Werkblad Brzo
Veiligheid
Inhoud pagina: Werkblad Brzo
Dit werkblad is van toepassing op inrichtingen die vallen onder het Besluit Risico's Zware Ongevallen 1999 (Brzo). Het Brzo maakt onderscheid tussen:
- Een lichte categorie bedrijven (aangeduid als PBZO-plichtige bedrijven) (deze moeten een PBZO document opstellen en een VBS invoeren (PBZO=Preventiebeleid zware ongevallen) (VBS= Veiligheidsbeheersysteem)
- Een zware categorie bedrijven, (aangeduid als VR-plichtige-bedrijven) (deze moeten een VR en een PBZO-document opstellen en een VBS invoeren (VR=veiligheidsrapportage).
Bij Brzo-bedrijven kunnen zich alle mogelijke ongevallen voordoen met kleine en ook zeer grote effecten tot kilometers buiten de terreingrens van het bedrijf. Voor een omschrijving van mogelijke effecten en maatregelen wordt verwezen naar de bijlage 2: stoffen, effecten en maatregelen. Alle Brzo inrichtingen vallen onder het Bevi (artikel 2, onder 1.a).
Inrichtingen die onder het Brzo vallen moeten een kennisgeving indienen (bij oprichting). In deze kennisgeving zijn onder andere algemene gegevens over de inrichting opgenomen (naam, adres etc.) en de activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden beschreven. Tevens bevat de kennisgeving informatie over de hoeveelheden van aanwezige stoffen in de inrichting, per categorie uit het Brzo (bijlage 1, deel 1 en 2 van het Brzo). Zie artikel 26 van het Brzo voor de informatie die de kennisgeving dient te bevatten.
Achtergrondinformatie |
Belangrijkste wet- en regelgeving
- Besluit risico's zware ongevallen 1999
- Regeling risico's zware ongevallen 1999 (o.a. de QRA, de installatiescenario's en het PBZO document)
- Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
- Regeling externe veiligheid binnen inrichtingen (Revi)
Inrichtingen die onder het Brzo vallen moeten een kennisgeving indienen (bij oprichting). In deze kennisgeving zijn onder andere algemene gegevens over de inrichting opgenomen (naam, adres etc.) en de activiteiten die binnen de inrichjting plaatsvinden beschreven. Tevens bevat de kennisgeving informatie over de hoeveelheden van aanwezige stoffen in de inrichting, per categorie uit het Brzo (bijlage 1, deel 1 en 2 van het Brzo). Zie artikel 26 van het Brzo voor de informatie die de kennisgeving dient te bevatten.
PBZO-plichtige bedrijven
In artikel 4 van het Brzo is vastgelegd welke inrichtingen verplicht zijn een preventiebeleid en een veiligheidsbeheerssysteem in te voeren. Het betreft hier inrichtingen waarin gevaarlijke stoffen volgens de vergunning aanwezig mogen zijn of door het onbeheersbaar worden van een industrieel chemisch proces kunnen worden gevormd, in met name genoemde hoeveelheden. Deze hoeveelheden zijn opgenomen in bijlage I van het Brzo. Deel 1 van deze bijlage bevat drempelwaarden voor met name genoemde stoffen. Deel 2 bevat drempelwaarden voor stoffen, per gevaarscategorie van een stof (bijvoorbeeld giftig, zeer giftig, ontvlambaar etc.). Het gaat om de volgende hoeveelheden (PBZO drempelwaarde, deze wordt ook wel de "lage"drempelwaarde genoemd):
- ≥ de hoeveelheid vermeld bij de desbetreffende stof of categorie in deel 1, tweede kolom, dan wel deel 2, tweede kolom van bijlage I;
- in kleinere dan de onder a bedoelde hoeveelheden, waarvan de som na toepassing van de formule die in deel 3 van bijlage I is weergegeven, gelijk is aan of groter is dan de daar genoemde waarde.
