Bijlage 1: Begrippen

Bijlage 1: Begrippen

Veiligheid

Inhoud pagina: Bijlage 1: Begrippen

Waar in de begrippen wordt verwezen naar het BEVI en het REVI gaat het om de wetteksten geldend op 23 oktober 2009. Zie voor de meest recente versie van de wetteksten www.wetten.nl/

 Begrip Omschrijving
Afstanden

Afstanden tussen gevaarlijke activiteiten en objecten buiten de inrichting. Gevarenzones c.q. zone-indelingen binnen de inrichting, zoals voor gas- of stofontploffingsgevaar, waarbij veiligheidsafstanden rondom en tussen objecten binnen de inrichting zijn vastgesteld, blijven hierbij buiten beschouwing.
Zie ook: Effectafstand, Risicoafstand, Toetsingsafstand.

ARIEDe risico’s voortkomend uit ongevallen met gevaarlijke stoffen en de blootstelling daaraan komen met een RI&E vaak onvoldoende aan bod. In de Arbowet is daarom de verplichting tot uitvoering van een Aanvullende RI&E opgenomen, die kortweg de ARIE-verplichting wordt genoemd. Deze plicht geldt vanaf bepaalde hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Indien echter een bedrijf onder de veiligheidsrapportageplicht van het Brzo valt vervalt weer de ARIE-plicht. Het veiligheidsrapport komt daar dan weer voor in de plaats.
ATEX

ATEX staat voor de Europese Richtlijnen ‘ATEX 137’ (1999/92/EG) en ‘ATEX 95’ (94/9/EG). Installaties en gebouwen moeten in overeenstemming zijn met de deze richtlijn die minimumvoorschriften geeft voor een veilige en gezonde werkomgeving van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen. Daarnaast geeft de richtlijn voorschriften voor apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor het gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen.

De ATEX 137-richtlijn is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in het Arbeidsomstandighedenbesluit (artikel 3.5). Direct voortvloeiend uit de ATEX 137 is de verplichting voor het opstellen van een explosieveiligheidsdocument. De ATEX 95 is geïmplementeerd in het Besluit explosiegevaarlijk materieel.

  
BATBest Available Techniques. Dit betekent letterlijk Best Beschikbare Technieken (BBT). Zie ook: BBT, BREF
BBT

Best Beschikbare Technieken (BBT); letterlijke vertaling van Best Available Techniques (BAT). Zie ook: BAT, BREF

Beperkt kwetsbare objectenBeperkt kwetsbare objecten (artikel 1 BEVI)
  1. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare, en dienst- en bedrijfswoningen van derden
  2. kantoorgebouwen, voor zover er geen sprake is van een kwetsbaar object
  3. hotels en restaurants, voor zover er geen sprake is van een kwetsbaar object
  4. winkels, voor zover er geen sprake is van een kwetsbaar object
  5. sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen;
  6. kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover er geen sprake is van een kwetsbaar object
  7. bedrijfsgebouwen, voor zover er geen sprake is van een kwetsbaar object
  8. objecten die met de onder a tot en met e en g genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn, en
  9. objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval
Ter plaatse van deze objecten moet aan de richtwaarden van het BEVI worden voldaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld kleine kantoorgebouwen, verspreid staande woningen, etc. Zie ook: Kwetsbare objecten
BEVIBesluit Externe Veiligheid Inrichtingen. Dit besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. In dit besluit worden normen vastgesteld voor het plaatsgebonden risico. Voor bepaalde categorieën inrichtingen zijn dit vaste afstanden tot kwetsbare objecten. Voor andere typen inrichtingen moet een kwantitatieve risicoberekening worden uitgevoerd. BEVI legt het bevoegd gezag tevens de verplichting op om het groepsrisico te verantwoorden.

Het besluit beoogt naast de wettelijke verankering van de veiligheidsnormen tevens het beleid te harmoniseren en de mogelijkheid te creëren om rampenbestrijding en zelfredzaamheid van personen te betrekken bij de besluitvorming over milieu en ruimtelijke ordening.

Zie ook: Categoriale inrichtingen en niet-categoriale inrichtingen, Groepsrisico, Revi.

