Opslag in verpakking
Veiligheid
Inhoud pagina: Opslag in verpakking
Het Activiteitenbesluit kent voorschriften voor het opslaan van gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking (niet zijnde vuurwerk en andere ontplofbare stoffen en niet zijnde nitraathoudende kunstmeststoffen). In Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht categorie 4.4 staat aangegeven welke gevaarlijke stoffen in verpakking wel en niet vergunningplichtig zijn:
- Sub g geeft de ADR klassen die niet onder vergunningplicht vallen, soms met bovengrens.
- Sub i onder 1 geeft aan dat meer dan 10 ton verpakte gevaarlijke stoffen per opslagvoorziening vergunningplichtig is, want ten aanzien van deze opslagplaatsen is maatwerk vereist. Binnen één inrichting kunnen onder het Activiteitenbesluit wel meerdere opslagvoorzieningen met elk maximaal tot 10 ton aanwezig zijn.
- Sub i onder 2 en 3 vermeld dat ook de aanwezigheid van meer dan 10 ton verpakte gevaarlijke stoffen buiten een reguliere opslagvoorziening vergunningplichtig is.
Voor maximaal 1500 liter ammoniak of ethyleenoxide in gasflessen geldt conform het Besluit omgevingsrecht Bijlage I categorie 2.7 geen vergunningplicht, zodat onder andere middelgrote ammoniakkoelinstallaties en metaalelektrobedrijven onder het Activiteitenbesluit vallen.
PGS 15 als basis
In het Activiteitenbesluit is de PGS 15 als uitgangspunt genomen voor de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking. De PGS 15 ‘Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen; Richtlijn voor brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid', VROM, juni 2005 beschrijft voor verpakte gevaarlijke stoffen de wijze van opslag conform de stand der techniek. Net als de PGS 15 is het Activiteitenbesluit gebaseerd op de vervoerswetgeving (ADR) om te bepalen of het om gevaarlijke stoffen gaat. De bepalingen zijn hierdoor beter inpasbaar in het logistieke management van inrichtingen. CMR-stoffen zijn stoffen die volgens Europese normen zijn geclassificeerd als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch. Aangezien de ADR-indeling uitgaat van acute effecten - en niet van gezondheidseffecten op de langere termijn - kunnen deze stoffen in allerlei ADR-klassen voorkomen, of zelfs helemaal niet ADR-geclassificeerd zijn.
De voorschriften in de richtlijn PGS 15 vormen een nadere invulling van de bepalingen van de Wet milieubeheer, de Arbeidsomstandighedenwet en -regelgeving en het Bouwbesluit. In het Activiteitenbesluit zijn alleen de voorschriften uit PGS 15 overgenomen die milieuaspecten regelen. In bepaalde gevallen kan met behulp van maatwerk worden afgeweken van de eis zoals omschreven in PGS 15. Soms is er bewust voor gekozen om geen overgangstermijn of uitzondering voor bestaande situaties te creëren omdat dit de handhaving te ingewikkeld maakt.
De PGS 15 is niet van toepassing op verpakking die via leidingen is aangesloten op een installatie, zoals een aangesloten IBC of gasfles. Hiervoor gelden eisen van de Arbo-regelgeving en artikel 4.9 van de regeling bij het Activiteitenbesluit over leidingen en afsluiters aangesloten op een verpakking met gevaarlijke stoffen en artikel 4.10 over bodembedreigende vloeistoffen in verpakking.
Gevaarlijke afvalstoffen
Gevaarlijke afvalstoffen zijn als zodanig gekwalificeerd in de Europese afvalstoffenlijst (Eural). Deze komen echter niet altijd overeen met ‘gevaarlijk' overeenkomstig ADR-kwalificatie. Aan deze wetgeving ligt namelijk een andere systematiek en doelstelling ten grondslag. Uitsluitend verpakte gevaarlijke afvalstoffen die onder de bepalingen van het ADR vallen, moeten in een PGS 15 voorziening worden opgeslagen. De algemene regel voor classificatie van afvalstoffen uit het ADR is: bij een mengsel van verpakte gevaarlijke stoffen met niet-gevaarlijke stoffen is de meest gevaarlijke component bepalend voor de classificering en krijgt het hele afvalstoffenmengsel deze classificatie. De exacte classificatie wijze van afvalstoffen staat beschreven in ADR paragraaf 2.1.3.
