwegen". Het gaat dan over rijkswegen en hoofdspoorwegen. Afdeling 2a is daarbij ook van toepassing op andere (spoor)wegen die gelegen zijn binnen het tracé van de hoofdweg (die wordt aangelegd, gewijzigd danwel verbreed).
In dergelijke situaties is het Ministerie van IenM het bevoegd gezag. De systematiek en het beschermingsniveau in afdeling 2a van hoofdstuk VI "Zones langs wegen" verschilt niet significant met de systematiek en het beschermingsniveau voor niet-hoofdwegen. Gezien de primaire doelgroep van deze website, wordt niet verder ingegaan op afdeling 2a Wet geluidhinder. Voor informatie over de Tracéwet wordt verwezen naar de website van Rijkswaterstaat.
Sanering
Bij de inwerkingtreding van de Wet geluidhinder waren er al geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen met een te hoge geluidsbelasting. In afdeling 3. "Bestaande situaties" van hoofdstuk VI "Zones langs wegen" is geregeld hoe hiermee om moet worden gegaan. Woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen die op 1 maart 1986 vanwege een toen bestaande weg een hogere geluidsbelasting dan 60 dB(A) of hoger hadden, en zijn aangemeld op basis van art. 88 Wgh (oud) of art. 3.6 Bgh).
In het kader van deze website is van belang dat deze geluidsgevoelige bestemmingen niet vallen onder "reconstructie van een weg". Voor meer informatie over sanering in het kader van wegverkeerslawaai wordt verwezen naar de website van Bureau sanering verkeerslawaai.