Bevoegd gezagInstantie die de vergunning verleent.
BLEVEBoiling Liquid Expanding Vapour Explosion. Fenomeen dat kan optreden wanneer een drukvat met een tot vloeistof verdicht gas (zoals LPG) in één keer bezwijkt, bijvoorbeeld als gevolg van een hoge warmtebelasting door een externe brand. Er ontstaat dan een wolk van damp en vloeistofdruppeltjes. Bij onmiddellijke ontsteking brandt de wolk van buitenaf explosief af. Er ontstaat een vuurbal.
BlootstellingConcentratie of intensiteit die een persoon bereikt, uitgedrukt in concentratie of intensiteit en tijdsduur.
BorBesluit omgevingsrecht
BREFBAT-referentiedocumenten. BREF’s zijn referentiedocumenten met daarin per branche de beste beschikbare technieken. BREF’s zijn geen wetgeving, maar zijn bedoeld als informatiedocument voor de vergunningverlener. Hierbij is het van belang de voorgestelde BAT-maatregelen per bedrijf te evalueren met als doelstelling: een zo hoog mogelijke bescherming van het leefmilieu. Zie ook: BAT, BBT.
BronmaatregelMaatregelen bij de bron van risico’s, gericht op het wegnemen of terugdringen van de oorzaken van de gevaren.
BrzoBesluit risico’s zware ongevallen 1999. Op grond van dit besluit kunnen inrichtingen verplicht worden tot het opstellen van een veiligheidsrapport (VR) waarin onder meer zijn opgenomen de externe veiligheidsrisico’s, de arbeidsveiligheidsrisico’s en de risico’s als gevolg van brand. Tevens bevat deze rapportage uitgebreide beschrijvingen van de inrichting, de aanwezige installaties en de aanwezige risicobeheersingmaatregelen. Ook het PBZO (Preventie Beleid Zware Ongevallen) en de bijbehorende verplichte rapportages zijn vastgelegd in het Brzo.

Carcinogeen / carcinogeniteit

Capaciteit van een chemische stof om kanker te verwekken.
Categoriale inrichtingen en niet-categoriale inrichtingen

Categoriale inrichtingen (artikel 4 lid 5 BEVI)

  • een LPG tankstation als bedoeld in het Besluit LPG-tankstations
  • een BEVI-inrichting waar brandbare gevaarlijke stoffen en stoffen met fluor-, chloor-, stikstof - of zwavelhoudende verbindingen worden opgeslagen in een hoeveelheid van meer dan 10.000 kilogram per opslagplaats tenzij:
    - er een opslagvoorziening aanwezig is met een oppervlakte van meer dan 2500 vierkante meter
    - er verpakkingseenheden van meer dan 100 kilo met (zeer) giftige stof in de open lucht worden geladen en gelost. Hiermee worden stoffen van ADR klasse 6.1 verpakkinggroep 1 bedoeld en stoffen die volgens het besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen als zeer vergiftig geclassificeerd zijn
  • een inrichting met ammoniakkoelinstallaties met een inhoud van minder dan 10.000 kilogram ammoniak
  • aangewezen inrichtingen op grond van artikel 2 sub h. Momenteel zijn alleen de opslagen van meer dan 100.000 kilogram kunstmeststoffen van groep 2 aangewezen

Voor deze inrichtingen kan door de aard van de activiteit of de aard van de aanwezige gevaarlijke stof(fen) een standaardbenadering worden gevolgd. Voor een dergelijke inrichting wordt uitgegaan van vaste afstanden en hoeft geen QRA te worden uitgevoerd.