Veiligheidsafstanden (amvb)
Artikel 4.1 van het Activiteitenbesluit stelt dat voor de opslag van brandbare gevaarlijke stoffen in verpakking bij meer dan 2.500 kilogram en minder dan 10.000 kilogram een veiligheidsafstand geldt van ten minste 20 meter. Deze afstand is gebaseerd op het voorkomen van brandoverslag en met het oog op bereikbaarheid van de opslagvoorziening ingeval van brand. Op basis van onderzoek van TNO en het RIVM is vastgesteld dat de afstand van 20 meter voldoende groot is om risicovolle situaties ten gevolge van het ontstaan van toxische verbrandingsproducten te voorkomen. Ook constateren TNO en RIVM dat deze veiligheidsafstand kan worden gereduceerd tot 8 meter onder de aangegeven voorwaarden. Daarom kan de veiligheidsafstand worden gereduceerd tot 8 meter als de opslagvoorziening een Weerstand tegen branddoorslag over brandoverslag (WBDBO) heeft van 60 minuten of een daaraan gelijkwaardige voorziening (bijvoorbeeld een sprinklerinstallatie).
In de afstandsbepalingen is afgeweken van de formulering kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten (zoals die normaliter bij veiligheidsafstanden worden gebezigd), omdat ook in de oude 8.40-amvb's het begrip woning van derden werd gehanteerd. Om te voorkomen dat er situaties kunnen ontstaan dat een bedrijf niet meer aan een afstandseis kan voldoen ten gevolge van een begripswijziging, is ook in het Activiteitenbesluit het begrip woning van derden gebruikt als formulering voor het te beschermen object.
Overgangsrecht
In de ‘Circulaire betreffende werkprogramma aanpassing opslagplaatsen gevaarlijke stoffen en chemisch afval' van 31 augustus 1992 zijn externe afstanden vastgelegd voor opslagvoorzieningen met gevaarlijke stoffen in verpakking ten opzichte van woningen en derden. Deze afstanden uit de circulaire zijn gedurende de afgelopen jaren overgenomen in de diverse 8.40-besluiten. Tevens diende de circulaire als leidraad voor de milieuvergunning. In de praktijk zijn de externe afstanden echter niet altijd overgenomen in de milieuvergunningen. Hierdoor kan een situatie ontstaan dat er met het in werking treden van dit besluit externe afstanden gaan gelden die voorheen voor de inrichting niet golden. In artikel 6.25 van het Activiteitenbesluit is voor deze bestaande - voorheen vergunningplichtige - situaties een overgangstermijn van drie jaar aangehouden. Voor deze situaties blijven gedurende 3 jaar de voorschriften uit de vergunning gelden.
Gasflessen met brandbare stoffen
Bij een in de buitenlucht gesitueerde opslagvoorziening voor meer dan 1000 liter gasflessen met brandbare inhoud, gemeten naar de waterinhoud, geldt een afstand van 15 meter tussen de opslagvoorziening en een woning van derden. Als er sprake is van twee opslagvoorzieningen van elk 500 liter gasflessen met brandbare inhoud hoeft niet te worden voldaan aan deze afstand. Let wel op grond van voorschrift 6.2.5 van de PGS 15 (waarnaar in de ministeriële regeling wordt verwezen) moet een opslagvoorziening op een bepaalde afstand zijn gelegen van andere brandbare objecten binnen de inrichting. De opslagvoorziening met gasflessen met brandbare inhoud wordt hierbij als brandbaar object binnen de inrichting beschouwd. In de ministeriële regeling staat tevens aangegeven aan welke eisen een opslagvoorziening - zowel in de buitenlucht gesitueerd als binnen een gebouw -moet voldoen. Voor een opslagvoorziening voor gasflessen, die in een gebouw is gesitueerd, gelden geen afstandeisen.