De genoemde formule wordt ook wel sommatieregel genoemd. De genoemde drie categorieën van gevarenklassen ((zeer) giftig, ontvlambaar/ oxiderend/ explosief en schadelijk/ giftig voor het watermilieu) hebben elk hun eigen drempelwaarde. De waarde van de categorieën moeten niet worden opgeteld! Zodoende geldt bijvoorbeeld voor een inrichting die een hoeveelheid stoffen opgeslagen heeft met een fractie (som van qx/Qhx) van de drempelwaarde (tweede kolom) voor (zeer) giftig van 0.99, ontvlambaar/ oxiderend/ explosief van 0.99 en schadelijk/ giftig voor het watermilieu van 0.99 nog steeds dat deze inrichting niet onder het Brzo valt. Immers alle hoeveelheden van de drie categorieën van stoffen blijven nog onder de drempelwaarden.
Indien een gevaarlijke stof of groep van gevaarlijke stoffen genoemd in bijlage I, deel 1, tevens behoort tot een categorie genoemd in bijlage I, deel 2, geldt de in deel 1 bij die stof of groep van stoffen vermelde drempelwaarde. Bij sommatie wordt vervolgens wel uitgegaan van de bij de stof behorende categorie genoemd in deel 2.
VR-plichtige bedrijven
In artikel 8 van het Brzo is vastgelegd welke inrichtingen VR-plichtig zijn. Het betreft hier inrichtingen waarin gevaarlijke stoffen volgens de vergunning aanwezig mogen zijn of door het onbeheersbaar worden van een industrieel chemisch proces kunnen worden gevormd, in met name genoemde hoeveelheden. Deze hoeveelheden zijn opgenomen in bijlage I van het Brzo. Het gaat om de volgende hoeveelheden( De VR drempelwaarde, deze wordt ook wel de "hoge"drempelwaarde genoemd):
- ≥ de hoeveelheid vermeld bij de desbetreffende stof of categorie in deel 1, derde kolom, dan wel deel 2, derde kolom van bijlage I;
- in kleinere dan de onder a bedoelde hoeveelheden, waarvan de som na toepassing van de formule die in deel 3 van bijlage I is weergegeven, gelijk is aan of groter is dan de daar genoemde waarde.
Indien een gevaarlijke stof of groep van gevaarlijke stoffen genoemd in bijlage I, deel 1, tevens behoort tot een categorie genoemd in bijlage I, deel 2, geldt de in deel 1 bij die stof of groep van stoffen vermelde drempelwaarde.
Samenvattend: alle Brzo-bedrijven moeten een PBZO en VBS hebben, de VR-bedrijven ook nog een VR (Veiligheidsrapportage). |
Uitzonderingen (Artikel 2 van het Brzo)
Het Brzo is niet van toepassing op:
- Inrichtingen in gebruik bij de krijgsmacht;
- Inrichtingen waarvoor een vergunning is vereist of algemene voorschriften gelden krachtens de Kernenergiewet;
- Inrichtingen waarop de Mijnwet 1903 van toepassing is;
- Inrichtingen waarop de Mijnwet continentaal plat van toepassing is;
- Inrichtingen voor het op of in de bodem brengen van afvalstoffen om ze daar te laten;
- Inrichtingen die geheel of nagenoeg geheel zijn bestemd voor de opslag in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen, al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten (zie werkblad Opslag gevaarlijke stoffen in emballage);
- Spoorwegemplacementen, voor zover zij geen onderdeel zijn van een inrichting waarop het Brzo van toepassing is (zie werkblad Spoorwegemplacementen).