Niet-categoriale inrichtingen (artikel 2 lid 1 BEVI)
Wanneer een inrichting die onder het BEVI valt niet onder een van de hierboven bedoelde categorale inrichtingen valt is er sprake van een niet categoriale BEVI- inrichting en moet voor deze inrichting een QRA worden opgesteld.
Dit zijn (binnen randvoorwaarden):

  • Brzo-inrichtingen
  • Stuwadoorsbedrijven
  • Aangewezen spoorwegemplacementen
  • Propaan of acetyleen in een insluitsysteem > 13 m3
  • (Zeer) licht ontvlambare vloeistof in een insluitsysteem > 150 m3
  • Ammoniak in een insluitsysteem anders dan in een koelinstallatie > 1.500 kg ammoniak
  • Opslagcompartiementen met (zeer)vergiftige stoffen in gasflessen > 1500 l waterinhoud
  • Bedrijven met een cyanidehoudend bad > 100 liter
  • Aardgas regel- en meetstation met een gastoevoerleiding > 20 inch
  • (zeer)vergiftige stof in een insluitsysteem > 1.000 liter
  • Overige nog aan te wijzen inrichtingen
ContourLijn op de kaart getrokken door punten met een gelijke waarde, bijvoorbeeld van het plaatsgebonden risico.
CumulatieAls meerdere risico’s tegelijkertijd op hetzelfde gebied van toepassing zijn, kan het totale risico wat optreedt bij uitvoering van de voorgenomen activiteit groter zijn dan wanneer maar één van de risico’s op zou treden.
Domino-effectHet effect dat het wegvallen van de omhulling van een installatie leidt tot het wegvallen van de omhulling van één of meerdere andere installaties.
EffectIn het externe veiligheidsbeleid staat één effect centraal: het overlijden van een persoon. Dit overlijden wordt veroorzaakt door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gevaarseigenschappen van een stof spelen hierin een bepalende rol. Bij brandbare of explosieve stoffen zal warmtestraling of druk slachtoffers veroorzaken; bij toxische stoffen zal de blootstelling hieraan, zoals inademing van een toxisch gas, dit gevolg veroorzaken.
EffectafstandDe effectafstand is de afstand tussen het insluitsysteem waarbinnen de gevaarlijke stof zich bevindt (bron) en de contour waarop bepaalde effecten te verwachten zijn. Bij ‘effecten’ moet u denken aan een overdruk, warmtestraling of intoxicatie. De omvang van deze effecten is zodanig dat brandweer of andere hulpdiensten hiervan op de hoogte moeten zijn.
EffectmaatregelEen maatregel die erop gericht is de gevaren weg te nemen of terug te dringen aan de zijde van de blootgestelde.
EVExterne Veiligheid. Zie Externe Veiligheid.
ExploitantIedere natuurlijke of rechtspersoon die een inrichting of installatie drijft, exploiteert of in bezit heeft.
Explosie (brandbaar gas)Snelle verbranding van een brandbaar mengsel dat gepaard gaat met een drukopbouw. Explosie-effecten ontstaan als gevolg van obstakels binnen een brandbare gaswolk. De afbrandsnelheid neemt dan zodanig toe dat er een drukgolf ontstaat. Zie ook: Gaswolkexplosie.
Explosie (explosieve stof)Opslag en gebruik van explosieve stoffen kan leiden tot drukgolven en fragmenten in de omgeving (fysische explosie) De drukgolven leiden ook indirect tot schadelijke effecten door glasscherven en brokstukken.
Explosieveiligheidsdocument

Verplichting voortkomend uit de ATEX 137. Dit document bestaat uit:

  • Identificatie en beoordeling van explosierisico’s.
  • Gevarenzone-indeling op grond van frequentie en duur van het optreden van een risicovolle atmosfeer.
  • Een overzicht van noodzakelijke maatregelen om tot een veilige werkomgeving te komen.

Zie ook: ATEX.

Externe Veiligheid (algemeen)Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, LPG en munitie over weg, water, spoor en door buisleidingen. Ook de risico's van het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid.
Externe Veiligheid (BEVI)

Kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Fakkel- of toortsbrand

Brand die optreedt bij directe ontsteking van continu uitstromend (tot vloeistof verdicht) gas of verdichte gassen als gevolg van het optreden van een gat of leidingbreuk.