Opbouw van de voorschriften
In principe moet de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en verpakte CMR stoffen (Ministeriële Regeling artikel 4.3), spuitbussen, stoffen van de klasse 4 en gasflessen (artikel 4.4) voldoen aan de aangegeven hoofdstukken van PGS 15. Deze hoofdstukken zijn specifiek toegespitst op de desbetreffende opslag.
De PGS 15 (zie artikel MR 4.6) is echter niet van toepassing op:
- de verpakte gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 1, 7 en 9 met uitzondering van de stoffen met classificatiecode M6 en M7 ‘stoffen die het aquatisch milieu verontreinigen';
- specifieke stoffen van klasse 3, zoals alcoholhoudende dranken en dieselolie, voor deze stoffen is het PGS 15-regime te streng;
- de werkvoorraad, de in een verkoopruimte aanwezige opslag, de opslag in vervoerseenheden, de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking die staan aangesloten op leidingen en de tijdelijke opslag. Voor deze opslag - behalve voor de werkvoorraad - zijn de eisen uit de PGS 15 niet werkbaar en worden hieraan onder deze activiteit of als een aparte activiteit aparte voorschriften gesteld (zie de MR artikelen 4.7, 4.8 en 4.9);
- accu's en gasflessen met kooldioxide met een doelmatige drukontlastvoorziening. Ook hiervoor zijn de eisen uit de PGS 15 niet werkbaar en worden hieraan aparte voorschriften gesteld (MR artikel 4.4).
| Eisen uit PGS 15 van toepassing op opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke (afval)stoffen | |
|---|---|
| Gevaar conform de ADR-klasse zonder bijkomend gevaar | Opslagvoorziening conform voorschriften uit de onderstaande paragrafen van de PGS 15 zoals opgenomen in de MR |
| Alle ADR-klassen en CMR stoffen | paragrafen 3.1, 3.2 (m.u.v. vs 3.2.1.6), 3.4, 3.5, 3.7 t/m 3.20, vs 3.21.1 en paragraaf 3.23 |
| 1 | geen |
| 2 (UN 1950 spuitbussen, gaspatronen of aanstekers UN 1057) | paragrafen 3.1, met uitzondering van de voorschriften 3.1.4 en 3.1.5, 3.2, met uitzondering van voorschrift 3.2.1.6, 3.4, 3.5, 3.7, 3.11 t/m 3.13, 3.15 t/m 3.20, voorschrift 3.21.1, 3.23 en de voorschriften van de paragrafen 7.1, 7.3 t/m 7.6 van PGS 15 |
| 2 (gasflessen muv de opslag van flessen met kooldioxide met een doelmatige drukontlastingvoorziening, noch op flessen met blusgas) | de paragrafen 3.1, met uitzondering van de voorschriften 3.1.4 en 3.1.5, van paragraaf 3.2 met uitzondering van voorschrift 3.2.1.6, van de paragrafen 3.4 t/m 3.5, 3.7, 3.11, 3.15 t/m 3.20, voorschrift 3.21.1 en paragraaf 3.23 en de voorschriften van de paragrafen 6.2.1 t/m 6.2.16 van PGS 15. |
| 3 | paragrafen 3.1, 3.2 (m.u.v. vs 3.2.1.6), 3.4, 3.5, 3.7 t/m 3.20, vs 3.21.1 en paragraaf 3.23 |
| 3 (-alcoholhoudende dranken in consumentverpakkingen -dieselolie, gasolie, of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C -verwarmde brandbare vloeistoffen met UN-nummer 3256 -niet giftige en niet bijtende viskeuze oplossingen en homogene mengsels met een vlampunt van 23°C en hoger) | geen |
| 4 | opslagvoorziening die is uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften van de paragrafen 8.5.1 en 8.5.2 van PGS 15, dan wel in een brandveiligheidsopslagkast overeenkomstig paragraaf 3.10 van PGS 15; tevens wordt voldaan aan de voorschriften uit hoofdstuk 3 van PGS 15 |
