Stap 4: formuleren van de considerans en de voorschriften

Stap 4: formuleren van de considerans en de voorschriften

Veiligheid

Inhoud pagina: Stap 4: formuleren van de considerans en de voorschriften

In deze laatste stap wordt de vergunning opgesteld. De vergunningverlener formuleert de considerans en de voorschriften, die worden opgenomen in de (ontwerp) beschikking.

Hieronder is een aantal typen voorschriften weergegeven die niet zijn toegestaan: Het is van belang om de aspecten die de ligging van de plaatsgebonden risicocontour bepalen, vast te leggen in de milieuvergunning. Het kan hierbij enerzijds gaan om die aspecten die zijn opgenomen in de afstandstabellen in de Revi. In het geval van LPG-tankstations bepalen de ligging van het vulpunt en de doorzet bijvoorbeeld de ligging van de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar. Anderzijds gaat het hierbij om de essentiële onderdelen uit de QRA. In stap 3 is uitgebreider op dit onderwerp ingegaan.

In de considerans en de voorschriften wordt aandacht besteed aan de afwegingen en uitkomsten uit de voorgaande stappen. Omdat deze overwegingen sterk afhankelijk zijn van de specifieke kenmerken van de inrichting, zijn aandachtspunten en voorbeelden opgenomen in de betreffende werkbladen.

IPO Kaderstelling
Met het interprovinciaal project Kaderstelling vergunningverlening zorgen de provincies voor een uniforme wijze van vergunningverlening. Hiervoor hebben de provincies standaardteksten voor de considerans en voorschriften vastgesteld voor alle milieuthema's inclusief Externe Veiligheid. Deze standaard teksten zijn op de webpagina IPO Kaderstelling geplaatst en zijn ook te gebruiken door gemeenten en milieudiensten.
Het verdient aanbeveling om bij het constateren van fouten in of  voor suggesties over de standaardteksten contact te zoeken met de specialistenwerkgroep EV van IPO Kaderstelling.

Stap 4: Formuleren van de considerans en de voorschriften

Ondanks de beschikbaarheid van standaardvoorschriften via het project IPO kaderstelling, is door de complexiteit van de materie vaak maatwerk noodzakelijk. De volgende drie onderwerpen verdienen echter aandacht bij het formuleren van de considerans en voorschriften:

  1. Voorschriften die niet zijn toegestaan.
  2. Het opnemen van aspecten die de ligging van de risicocontour bepalen.
  3. Het opnemen van de risicocontour zelf in de voorschriften.

1. Voorschriften die niet zijn toegestaan

  • Voorschriften die afhankelijk zijn van een beoordeling in de toekomst, zijn niet toegestaan. Deze bieden onvoldoende rechtszekerheid. Om dezelfde reden is het niet toegestaan bij nieuwe inrichtingen voor te schrijven, dat ná het van kracht worden van de vergunning, bijvoorbeeld middels een QRA, bewezen moet worden dat aan de normen kan worden voldaan. Dan ontstaat immers het probleem, dat pas na vergunningverlening duidelijk wordt wat de impact van de voorschriften is voor de exploitatie van de inrichting.
  • Alleen beperkingen stellen aan de hoeveelheden aanwezige gevaarlijke stoffen is evenmin toegestaan. Veelal worden gevaarlijke stoffen pas echt gevaarlijk als er handelingen mee worden verricht of als ze in één zeer groot insluitsysteem of PGS 15 loods (bulk) worden opgeslagen. Er moeten daarom altijd voorschriften ten aanzien van deze laatste onderwerpen worden toegevoegd.
Beperken van de hoeveelheid stoffen 
Het beperken van hoeveelheden is wel van belang om de afbakening tussen de vergunningplicht en algemene regels (8.40-AmvBs) expliciet te maken. Ten behoeve van een uniforme werkwijze en uitvoering van het beleid zal zoveel mogelijk aansluiting gezocht moeten worden met de 8.40 AmvB's. Sommige AmvB's stellen voor hun toepassingsgebied beperkingen aan de hoeveelheid aanwezige gevaarlijke stoffen. Daarnaast kan het weergeven van de hoeveelheid een rol spelen als die hoeveelheid bepalend is voor de ligging van de risicocontour.

Een groot deel van de bedrijven valt onder het Activiteitenbesluit. Om deze reden wordt onderstaand een overzicht gegeven voor welke activiteiten aangesloten kan worden bij de activiteiten opgenomen in de hoofdstukken 3  en 4 van het Activiteitenbesluit. De voorschriften voor de activiteiten opgenomen in hoofdstuk 3 gelden naast de omgevingsvergunning en zijn van rechtswege van toepassing.