FlashHet deel van een oververhitte vloeistof dat snel verdampt vanwege een relatief snelle drukvermindering.
Flash fireBrand die kan optreden indien uitstromend brandbaar gas (direct of indirect) wordt ontstoken. Het uitstromende gas verspreidt zich in de omgeving. Op het moment dat de wolk nog binnen de explosiegrenzen is en een ontstekingsbron tegenkomt, brandt de wolk af. De snelheid waarmee de vlam zich door het mengsel beweegt is lager dan de geluidssnelheid, zodat een te verwaarlozen schadelijke overdruk ontstaat.
FN-curveDubbellogaritmische grafiek waarin het groepsrisico (GR) gepresenteerd wordt. F staat voor de cumulatieve frequentie (kans per jaar) en N voor het aantal dodelijke slachtoffers c.q. de letale gevolgen.
FrequentieHet aantal malen dat in een bepaalde periode een bepaalde uitkomst wordt verwacht. Zie ook: Kans.
GaswolkexplosieBrand die kan optreden indien uitstromend brandbaar gas (direct of indirect) wordt ontstoken. Het uitstromende gas verspreidt zich in de omgeving. Op het moment dat de wolk nog binnen de explosiegrenzen is en een ontstekingsbron tegenkomt, brandt de wolk snel af, wat gepaard gaat met een drukopbouw. Explosie-effecten ontstaan als gevolg van obstakels binnen de brandbare gaswolk. De afbrandsnelheid neemt dan zodanig toe dat er een drukgolf ontstaat.
Gevaarlijke stof (BEVI)Stof die bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten zijn ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer of een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 1, onderdeel b. van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.
Gevaarseigenschap

Aard van de stof met als gevolg een risico voor de omgeving. Gevaarseigenschappen genoemd in het Brzo zijn: (zeer) giftig, oxiderend, ontplofbaar, ((zeer) licht) ontvlambaar, gevaarlijk voor het milieu en heftige reactie met water.

GGOGenetisch gemodificeerde organismen.
GRGroepsrisico.

Zie Groepsrisico.

GrenswaardeConform BEVI: Het niveau van plaatsgebonden risico dat ten minste moet worden bereikt en in stand gehouden.
GroepsrisicoDe kans dat per jaar in één keer een groep van ten minste een bepaalde grootte het slachtoffer wordt van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het groepsrisico wordt in een FN-curve weergegeven. Zie ook: FN-curve.
InbloksysteemRepressiesysteem om (een deel van) een installatie te isoleren en zo uitstroming van gevaarlijke stoffen te voorkomen.
Inblokvoorziening

Zie inbloksysteem.

Individueel RisicoZie Plaatsgebonden Risico.
Inrichting

Elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. In het kader van deze wegwijzer zijn inrichtingen die activiteiten die onder het Ivb vallen.

InsluitsysteemEen op afstand inblokbaar installatieonderdeel dat gevaarlijke stoffen bevat. Dat kan een tank zijn, echter als zich geen op afstand bedienbare afsluiter tussen tank en installatie (of installatieleiding) bevindt, is de tank samen met de installatie aan te merken als één insluitsysteem.
Installatie

Een installatie is een combinatie van verschillende met elkaar in verbinding staande insluitsystemen waarin bijvoorbeeld een productieproces of opslag plaatsvindt. Denk aan een reactorvat inclusief de bijbehorende doseersystemen, koelsystemen etc. Binnen een inrichting kunnen meerdere installaties aanwezig zijn.

Instantaan vrijkomenHet in één keer vrijkomen, van bijvoorbeeld de inhoud van een tank.
InvloedsgebiedHet invloedsgebied is het gebied waarbinnen personen worden meegeteld voor de vaststelling van de omvang van het groepsrisico. Het invloedsgebied is het gebied gelegen tussen de risicovolle inrichting en de 1% letaliteitsgrens. In afwijking hiervan ligt voor LPG-tankstations de grens van het invloedsgebied op 150 meter (100% letaliteitsgrens).
NB: (niet-letale) effecten kunnen veel verder reiken dan de grens van het invloedsgebied.
IPOInterprovinciaal overleg.
IPO-RBMIPO Risico Berekeningsmethodiek. Globale methode voor risicoanalyse van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Belangrijkste toepassingsgebied bij inventariserende studies.
IPPCDe Europese richtlijn 96/61/EG – meestal de IPPC (Integrated Prevention Pollution and Control)-richtlijn genoemd. Deze richtlijn regelt het harmoniseren van de eisen die in Europa gelden voor grote installaties. De Europese lidstaten zijn in deze context verplicht tot 2007 in alle grote bedrijven de vergunningsnormen opnieuw te beoordelen. Bij de evaluatie van de milieunormen moet een integrale milieuvisie vooropstaan: afvalwater, emissies, vast afval en energie moeten samen bekeken worden en niet afzonderlijk. De Best Beschikbare Technieken (BBT, BAT) zijn hierbij het referentiepunt. Zie ook: BAT.
IR

Individueel Risico.
Zie Plaatsbonden Risico.