| 5.1 | paragrafen 3.1, 3.2 (m.u.v. vs 3.2.1.6), 3.4, 3.5, 3.7 t/m 3.20, vs 3.21.1 en paragraaf 3.23 |
| 5.2 (LQ tot 1.000 kg) | paragrafen 3.1, 3.2 (m.u.v. vs 3.2.1.6), 3.4, 3.5, 3.7 t/m 3.20, vs 3.21.1, paragraaf 3.23 en de voorschriften van paragraaf 9.2 |
| 6 | paragrafen 3.1, 3.2 (m.u.v. vs 3.2.1.6), 3.4, 3.5, 3.7 t/m 3.20, vs 3.21.1 en paragraaf 3.23 |
| 7 | Geen |
| 8 | paragrafen 3.1, 3.2 (m.u.v. vs 3.2.1.6), 3.4, 3.5, 3.7 t/m 3.20, vs 3.21.1 en paragraaf 3.23 |
| 9 | geen, met uitzondering van stoffen met classificatiecode M6 en M7 ‘stoffen die het aquatisch milieu verontreinigen' |
| Bestrijdingsmiddelen | paragrafen 3.1, 3.2 (m.u.v. vs 3.2.1.6), 3.4, 3.5, 3.7 t/m 3.20, vs 3.21.1 en paragraaf 3.23 |
Voor publiek toegankelijke verkoopruimten
De opslag van verpakte gevaarlijke stoffen in verkoopruimten die voor het publiek toegankelijk zijn, is geregeld in artikel 4.8 van de ministeriële regeling. Eind maart 2009 is dit artikel gewijzigd, waardoor vijf liter zeer brandbare vloeistoffen van ADR-klasse 3 (waaronder terpentine) niet meer boven een lekbak geplaatst hoeft te worden.
Wel kan nu vrijwillig gekozen worden voor het gebruik van lekbakken onder vloeistoffen van ADR-klasse 3, waardoor meer gevaarlijke stoffen mogen worden opgeslagen. Zonder lekbakken mag volgens tabel 4.8 maximaal 300 liter van ADR-klasse 2 en 3 opgeslagen worden in een verkoopruimte, met lekbakken 800 liter. Deze hoeveelheden worden beperkt als boven de verkoopruimte een ruimte aanwezig is van derden met een woon-, bijeenkomst-, onderwijs- en/of logiesfunctie. Dan is respectievelijk maximaal 150 en 300 liter toegestaan. Wanneer de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) tussen deze bovenliggende ruimte en de verkoopruimte minder dan zestig minuten bedraagt, worden deze toegestane hoeveelheden verder gereduceerd tot respectievelijk 75 en 150 liter.
Maatwerk
De richtlijn PGS 15 bevat een groot aantal voorschriften met betrekking tot de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking. Deze voorschriften zijn voor de meeste bedrijven zonder meer uitvoerbaar. Bij een aantal voorschriften in PGS 15 is echter voorzien in de mogelijkheid tot het stellen van afwijkende voorschiften in individuele gevallen, daar waar de bedrijfsvoering anders onnodig zou worden beperkt. Te denken is aan voorschriften met betrekking tot gezamenlijke opslag, werkvoorraden, ondergrenzen per inrichting of per locatie binnen een inrichting en het af- en overtappen in opslagruimten. Bij het uitsluitend verwijzen in dit Besluit naar de artikelen van PGS 15 zouden voor de inrichtingen die vallen onder dit besluit, deze mogelijkheden worden afgegrendeld en zouden deze alleen nog mogelijk blijven voor vergunningplichtige inrichtingen. Dit wordt als niet logisch en niet gewenst beschouwd. Met artikel 4.5 van de ministeriële regeling wordt het mogelijk gemaakt dat maatwerkvoorschriften worden gesteld, binnen de grenzen die de genoemde artikelen uit de PGS 15 daarvoor bieden.
