Historie geurbeleid

Historie geurbeleid

Geur

Inhoud pagina: Historie geurbeleid

Het Nederlandse geurbeleid heeft zijn oorsprong in de tachtiger jaren. Het huidige geurbeleid voor de industrie is verwoord in de herziene Nota Stankbeleid en een brief van de Minister van VROM uit 1995.

Het geurbeleid heeft zijn oorsprong in de tachtiger jaren. In die tijd was al enige ervaring opgedaan met afstandsrichtlijnen in de veehouderij om het optreden van geurhinder ten gevolge van die sector te voorkomen. Er was behoefte aan kwantitatieve normen om geurhinder ten gevolge van industriële bedrijven te voorkomen. In het indicatieve meerjarenprogramma Lucht van 1984 zijn voor industriële bronnen ontwerp-concentratie-eisen gepubliceerd, namelijk 1 geureenheid per m3 als 99,5-percentiel voor nieuwe situaties, en 1 geureenheid per m3 als 98-percentiel voor bestaande situaties. Deze ontwerp-concentratie-eisen golden als richtlijn voor vergunningverleners.

Er volgde een jarenlange discussie tussen overheid en bedrijfsleven over deze eisen. Deze discussie heeft uiteindelijk geleid tot het project 'Actieplan Stank' waarin is getracht door overleg tussen overheid en bedrijfsleven te komen tot een haalbaar geurbeleid. Het resultaat van het project was de eerste Nota Stankbeleid uit 1992 ('Stankbeleid, naar minder hinder'). Dit plan is aangeboden aan de Tweede Kamer, en relevante onderdelen zijn opgenomen in de NeR.

In de Nota is aangegeven dat met de centrale norm van 1 geureenheid per m3 als 98-percentiel de NMP (1)-doelstelling kan worden gehaald: maximaal 750.000 stankbelaste woningen in het jaar 2000.

De Nota Stankbeleid is in mei '93 in de Tweede Kamer behandeld. De Kamer was van mening dat het voorgestelde systeem van normering niet in overeenstemming was met de gebruikelijke gehanteerde milieunorming. De minister werd via een motie (Boers-Wijnberg en Ruigrok-Verreijt) gevraagd de normstelling te wijzigen. Het wegnemen van ernstige geurhinder werd als verantwoordelijkheid gezien van het Rijk. Hiervoor werd de eis van 10 geureenheden per m3 als 98-percentiel per inrichting als toereikend gezien. Overheden dienden op basis van het ALARA-principe tot een lagere normstelling te komen. De motie werd in de herziene Nota Stankbeleid verwerkt en in mei '94 naar de kamer verzonden.

Uit het bedrijfsleven kwam veel kritiek op de herziene Nota. Het bedrijfsleven had kritiek op de normstelling en het ontbreken van inzicht in de kosten van het beleid. Vergunningverleners gaven als kritiek dat het geformuleerd Rijksbeleid te ver af stond van de uitvoering in de praktijk.

Na overleg met de branches en de vergunningverleners heeft de minister aangegeven het Stankbeleid aan te passen. De minister heeft de overheden hiervan in een brief van 30 juni 1995 op de hoogte gesteld. Het huidige stankbeleid is verwoord in:

  • Herziene Nota Stankbeleid, ministerie van VROM, 1994
  • Brief rijksbeleid geur, minister van VROM, Kamerstuk 22 715, 15 juli 1995.

De hier beschreven geschiedenis geldt uitsluitend het geurbeleid voor geur afkomstig van industriële bronnen. Voor de geurproblematiek vanuit de landbouw verwijzen we naar Geur en veehouderijen.

gezond-milieu
 

Kenniscentrum InfoMil