Bovengrondse tanks

Bovengrondse tanks

Veiligheid

Inhoud pagina: Bovengrondse tanks

Het Activiteitenbesluit regelt de opslag van vloeibare brandstof (niet zijnde benzine), lichte stookolie, afgewerkte olie, stoffen ADR klasse 5.1 en stoffen ADR klasse 8 verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar, perchloorethyleen en andere vloeibare bodembedreigende stoffen in bovengrondse stationaire en mobiele opslagtanks.

Onder vloeibare brandstoffen vallen in beginsel minerale oliën in de zin van de Wet op de accijns artikel 26 die gebruikt worden als brandstof, zoals lichte olie (b.v. benzine), halfzware olie (b.v. kerosine), gasolie (b.v. diesel) en zware stookolie. Het begrip afgewerkte olie wordt gedefinieerd in het Besluit inzamelen afvalstoffen.

Definities opslagtank, procestanks, procesbaden en ingebouwde tanks

Opslagtank: een opslagvoorziening voor gas met een inhoud van ten minste 150 liter of een opslagvoorziening voor vloeistof met een inhoud van ten minste 300 liter, niet zijnde een intermediate bulk container (IBC) die voldoet aan hoofdstuk 6.5 van het ADR. Onder opslagtanks kunnen zowel stationaire als mobiele tanks worden beschouwd. Gezien de omschrijving van ‘opslag’ in de Dikke van Dale (‘een voorraad vormen van ….. ‘) is er geen sprake van ‘opslag’ als er een chemische reactie of vermenging plaatsvindt. Alleen tanks waarin geen chemische reactie of vermenging plaatsvindt kunnen daarom worden beschouwd als opslagtanks. Overigens betekent dit niet dat een tank waarin geen chemische reactie of vermenging plaatsvindt automatisch een opslagtank is: er moet immers wel sprake zijn van voorraad. Zo hoeft een buffertank voor een waterzuiveringsinstallatie niet gezien te worden als een opslagtank, zelfs al vindt er geen chemische reactie of menging in plaats.

Inrichtingen waar procestanks aanwezig zijn waarin wel een chemische reactie plaatsvindt (de zogenaamde procestanks) kunnen tot een bepaalde hoeveelheid (volgens bijlage I) wel onder het Activiteitenbesluit vallen als het productieproces waar ze deel van uitmaken onder het Activiteitenbesluit valt. Procesbaden met gevaarlijke stoffen (zoals bij de galvano) en gevaarlijke stoffen in installaties (zoals bij textielreiniging) worden niet beschouwd als ‘opslag van gevaarlijke stoffen’. In het Activiteitenbesluit zijn voor beiden geen specifieke maatregelen opgenomen. Voor het eventueel stellen van specifieke eisen aan procestanks of -baden en ingebouwde tanks met betrekking tot externe veiligheid kan het bevoegd gezag terugvallen op de zorgplicht en het bijbehorende maatwerkvoorschrift. Binnen de werking van het Activiteitenbesluit worden procestanks vooral verwacht bij de metaalindustie en de textielreinigingsbranche.

Opbouw van voorschriften

De voorschriften gelden ook niet voor ingebouwde tanks in een installatie, zonodig staan de voorschriften voor dergelijke ingebouwde tanks bij de installatie zelf, zoals bijvoorbeeld bij een noodstroomaggregaat. 

Het uitgangspunt van de voorschriften is dat de opslag van de genoemde stoffen in bovengrondse tanks moet voldoen aan de eisen uit de PGS 30 met uitzondering van de opslag van perchloorethyleen, en stoffen ADR klasse 5.1. Ten opzichte van de vroegere 8.40-besluiten is de werkingssfeer van het besluit uitgebreid met de opslag van ADR klasse 8 (verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar) in bovengrondse tanks. In de nieuwe BRL K903/07 wordt geregeld dat voor deze installaties een installatiecertificaat zonder risico-inventarisatie en –evaluatie (RI&E) afgegeven kan worden. Voor de opslagtanks met PER en ADR klasse 5.1 kan niet met zekerheid worden gesteld dat er op grond van de huidige BRL een installatiecertificaat kan worden afgegeven zonder een aparte RI&E uit te voeren. Voor deze tanks geldt de plicht van een installatiecertificaat daarom niet.