Activiteiten hoofdstuk 3:

  • afleveren van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas (geen aflevering onder het vloeistofniveau), de voorschriften van artikel 4.6 gelden bij deze inrichting ook naast de vergunning als het gaat om de opslag van maximaal 3.000 liter gasolie, smeerolie en afgewerkte olie
  • opslaan van propaan in niet meer dan twee bovengrondse opslagtanks met elk een inhoud van maximaal 13m3, waarbij het gas in de gasfase wordt onttrokken
  • opslaan van vloeibare brandstof en afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks van metaal of kunststof van maximaal 150 m3

Activiteiten hoofdstuk 4:

  • opslaan van vloeibare brandstof in een bunkerstation, ten hoogste 25 m3
  • opslaan van stoffen ADR klasse 5.1 of klasse 8 verpakkingsgroepen II en III zonder bijkomend gevaar in bovengrondse opslagtanks, ten hoogste 10 m3
  • opslaan van PER bij een inrichting voor de reiniging van textiel ten hoogste 15 m3
  • opslaan van tetrahydrothiofeen bij een aardgasreduceerstation ten hoogste 5 m3
  • opslaan van gasolie of afgewerkte olie in bovengrondse tanks
    - ten hoogste 150 m3
    - ten hoogste 15 m3 per opslagruimte indien inpandig
  • opslaan van halfzware olie bij een landbouwinrichting of glastuinbouwbedrijf ten hoogste 1,5 m3
  • opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking tot 10.000 kg per opslagvoorziening
    - ten hoogste 1.500 liter ammoniak in gasflessen
    - ten hoogste 1.500 liter ethyleenoxide in gasflessen
    - verstikkende, oxiderende, brandbare gassen, samengeperst lucht of koelgas in gasflessen
  • opslaan van vuurwerk en andere ontplofbare stoffen
    - ten hoogste 25 kg theatervuurwerk
    - ten hoogste 1.000 kg consumentenvuurwerk
    - ten hoogste 25 kg in beslag genomen vuurwerk vergelijkbaar met consumentenvuurwerk bij politiebureaus
    - ten hoogste 1 kg zwart kruit
    - ten hoogste 50 kg rookzwak kruit
    - ten hoogste 50 kg netto explosieve massa noodsignaal
    - ten hoogste 250.000 munitiepatronen of hagelpatronen of onderdelen daarvan voor vuurwapens
    - ten hoogste 250.000 patronen t.b.v. schiethamers
  • opslaan van zuurstof ten hoogste 25 m3, koolzuur, lucht, argon, helium en stikstof in opslagtanks
  • parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen
  • het vullen van gasflessen:
    - met koolzuur of stikstof
    - met propaan of butaan vanuit een gasfles van maximaal 150 l met een inhoud kleiner dan 12 l
    - met perslucht d.m.v. een compressor
  • Ten slotte is het niet toegestaan bepalingen op te nemen waarvoor voor de naleving ervan medewerking van derden buiten de inrichting is vereist. Denk aan voorschriften waarin geëist wordt, dat derden de vluchtwegen vrijhouden of dat de brandveiligheidsituatie na vergunningverlening nog goedkeuring behoeft van de brandweer.

2. Het opnemen van aspecten die de ligging van de risicocontour bepalen

3. Het opnemen van een risicocontour en de oriënterende waarde voor het groepsrisico in de voorschriften

Het opnemen van een contour voor het plaatsgebonden risico is mogelijk. Dit is een doelvoorschrift bij uitstek en heeft als voordeel, dat flexibiliteit wordt geboden aan de drijver van de inrichting. De motivering is echter zeer belangrijk. De drijver van de inrichting moet immers daadwerkelijk aan deze norm kunnen voldoen. Daarbij moet de contour overeenstemmen met wat is aangevraagd. Een te ruime contour vergunnen is niet in het belang van de bescherming van het milieu en dus niet toelaatbaar, een te krappe contour komt neer op een gedeeltelijke weigering en kan in sommige gevallen om die reden niet toelaatbaar zijn.

Een analogie kan worden getrokken met geluidscontouren in de omgevingsvergunning, waarmee al geruime tijd ervaring is. Een kanttekening is hierbij wel op zijn plaats. In de geluidssystematiek wordt aan de hand van maximale geluidsniveaus op referentiepunten de contour vastgelegd. De contour is te controleren door middel van een geluidsmeting of -berekening. Bij risicocontouren is directe controle niet mogelijk, aangezien deze aan de hand van een complexe berekening met veel aannames en marges worden bepaald. Daarom is het bij externe veiligheid noodzakelijk, dat tevens voorschriften worden opgenomen met betrekking tot de aanwezigheid en de prestaties van de meest essentiële maatregelen en voorzieningen die de contour bepalen.

In de omgevingsvergunning kan gewerkt worden met een meer flexibele constructie. Indien in de aanvraag wordt aangegeven welke essentiële maatregelen en voorzieningen de contour bepalen, kunnen deze onderdelen van de aanvraag onderdeel worden gemaakt van de vergunning. Daaraan wordt een goedkeuringsbepaling gekoppeld. Indien de vergunninghouder de essentiële maatregelen en voorzieningen wil wijzigen, dan moet deze vooraf een plan ter goedkeuring aan het bevoegd gezag overleggen. Die toetst dan vervolgens of het aannemelijk is, dat tengevolge van de voorgenomen wijziging de contour niet verandert. In de voorschriften moet ook zijn bepaald, dat de vergunninghouder zich dient te houden aan de goedgekeurde wijzigingen.
Het opnemen van de oriënterende waarde voor het groepsrisico als voorschrift in de vergunning is juridisch niet mogelijk. Het voldoen aan deze waarde ligt te ver buiten de macht van de drijver van de inrichting, aangezien dit in grote mate afhankelijk is van de aanwezigheid van (beperkt) kwetsbare objecten in de omgeving. Het waarborgen van de uitgangspunten van de verantwoording van het groepsrisico is daarom met name van belang bij het opstellen van het bestemmingsplan.

 

Kenniscentrum InfoMil