Richtlijnen
- PGS 6: Aanwijzingen voor implementatie van Brzo 1999
- Handleidingen: Handleiding Risicoberekeningen Bevi versie 3.2
- NPR's bijvoorbeeld betreffende gas- en stofontploffingsgevaar (NPR 7910-1 respectievelijk NPR 7910-2)
- Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico
Informatiebronnen
- Werkwijzer BRZO II
- Integrale aanpak van risico's van onvoorziene lozingen, Commissie Integraal waterbeheer, februari 2000
- Inspectie & Beoordelingsprotocol voor de Brandweer (IBBB)
- IPO Kennisdocument industriële procesbeveiligingen
- IPO Kennisdocument bulk op- en overslag in tanks
- Nieuwe Inspectie Methodiek (NIM)
- Nederlandse Technische Afspraak normering veiligheidsbeheerssystemen (NTA)
- webpagina BRZO website InfoMil
- website LAT
- webpagina Brzo website Relevant
- website Landelijk Steunpunt externe veiligheid van DCMR
- Handreiking RO en Milieu (hoofdstuk EV)
- LAT
De Landelijke Aanpak Toezicht (LAT) Risicobeheersing Bedrijven is in januari 2011 van start gegaan als opvolger van LAT BRZO en VT Chemie. De LAT werkt aan de verdere verbetering van het toezicht op risicovolle bedrijven. De ambitie is te komen tot een optimale risicobeheersing bij bedrijven op het gebied van veiligheid, arbo, milieu en water. Om de ambitie waar te maken zorgt de LAT voor landelijke coördinatie en regie en voor de ontwikkeling van instrumenten ten behoeve van uniformiteit in de uitvoering. De LAT is een programma 'voor en door' overheden: alle betrokken overheidspartijen zijn in de programmaorganisatie vertegenwoordigd. De LAT heeft een eigen website:www.latrb.nl.
Stap 1: vooroverleg en informatieverstrekking |
Advies brandveiligheid
Zie werkblad werkblad Advies brandweer.
VR-plichtige bedrijven
De brandweer is actief betrokken bij het opstellen van het oordeel over het veiligheidsrapport. Het Besluit rampbestrijdingsplannen inrichtingen bepaalt dat voor VR-plichtige bedrijven door de burgemeester een rampbestrijdingsplan moet worden opgesteld ingevolge de Wet Rampen en zware ongevallen.
Advies (extern) deskundigen
Voor extern advies over de aanvaardbaarheid van de risico's en de te nemen maatregelen kunt u inschakelen:
- RIVM/Centrum Externe Veiligheid (CEV)
- DCMR Milieudienst Rijnmond (Landelijk Steunpunt externe veiligheid)
Het landelijk steunpunt externe veiligheid kan ook advies geven over het gewenste inspectieprogramma. Bij het beoordelen van het maatregelen- en voorzieningenniveau wordt overlegd met de vergunningverlener die gespecialiseerd is in Brzo bij het bevoegd gezag en de inspecteur van de arbeidsinspectie. Het is verplicht ook de waterkwaliteitsbeheerder bij VR-plichtige inrichtingen, voor zover het de milieurisicoanalyse (MRA) betreft, in te schakelen. In het kader van het Brzo is het bevoegd gezag Waterwet wettelijk adviseur voor de toetsing van het veiligheidsrapport.
Omgeving van de inrichting/installatie
- Liggen er kwetsbare en/of beperkt kwetsbare bestemmingen in de omgeving van de inrichting of zijn die in de toekomst al dan niet te verwachten (geprojecteerde bestemmingen)? Check dit bij de afdeling die verantwoordelijk is voor Ruimtelijke Ordening.
- Welke andere risicovolle activiteiten zijn in de omgeving aanwezig? Het kan gaan om:
- Gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en met buisleidingen;
- Voor externe veiligheid relevante bedrijven.
Deze informatie is van belang voor het in acht nemen van gewenste afstanden tot deze activiteiten.
Aandachtspunten bij de toepassing van het Brzo
Het bedrijf dient een ingevolge artikel 6 van het Brzo bij significante verandering van de inrichting een Kennisgeving hieromtrent bij het bevoegd gezag in te dienen. Aandachtspunten hierbij zijn:
- Gevaarlijke stoffen: vaak dezelfde stoffen aanwezig of regelmatige wisseling van stoffen binnen de inrichting?
- Opgeslagen, gebruikte en/of verbruikte gevaarlijke stoffen (officiële stofnaam, maximaal binnen de inrichting aanwezige hoeveelheid stof, gevarenklasse ingevolge de Wet gevaarlijke stoffen).
