Brandveiligheid

Brandveiligheid

Veiligheid

Inhoud pagina: Brandveiligheid

Let op: deze tekst gaat uit van de situatie na inwerkingtreding van de wabo.

Brandveiligheid is veelal geregeld in de bouwregelgeving, onder andere in het Bouwbesluit en het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Gebruiksbesluit). Bij de opslag van gevaarlijke stoffen worden meestal nog aanvullende eisen gesteld op basis van de milieuwetgeving (o.a. Vuurwerkbesluit, Activiteitenbesluit of een omgevingsvergunning voor een milieu inrichting). De eisen waar aan moet worden voldaan zijn vaak gebaseerd op specifieke richtlijnen (bijvoorbeeld PGS 15 en PGS 28). De Handreiking Verantwoorde brandweeradvisering  externe veiligheid (voor Bevi inrichtingen) en de Handreiking brandweeradvisering Wet milieubeheer (voor alle typen inrichtingen) zijn hierbij goede hulpmiddelen voor de vergunningverlener.

Het Gebruiksbesluit is op 1 november 2008 in werking getreden en regelt de brandveiligheid van bouwwerken en brandveilige opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen (bijvoorbeeld hout, rubber banden en kunststoffen) en de opslag van kleine hoeveelheden brandgevaarlijke stoffen (ADR-klasse 2 t/m 5). Daarnaast vereist het Gebruiksbesluit dat alle mobiele blussers onderhouden en gekeurd worden.

Grens tussen milieu- en bouwregelgeving

Voorheen waren zowel in de milieuregelgeving als in de gemeentelijke bouwverordeningen voorschriften opgenomen over de opslag van brandgevaarlijke stoffen. Met de komst van het Activiteitenbesluit en het Gebruiksbesluit is gekozen voor een heldere grens tussen de bouw- en de milieuvoorschriften. De volgende definities uit beide vakgebieden komen overeen:

Gebruiksbesluit Wm-regelgeving
Brandgevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen (ADR 2 t/m 5)
Brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen Brandbare stoffen, niet zijnde gevaarlijke stoffen

Het Gebruiksbesluit stelt eisen aan de opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen, zoals: hout, rubber banden en kunststoffen (artikel 2.1.9). De veiligheidsvoorschriften voor de opslag van brandgevaarlijke stoffen zijn verdeeld over het Gebruiksbesluit en de milieuregelgeving.

‘Bedrijfsmatige' opslag van brandgevaarlijke stoffen valt onder de milieuregelgeving, ‘huishoudelijke' opslag onder het Gebruiksbesluit. Er is sprake van bedrijfsmatige opslag als de grenswaarden in tabel 2.1.8 van het Gebruiksbesluit worden overschreden. Onder deze waarden betreft het huishoudelijke opslag. De tabel is gebaseerd op de ondergrenzen van PGS 15 (tabel 3) en tabel 4.6 van de Regeling van het Activiteitenbesluit.

Aanwezige stoffen Eisen voor brandveilige opslag in

Brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen

Gebruiksbesluit
Brandgevaarlijke stoffen ≤ PGS 15-ondergrenzen Gebruiksbesluit
Brandgevaarlijke stoffen > PGS 15-ondergrenzen Milieuregelgeving

Indien in een omgevingsvergunning voor een milieu inrichting voorschriften staan die aspecten regelen die nu door het Gebruiksbesluit geregeld worden, dan kunnen deze bij de eerst volgende revisie uit de vergunning verwijderd worden.

Milieuzorgplicht blijft
De nieuwe grens tussen de bouw- en de milieuregelgeving neemt niet weg dat men bij de toepassing van de bouwregelgeving (zoals het Gebruiksbesluit) rekening moet houden met eventuele nadelige gevolgen voor het milieu. De milieuzorgplicht (artikel 1.1a Wet milieubeheer) blijft namelijk van toepassing. Dit betekent dat men bijvoorbeeld bij de opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen zoals hout, rubber banden en kunststoffen voldoende zorg voor het milieu in acht moet nemen. Aspecten die bijvoorbeeld in de omgevingsvergunning voor een milieu inrichting geregeld kunnen worden zijn eisen aan bluswateropvang om te voorkomen dat dit in het oppervlaktewater terecht komt, of voldoende afstand tussen de opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen en de opslag van brandgevaarlijke stoffen om cumulatie van effecten te voorkomen.

Mobiele brandblussers
De aanwezigheid van draagbare of verrijdbare blustoestellen wordt in eerste instantie door het Gebruiksbesluit voorgeschreven in artikel 2.4.2 (indien daarin niet reeds voldoende door de aanwezigheid van brandslanghaspels is voorzien). Aanvullend kunnen er ook aanwezigheidsverplichtingen op grond van milieuregelgeving gelden, bijvoorbeeld via de omgevingsvergunning of doordat de ministeriële regeling bij het Activiteitenbesluit naar dergelijke voorschriften uit PGS 15 (3.15.2) en PGS 28 (9.3) verwijst.

Alle mobiele blustoestellen, waarvan de aanwezigheid op grond van het Gebruiksbesluit, de omgevingsvergunning of het Activiteitenbesluit is voorgeschreven, moeten op grond van het Gebruiksbesluit minimaal eens in de twee jaar worden gekeurd en onderhouden. Uitzondering hierop is een blustoestel dat is voorgeschreven op basis van PGS 28, deze moet minimaal eens per jaar gekeurd en onderhouden worden. Momenteel vindt een actualisatie van PGS 28 plaats, waarbij onder andere de keuringsfrequentie van mobiele blussers wordt teruggebracht naar een keer per twee jaar.

Automatische blusinstallaties
Indien de automatische brandblusinstallatie voorgeschreven is door of aangelegd is op basis van de Woningwet, dan moet deze overeenkomstig artikel 2.5.1 van het Gebruiksbesluit onderhouden en gekeurd worden.

Indien de automatische brandblusinstallatie voorgeschreven is door of aangelegd is op basis van milieuregelgeving (bijvoorbeeld in een vergunning bij een PGS 15-opslagvoorziening met beschermingsniveau 1 of bij de opslag van vuurwerk), dan moet het onderhoud en de keuringsfrequentie middels de milieuregelgeving vastgelegd worden. Het bevoegd gezag Wm kan bijvoorbeeld in een vergunning voor een PGS 15-opslagvoorziening de eisen voor onderhoud en keuring van een automatische brandblusinstallatie gebruiken uit paragraaf 4.8.2 van PGS 15.

Rekentool warmtestralingsbelasting
Voor brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen geldt dat de opslag in een bouwwerk of in de open lucht zodanig moet zijn, dat bij brand geen onaanvaardbaar risico ontstaat voor naastgelegen percelen.

Voor de buitenopslag van hout zijn specifieke prestatie-eisen gegeven in artikel 2.1.9 lid 2 van het Gebruiksbesluit. Om aannemelijk te maken dat de opslag van hout aan deze prestatie-eis voldoet, kan gebruik gemaakt worden van de bepalingsmethode die is opgenomen in de VROM-publicatie ‘Bepalingsmethode warmtestralingsbelasting opslag van hout' en van het daarbij behorende computermodel voor het berekenen van de warmtestralingsbelasting.

Het NEN onderzoekt of de bepalingsmethode voor voldoende brandveilige houtopslag in een NEN-norm kan worden ondergebracht en of die norm dan ook geschikt is voor de buitenopslag van andere brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen.

Meer informatie over het Gebruiksbesluit

Vragen over brandveiligheid

 

InfoMil