Deze voorschriften zijn ook van toepassing als de aflevering van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen plaatsvindt via een afleverinstallatie die bijvoorbeeld op een steiger staat die is verbonden met een bovengrondse tank op de wal. De voorschriften gelden niet voor tanks die zijn ingebouwd in een installatie, zonodig staan de voorschriften voor dergelijke ingebouwde tanks bij de installatie zelf, zoals bijvoorbeeld bij een noodstroomaggregaat.

Tanks die boven de grond hangen

Bovengrondse stationaire opslagtanks moeten vanwege het voorkomen van bodemverontreiniging en het voorkomen van zware ongevallen op de bodem staan. Deze tanks zijn goed bereikbaar voor onderhoud en inspectie en er kan snel worden ingegrepen bij calamiteiten. In de praktijk bestaan er tanks die boven de grond hangen. Deze tanks worden via de uitzonderingsbepaling toegelaten. Deze uitzonderingsbepaling geldt anderzijds voor nieuwe tanks appendages (tanks van na in werking treding besluit) die staan aangesloten op een procesinstallaties met leidingen en die niet op de bodem staan omdat dit vanwege de constructie niet mogelijk is en anderzijds voor bestaande tanks die niet op de bodem staan (zonder aanvullende voorwaarde). Dergelijke tanks kunnen niet voldoen aan de PGS 30. Het bevoegd gezag kan via het maatwerkvoorschrift eisen stellen aan deze tanks. Het streven is dat nieuwe tanks op de bodem moeten staan.

Tanks met afwijkende vormen

Tanks met afwijkende vormen kunnen niet aan de eisen van de PGS 30 voldoen. Deze tanks kunnen via de constructie van gelijkwaardige voorziening mogelijk wel worden toegestaan. Aangezien het hier gaat om een verplichte maatregel ligt de bewijslast van de gelijkwaardigheid aan de PGS 30 bij het bedrijf. Met deze voorschriften wordt beoogd dat nieuwe tanks aan PGS 30 voldoen en geen afwijkende vorm hebben (waarvoor geen BRL beschikbaar is).

De zogenaamde oliebars worden beschouwd als verpakking en vallen zodoende niet onder de voorschriften van de PGS 30. Hierin is dezelfde lijn gevolgd als bij het voormalige Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen.

Tankcertificaat

De PGS 30 vereist voor bovengrondse tanks een tank- en installatiecertificaat (voorschrift 4.3.1). Daarnaast wordt een 15-jaarlijkse keuring vereist op grond van de KC-111 (voorschrift 4.5.2). Aangezien een installatiecertificaat niet kan worden afgegeven zonder geldig tankcertificaat, is de verplichting tot het hebben van een tankcertificaat niet opgenomen in deze regeling. Een tankcertificaat alleen is niet voldoende omdat het tankcertificaat bijvoorbeeld niet het inhoudmeetsysteem, de overvulbeveiliging, de antihevelvoorziening of de locatie van tank omvat. Het tankcertificaat heeft dan ook geen toegevoegde waarde voor een bevoegd gezag.

Overgangsrecht

De opslag van vloeibare brandstof, lichte stookolie, afgewerkte olie en stoffen van ADR klasse 8 verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar in bovengrondse stationaire opslagtanks moet voldoen aan de genoemde voorschriften van de PGS 30, inclusief keuring. Voor bestaande tanks geldt een overgangstermijn voor de keuringseisen. Voor bestaande tanks (geïnstalleerd voor 1 januari 2000) met vloeibare brandstof, lichte stookolie en afgewerkte olie is een overgangstermijn opgenomen tot 1 januari 2015, overeenkomstig het Besluit opslag- en transportbedrijven. Voor tanks met ADR klasse 8 loopt de termijn tot 1 januari 2023 omdat voor deze tanks vanaf nu pas algemene regels gaan gelden met daarin de eis van een keuringsregime (zie overgangsrecht).

fabriek
 

Kenniscentrum InfoMil