Het bevoegd gezag moet voor domino-effecten tussen Brzo bedrijven onderling met het Instrument Domino Effecten (IDE, mei 2003 van het RIVM) bepalen of het risico als gevolg van dominoeffecten relevant is. Indien dit relevant is zijn een aantal afstemmingsverplichtingen van toepassing (artikel 7 Brzo).
Aandachtspunten voor alle Brzo bedrijven in relatie tot PBZO
- Een Preventiebeleid ter voorkoming van zware ongevallen, vastgelegd in een PBZO-document (zie voor exacte tekst het Brzo, artikel 5 ). De inrichtinghouder stelt het PBZO-document op.
- De opzet en invoering van het veiligheidsbeheerssysteem met procedures en verwijzingen naar risico-identificatie, het bepalen van maatregelen (procedure voor afweging ALARA/BBT), het omgaan met wijzigingen, het veilig uitvoeren van onderhoud;
- Veiligheidsbeheerssysteem dat ten minste de onderdelen uit bijlage II van het Brzo bevat. (Op grond van PGS 6 is een beschrijving van het VBS geen verplicht onderdeel van de aanvraag).
Aandachtspunten specifiek voor VR-plichtige bedrijven
- Veiligheidsrapport dat ten minste de onderdelen uit bijlage III van het Brzo bevat ( De inrichtinghouder stelt het VR op);
- Bij VR-plichtige inrichtingen dient een actueel Veiligheidsrapport op de inrichting beschikbaar te zijn. Een nieuw of op basis van veranderde risico's gewijzigd VR moet ter beoordeling aan het bevoegde gezag toegezonden worden;
- In PGS 6 (tabel 5A-5E) is met een * aangegeven welke informatie voor VR-plichtige bedrijven onderdeel uit moeten maken van de aanvraag voor een omgevingsvergunning;
- Wijzigingen of aanvullingen op de omgevingsvergunning kunnen relevant zijn voor het Veiligheidsrapport.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning die VR-plicht tot gevolg heeft vindt indiening en beoordeling van het VR in twee fasen plaats:
- Bij het verlenen van de omgevingsvergunning worden de externe veiligheidsrisico's en de milieurisico's beoordeeld. In een VR geschreven conform PGS 6 zijn dit de onderdelen die in PGS 6 met een astrix (*) zijn aangegeven. Deze onderdelen (van een toekomstig VR) dienen aan de aanvraag toegevoegd te worden. Het is aan te bevelen tijdens het vergunningverleningsproces overeenstemming te krijgen met de verschillende overheidsinstanties over deze ‘gesterde' delen. Als de omgevingsvergunning van kracht is, is het bedrijf ook daadwerkelijk VR-plichtig en moet een VR hebben.
- Artikel 13.2 van het Brzo zegt dat het bedrijf voordat de inrichting of een onderdeel daarvan in bedrijf wordt genomen het VR (of een aanvulling daarop) aan het coördinerende bevoegde gezag moet toezenden. De toets die daarop plaatsvindt is voor het bevoegde gezag daarmee in feite een tweede beoordeling. Deze laatste beoordeling is voor de andere overheidspartijen natuurlijk wel de enige officiële (en gezamenlijke) beoordeling. Bij die gezamenlijke beoordeling mag indien gewenst een inspectie ter plaatse worden afgenomen.
Aandachtspunten bij de beoordeling van de risico's van een Brzo-inrichting
Algemeen
- Procesvoering: organisatorisch en technisch (inclusief de organisatie van het beheer en de bediening van de installatie);
- Gevaarlijke stoffen die kunnen ontstaan als gevolg van processen die binnen de inrichting plaatsvinden;
- De inhoud van het VR, waaronder de door het bedrijf gedefinieerde scenario's dient vooraf, door een team bestaande uit bevoegd gezag, arbeidsinspectie en brandweer, op juistheid en volledigheid te worden beoordeeld.
Aandachtspunten kwantitatieve risicoanalyse (QRA)
Op grond van het Bevi moeten alle Brzo inrichtingen een QRA laten uitvoeren. De eisen die aan de QRA worden gesteld zijn voor PBZO-inrichtingen en VR-inrichtingen gelijk. De QRA dient uitgevoerd te worden volgens de rekenmethodiek Bevi. Deze rekenmethodiek bestaat uit het rekenprogramma Safeti-NL en de Handleiding Risicoberekening Bevi (momenteel is de actuele versie van de handleiding versie 3.2). De handleiding en meer informatie over Safeti-NL zijn te vinden op de RIVM site.