Met de introductie van het maatwerkvoorschrift is het bijvoorbeeld mogelijk om op grond van het voorschrift 3.18.1 van de PGS 15 (journaal en registratie) expliciet een journaal en bijvoorbeeld deelname aan een Centraal Registratiepunt Punt te verlangen. De overige genoemde artikelen uit de PGS 15 hebben betrekking op het gezamenlijk opslaan van andere goederen met gevaarlijke stoffen (3.1.1), of de ondergrenzen gelden per inrichting of per bedrijfsonderdeel (3.1.2), begrip werkvoorraad (3.1.3), aftap- en ompakwerkzaamheden in een opslagvoorziening (3.1.4) en voorzieningenniveau in een overslag- of laad- en losgedeelte (3.1.6).
Er is tevens maatwerk mogelijk gemaakt met betrekking tot bouwkundige voorzieningen. In de ministeriële regeling is onder meer opgenomen dat opslagvoorzieningen - kortweg - moeten voldoen aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit 2003, onder meer een WBDBO van 60 minuten. Dit is een gangbare eis in nieuwbouwsituaties. Voor bestaande situaties gelden de eisen uit de vigerende vergunningen. In PGS 15 zijn eisen vastgelegd waarmee een minimaal veiligheidsniveau in nieuwbouwsituaties wordt nagestreefd. Dit niveau is ook het uiteindelijke streven voor bestaande situaties. Voorheen was dit veiligheidsniveau vastgelegd in CPR 15-1 dat immers dateert van vóór het Bouwbesluit (1992). In een aantal vigerende milieuvergunningen heeft het bevoegd gezag - al dan niet gemotiveerd - het niveau van CPR 15-1 qua bouwkundige voorzieningen niet overgenomen. Het minimumniveau wordt dan bepaald door de rechtstreeks werkende voorschriften die gelden voor bestaande bouw op basis van het Bouwbesluit 2003. Verder is het zo dat de bouwkundige eisen zoals die waren opgenomen in CPR 15-1 kunnen afwijken van de eisen uit paragraaf 3.2 van PGS 15. Bestaande bedrijven kunnen daardoor worden geconfronteerd met aanvullende bouwkundige eisen bij het onverkort toepassen van de eisen die gelden voor nieuwbouwsituaties.
Overgangsrecht
Via het algemene overgangsrecht gelden de voorschriften die hierover waren gesteld in de vigerende vergunning en/of in een 8.40 amvb gedurende 3 jaar als maatwerkvoorschrift. Na de overgangstermijn van 3 jaar vervallen deze maatwerkvoorschriften tenzij het bevoegd gezag hierover opnieuw via MR artikel 4.5 maatwerk opstelt. Het is hierbij aan het bevoegd gezag om af te wegen of aangenomen kan worden dat met het lagere niveau (op basis van CPR 15-1, of destijds vergund, of vereist op basis van de in het Bouwbesluit 2003 geldende eisen voor bestaande bouw) van bouwkundige voorzieningen ook dan nog een aanvaardbaar veiligheidsniveau kan worden gewaarborgd, of dat van het bedrijf in redelijkheid kan worden gevraagd dat de bouwkundige kwaliteit alsnog wordt gebracht op nieuwbouwniveau. Daarbij zal vooral een afweging gemaakt moeten worden tussen kosten enerzijds en de te verwachten toename in de veiligheid anderzijds: wanneer het alleen gaat om het vervangen van deuren of het brandwerend maken van kolommen is dit van een andere orde dan wanneer gehele muren zouden moeten worden vervangen of wanneer de opslaglocatie geheel zou moeten worden verplaatst terwijl de kans op een brand die zich verspreidt tot buiten de opslagfaciliteit beperkt is. Nieuwbouweisen vormen de bovengrens van hetgeen aan bouwkundige eisen mag worden geëist.

