Verdrag van Helsinki

Home > Onderwerpen > Hinder, gezondheid, veiligheid > Veiligheid > BRZO > Verdrag van Helsinki

Verdrag van Helsinki

Veiligheid

Inhoud pagina: Verdrag van Helsinki

Op 18 maart 1992 is in Helsinki in het kader van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UN-ECE) het Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen tot stand gekomen (het verdrag). Het verdrag heeft tot doel het beschermen van de mens en het milieu tegen industriële ongevallen die grensoverschrijdende gevolgen kunnen hebben en het bevorderen van een actieve internationale samenwerking tussen de verdragspartijen bij het voorkómen en de bestrijding van dergelijke ongevallen.

Indien u vragen heeft over het verdrag, kunt u contact opnemen met de helpdesk van InfoMil.

4. Verplichtingen voortvloeiende uit het verdrag

1. Inleiding 

Het verdrag is op 15 september 2006 door middel van stilzwijgende toestemming door het parlement geratificeerd en op 4 februari 2007 is het verdrag daadwerkelijk voor Nederland in werking getreden. Zoals gezegd is het een UN-ECE verdrag, dat houdt in dat naast alle EU-lidstaten ook landen als onder andere (Wit) Rusland, Moldavië, Oekraïne en Kazachstan het verdrag hebben ondertekend.

2. Achtergrond

Het verdrag verplicht Nederland om Duitsland en België te informeren over bedrijven die een risico kunnen vormen voor de bevolking en het milieu aldaar en omgekeerd. Onder de reikwijdte van dit verdrag vallen -zo is vastgesteld bij de Conference of Parties in Boedapest in 2004- bedrijven die zijn gelegen binnen een zone van 15 kilometer van de landsgrens indien het verspreiding via lucht betreft. Indien het verspreiding via water betreft, is bepaald dat de bedrijven minder dan twee gemiddelde stroomdagen verwijderd van de landsgrens moeten zijn. Het betreft hier de grote (de hoogdrempelige) BRZO-bedrijven. In totaal zijn er in Nederland circa 40 van dergelijke bedrijven die onder het verdrag vallen.

De buurlanden moeten elkaar in het kader van het verdrag  inzicht geven in de gevaren en risico’s voor zover het gaat om mogelijk grensoverschrijdende gevolgen voor mens en milieu. Het gaat daarbij om het informeren en in de vergunningverlening betrekken van zowel de overheden als de burgers (deze laatste groep dient via de desbetreffende overheden geïnformeerd te worden) van het betreffende buurland. Naast deze aspecten moet er ook inzicht worden gegeven in de wijze waarop de rampenbestrijding zal plaatsvinden.

3. Doelstelling verdrag

Zoals hierboven is aangegeven heeft het verdrag tot doel om mens en milieu te beschermen tegen industriële ongevallen die grensoverschrijdende gevolgen kunnen hebben. Ook draagt het verdrag bij aan de bevordering van een actieve internationale samenwerking tussen de verdragspartijen bij het voorkómen en het bestrijden van dergelijke ongevallen. Aan het verdrag zijn dus nationale en internationale aspecten verbonden.

Nationaal

Om zo adequaat mogelijk aan de verdragsverplichtingen -ter voorkoming, voorbereiding en bestrijding van ongevallen- te voldoen, is het noodzakelijk dat er wordt samengewerkt op de verschillende overheden en overheidsdiensten niveaus. Er zijn dan ook verplichtingen voor het Rijk, voor de grensprovincies, voor de regionale overheden, hulpdiensten en voor gemeenten en hun diensten.

Internationaal

Ten behoeve van de beheersing van industriële ongevallen is het essentieel dat er naast de nationale samenwerking ook internationale samenwerking is. Deze internationale samenwerking spitst zich toe -ter voorkoming van een ramp- op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, informatieuitwisseling en overdracht van technologie en in geval van een ramp is voor internationale samenwerking met name wederzijdse bijstand belangrijk.

4. Verplichtingen voortvloeiende uit het verdrag

Het verdrag kent verplichtingen. Deze verplichtingen omvatten:

  1. Identificatie van de activiteiten met gevaarlijke stoffen en het (eventueel) voeren van overleg daarover met Belgische of Duitse overheden
  2. Het treffen van preventieve maatregelen en het invoeren van de verplichting voor de inrichting om aan te tonen dat de betrokken gevaarlijke activiteit veilig wordt verricht
  3. Het voeren van een ruimtelijk beleid dat is gericht op het minimaliseren van de gevaren voor de bevolking en het milieu
  4. Het verstrekken van informatie aan de bevolking (binnen en buiten de landsgrens) en het mogelijk maken van inspraak en beroep
  5. Voorbereiding en uitvoering van de rampenbestrijding en verlening van bijstand terzake
  6. Melding van ongevallen
  7. Uitwisseling van relevante technologie
  8. Monitoring stand van zaken.
fabriek
 

Kenniscentrum InfoMil