Tevens is er een handleiding voor de modellering van gasflessen: Modellering gascilinders in de Handleiding Risicoberekening Bevi concept versie 1.4.
Duidelijk dient te zijn welke delen uit de inrichting moeten worden opgenomen in de QRA. Vraag om inzicht in welk scenario de grootste bijdrage levert aan het plaatsgebonden risico en/ of groepsrisico. Met dit inzicht wordt het eenvoudiger om met maatregelen te kunnen onderzoeken die het risico kunnen verminderen.
Aandachtspunten specifiek voor VR-plichtige bedrijven
De wijze waarop het bedrijf omgaat met de bevindingen van Brzo-inspecties van maatregelen (Line of Defence, LOD' s) die zijn omschreven in het veiligheidsrapport. Welke verbeterpunten en gemaakte afspraken tijdens Brzo-inspecties gaat het bedrijf vastleggen in het veiligheidsrapport of de vergunningaanvraag?
NB: Dit geldt alleen voor een revisievergunning; voor een oprichtings- of veranderingsvergunning is dit niet mogelijk).
Specifieke maatregelen en voorzieningen
In algemene zin zijn geen specifieke maatregelen en voorzieningen voor Brzo-inrichtingen te benoemen. Deze zijn specifiek per inrichting.
Overige technische en organisatorische aandachtspunten.
Zie bijlage 2: Stoffen, effecten en maatregelen. Hierin is informatie opgenomen over stoffen, effecten en voorbeelden van preventieve en effectgerelateerde maatregelen.
In het werkblad Procesindustrie zijn specifieke technische en organisatorische maatregelen genoemd voor de procesindustrie.
Stap 2: beoordelen van vergunbaarheid: aanvaardbaarheid van risico's |
Voor inrichtingen die onder het Brzo vallen moet een QRA worden opgesteld. Zie werkblad Bevi stap 2 niet-categoriale inrichtingen.
Stap 3: beoordelen van vergunbaarheid: bepalen van noodzakelijke maatregelen |
De vergunningverlener beoordeelt of het gewenste voorzieningenniveau uit de van toepassing zijnde PGS-richtlijnen kan worden gerealiseerd. Zoniet, dan wordt beoordeeld of een vergelijkbaar beschermingsniveau kan worden gerealiseerd door het treffen van alternatieve maatregelen. Als op de betreffende activiteit geen PGS-richtlijn van toepassing is, dan is de beoordeling van voorzieningen en maatregelen een kwestie van gezond verstand. De vergunningverlener moet er van overtuigd zijn dat met de voorgestelde en eventueel nog extra voorgeschreven voorzieningen en maatregelen het risico tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht. Zie ook werkblad Advies brandweer.
Het groepsrisico dient verantwoord te worden zoals beschreven in Artikel 12 van het Bevi. Alle stappen moeten doorlopen worden.
Stap 4: formuleren van de considerans en de voorschriften |
Algemene aanbevelingen voor de formulering van de considerans en voorschriften voor het aspect externe veiligheid en specifiek het Bevi vindt u in stap 4 van de wegwijzer. Algemeen geldt dat in de considerans moet worden ingegaan op het advies van de waterkwaliteitsbeheerder, de brandweer en de Arbeidsinspectie. Zie hiervoor ook het werkblad Advies brandweer.
Aandachtspunten voor voorschriften
- Zie het werkblad Procesindustrie en tevens de overige van toepassing zijnde werkbladen
Risico-inventarisatie en Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS)
Zie de Leidraad Risico-inventarisatie en het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen. De vergunningverlener moet ervoor zorgdragen dat de vereiste gegevens door de aanvrager worden verstrekt en vervolgens in het RRGS worden opgenomen (zie stap 1b: welke informatie kan worden verlangd?).