KansMaat voor de waarschijnlijkheid dat een gebeurtenis plaatsvindt, uitgedrukt in een dimensieloos getal tussen 0 en 1. Risico wordt uitgedrukt als een frequentie-eenheid per jaar.
Zie ook: Frequentie.
Kwantitatieve risicoanalyseBerekening van het plaatsgebonden risico en/of groepsrisico met behulp van fysisch-chemische modellen, kansbenaderingmethoden etc. (vaak aangeduid met QRA). In Nederland bestaat de standaardrekenmethode uit SAFETI-NL en de Handleiding Risicoberekeningen BEVI. Voor BEVI-inrichtingen geeft de Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI) de randvoorwaarden aan op welke wijze een kwantitatieverisicoanalyse moet worden uitgevoerd.
Kwetsbare objecten

Kwetsbare objecten
a.  woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde beperkt kwetsbare objecten
b.  gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals:
1º. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen;
2º. scholen, of
3º. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen
c.  gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren:
1º. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m2 per object, of
2º. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto   vloeroppervlak meer dan 1000 m2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m2 per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd, en
d.  kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen;
De opsomming is niet limitatief. Er zijn grensgevallen waarbij aan de hand van de specifieke omstandigheden bepaald moet worden of er sprake is van een beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object.
Ter plaatse van deze objecten moet aan de grenswaarden van het BEVI worden voldaan.
Zie ook: Beperkt kwetsbare objecten.

K0-vloeistofBrandbare vloeistof met een vlampunt lager dan 0 °C (273 K), bepaald volgens EN-EN 57, en een kookpunt van ten hoogste 35 °C (308 K).
K1-vloeistof

Brandbare vloeistof met een vlampunt van 0 °C (273 K) tot 21 °C (294 K), bepaald volgens NEN-EN 57.

K2-vloeistof

Brandbare vloeistof met een vlampunt gelijk aan of boven 21 °C (294 K) en ten hoogste 55 °C (328 K), bepaald volgens NEN-EN 57.

K3-vloeistof

Brandbare vloeistof met een vlampunt boven 55 °C (328 K), bepaald volgens NEN-EN 2719.

Letaliteit 1%-afstandDe grens van het gebied waar 1% van de blootgestelde aanwezigen ten gevolg van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen in een insluitsysteem bij een ongewoon voorval overlijdt.
LOC

Loss of Containment: het vrijkomen van een gevaarlijke stof(fen). Zie ook bijlage 2.

LOD

Line of defense, een veiligheidsmaatregel. LOD’s kunnen zowel van technische als organisatorische aard zijn. Zie ook bijlage 2.

Niet-categoriale inrichting

Zie: Categoriale inrichting.

NPR

Nederlandse praktijkrichtlijn.

Ontstekingsbron

Een voor ontbranding of explosie noodzakelijke ontstekings- of ontbrandingsenergie leverende gebeurtenis, bijvoorbeeld vonken, hete oppervlakken, statische elektriciteit of open vuur.

PBZOPreventie Beleid Zware Ongevallen: verplicht in te vullen beleid op grond van het Brzo. Bedrijven geven hiermee aan hoe zij hun risico’s beheersen. Dit beleid geldt voor alle Brzo-bedrijven: dus zowel voor VR-plichtige bedrijven als voor die bedrijven waarbij op grond van de hoeveelheid gevaarlijke stoffen wel een zeker risico is te verwachten, maar die niet VR-plichtig zijn
PGSDe Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen (PGS) heeft de voormalige CPR richtlijnen vervangen. In 2008 heeft het kabinet besloten de actualisatie en het beheer van de PGS over te dragen aan een zelfstandige beheerorganisatie. De praktische inrichting van beheerorganisatie is vervolgens in overleg met alle betrokkenen tot stand gekomen. Er is gekozen voor een vorm waarbij de gebruikers (bedrijfsleven en overheden) gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de inhoud en het periodiek aanpassen van de publicatiereeks aan de actuele ontwikkelingen en behoeften in het veld. Het ministerie van VROM stelt hiervoor jaarlijks een budget ter beschikking. De beheerorganisatie is ondergebracht bij het Nederlands Normalisatie Instituut. (NEN). Op de website www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl vindt u alle informatie over de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) en de nieuwe PGS beheerorganisatie. De Publicatiereeks is een handreiking voor bedrijven die gevaarlijke stoffen produceren, transporteren, opslaan of gebruiken en voor overheden die zijn belast met de vergunning- verlening en het toezicht op deze bedrijven. Op basis van de actuele stand der techniek wordt een overzicht gegeven van voorschriften, eisen, criteria en voor- waarden, die kunnen worden toegepast bij vergunningverlening, het opstellen van algemene regels en het toezicht op deze bedrijven. In de publicatiereeks wordt zoveel mogelijk op integrale wijze aandacht besteed aan arbeidsveiligheid, milieuveiligheid, de transportveiligheid en de brandveiligheid.
Plaatsgebonden RisicoDe kans per jaar dat een persoon, indien deze zich permanent en onbeschermd op de plaats zou bevinden, op die plaats overlijdt als een rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval bij risicovolle activiteiten, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voorheen werd het plaatsgebonden risico ook wel aangeduid als Individueel Risico (IR).
PlasbrandBij uitstroming van een brandbare vloeistof ontstaat een plas op de grond. Bij ontsteking ontstaat een plasbrand die leidt tot warmtestraling in de omgeving.

PR

Plaatsgebonden Risico.
Zie Plaatsgebonden Risico.

Preparatie

Het voorbereiden van de situatie indien een calamiteit optreedt. Onder preparatie valt de zorg voor de bereikbaarheid van wijken en objecten en het maken van rampenbestrijdingsplannen en rampenplannen.
PreventieHet voorkómen van een incident waarbij gevaarlijke stoffen kunnen vrijkomen of uitbreiding van dat incident. Meer specifiek: het voorkómen van brand of uitbreiding van brand. Bij het uitoefenen van de preventietaak gebruikt de brandweer onder meer regelgeving en richtlijnen voor bouwen en brandveiligheid.
ProactieVroegtijdige betrokkenheid en invloed op ontwerpen op het gebied van ruimtelijke ordening, infrastructuur en milieu. Bij planontwikkeling kan al rekening worden gehouden met veiligheid, zodat onveilige situaties en/of extra maatregelen op een later moment kunnen worden voorkomen.
ProteusModel om het risico naar oppervlaktewater en het (openbaar) rioolstelsel te berekenen.
QRAQuantitative Risk Assessment, ofwel kwantitatieve risicoanalyse. (Zie voor uitleg: Kwantitatieve risicoanalyse).
RepressieOperationele kant van de hulpverlening. Dit betreft de acute bestrijding van calamiteiten, ongevallen en andere onveilige situaties.
REVIRegeling Externe Veiligheid Inrichtingen. Deze regeling bevat regels met betrekking tot de aan te houden afstanden en de wijze van berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico voor de inrichtingen die onder het BEVI vallen. De Regeling is gelijk met het BEVI dat op 27 oktober 2004 in werking is getreden.
RI&EBedrijven die één of meer medewerkers in dienst hebben zijn verplicht om een risico-inventarisatie en –evaluatie (RI&E) uit te voeren, om de mogelijk voor de gezondheid en het welzijn negatieve werkomstandigheden in kaart te brengen en hierin verbeteringen aan te brengen. Vaak gaat het daarbij om alledaagse bekende ongevallenrisico’s zoals vallen, uitglijden, beknellen, etc., en om de chronische blootstelling aan stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid.
RichtwaardeHet niveau van plaatsgebonden risico dat zoveel mogelijk moet zijn bereikt. Er mag echter gemotiveerd wegens zwaarwegende redenen van afgeweken worden.
RisicoDe mate van ongewenste gevolgen van een activiteit in relatie met de kans dat deze zich voordoen.
RisicoafstandDe risicoafstand is de afstand tussen het insluitsysteem, waarbinnen zich de gevaarlijke stof bevindt (bron) en de PR=10-6 contour. De keuze voor deze contour hangt samen met de wettelijke grens- en richtwaarden opgenomen in het BEVI.

Risicocontour

Lijn op een kaart getrokken door punten met een gelijk plaatsgebonden risico.

SaneringEr is een verplichting tot sanering bij overschrijding van de grenswaarde. Sanering kan enerzijds plaatsvinden via het milieutraject, door bijvoorbeeld vermindering van het risico bij de inrichting, door aanpassing of (gedeeltelijke) intrekking van de omgevingsvergunning. Anderzijds kan sanering via het ruimtelijke ordeningstraject plaatsvinden, door bijvoorbeeld verwijdering van (beperkt) kwetsbare objecten. Afhankelijk van de mate van overschrijding zijn in het BEVI saneringstermijnen vastgelegd. De saneringsverplichting geldt vooralsnog de facto alleen voor Brzo-inrichtingen en LPG-tankstations.
ScenarioEen opeenvolging van gebeurtenissen of oorzaken die leiden tot het vrijkomen van gevaarlijke stoffen en de gevolgen daarvan. In een scenario worden onderscheiden:
  • de basisoorzaak van het LOC
  • de directe oorzaak van het LOC
  • de gevolgen (effecten en schade) van het LOC
  • de preventieve en repressieve (gevolgenbeperkende) barrières die moeten voorkomen dat het bewuste scenario zich daadwerkelijk voordoet (lines of defence, LOD’s).
StofcategorieSpecifieke indeling, bijvoorbeeld voor externe veiligheid, van stoffen die soortgelijke risico’s geven.
StofindelingSpecifieke indeling van stoffen in een beperkt aantal categorieën ten behoeve van de risicoberekening. Uitgangspunt voor indeling zijn de voor externe risico’s relevante stofeigenschappen, zoals vluchtigheid, brandbaarheid en toxiciteit.
ToetsingsafstandToetsingsafstanden zijn afstanden die in wet- en regelgeving zijn vastgelegd. Aan toetsingsafstanden kunnen diverse overwegingen ten grondslag liggen. Voorbeelden van toetsingsafstanden zijn afstanden zoals genoemd in CPRrichtlijnen of voortvloeiend uit AmvB’s.
ToortsbrandZie Fakkelbrand.
VeiligheidscontourEen geconstrueerde (bedachte) contour ten behoeve van de ruimtelijke ordening waarin eventuele uitbreidingsruimte van risico mogelijk is. De contouren zijn gebaseerd op een plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar.
VeiligheidsrapportVerplichte rapportage op grond van het Brzo. Zie ook: Brzo.
VR

Veiligheidsrapport.

Zie Veiligheidsrapport.

VuurbelastingDe hoeveelheid warmte die vrijkomt per eenheid vloeroppervlakte bij volledige verbranding van alle in een ruimte (of in een gebouw) aanwezige brandbare materialen, met inbegrip van de materialen in de constructieonderdelen die zich binnen die ruimte (of dat gebouw) bevinden, dan wel die ruimte (of dat gebouw) begrenzen.

(Omschrijving conform NEN 6090).

VuurstraalZie Fakkel- of toortsbrand.
WaboWet algemene bepalingen omgevingsrecht
WeertypeRepresentatieve combinatie van windsnelheid en stabiliteitsklasse. Windsnelheidwordt uitgedrukt in meter per seconde; stabiliteit in een klasse A tot en met F. Klasse A duidt op een instabiele atmosfeer, klasse F op een zeer stabiele. Weertype D5 betekent bijvoorbeeld ‘neutraal weer met een windsnelheid van maximaal 5 meter per seconde’.
WmWet milieubeheer.
WolkbrandSnelle verbranding van een brandbare gaswolk na vertraagde ontsteking, zonder drukopbouw.
ZelfredzaamheidZelfredzaamheid geeft aan in welke mate mensen in het effectgebied in staat zijn zich op eigen kracht in veiligheid te brengen.

 

 

 

 

Kenniscentrum InfoMil