Werkblad Drukhouders
Veiligheid
Inhoud pagina: Werkblad Drukhouders
In dit werkblad is informatie opgenomen over de opslag van stoffen onder druk in opslagtanks (druktanks) en cilinders (gasflessen). Bij brand nabij een grotere opslagtank gevuld met een brandbaar gas is het optreden van een BLEVE een risico. Bij ontsteking ontstaat een explosieve verbranding met grote warmtestraling en een schokgolf met letale effecten tot enkele tientallen meters. Voor een nadere omschrijving van deze effecten en mogelijke maatregelen verwijzen we naar bijlage 2 (stoffen, effecten en maatregelen) in het achtergronddocument.
Achtergrondinformatie |
Belangrijkste wet- en regelgeving
- Warenwetbesluit drukapparatuur 1999, Nederlandse implementatie van de Pressure Equipment Directive (97/23/EC)
- Warenwetregeling drukapparatuur
- Wijziging I Regeling besluit drukapparatuur (keuring voor ingebruikname)
- Wijziging II Regeling besluit drukapparatuur (gebruiksfase)
- Regeling vervoerbare drukapparatuur (hierin zijn de eisen voor keuring van gasflessen en verwisselbare LPG-wisselreservoirs geregeld)
- Besluit Risico's Zware Ongevallen 1999 (Brzo): zie het werkblad Brzo
- Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
- Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), zie artikel 1b van het Revi
- Handleiding Risicoberekeningen Bevi versie 3.2 en, specifiek voor gascilinders, Modellering gascilinders uit Handleiding Risicoberekeningen Bevi concept versie 1.4
Het betreft:
- inrichtingen waar meer dan 1.500 kg ammoniak in een insluitsysteem aanwezig is, niet zijnde een onderdeel van een koel- of vriesinstallatie met ammoniak
- inrichtingen waar meer dan 150m3 zeer licht ontvlambare of licht ontvlambare vloeistof in een bovengronds insluitsysteem aanwezig is
- inrichtingen waar meer dan 13m3 propaan of meer dan 13m3 acetyleen in een insluitsysteem aanwezig is
- inrichtingen waar een vergiftige of zeer vergiftige stof in een insluitsysteem met een inhoud van meer dan 1.000 liter aanwezig is
- inrichtingen waar in enige opslagvoorziening een vergiftige of zeer vergiftige stof in gasflessen aanwezig is en waarbij de totale waterinhoud van de gasflessen met vergiftige of zeer vergiftige inhoud in die opslagvoorziening meer bedraagt dan 1.500 liter, en
- inrichtingen waar aardgasdruk gereduceerd wordt of aardgashoeveelheid gemeten wordt, voor zover de gastoevoerleiding een grotere diameter heeft dan 20 inch.
Richtlijnen
- PGS 15: Opslag verpakte gevaarlijke stoffen (hoofdstuk over gasflessen)
- PGS 9: Vloeibare zuurstof, opslag van 0,45-100 m3
- PGS 10: Vloeibaar zwaveldioxide, opslag en gebruik
- PGS 12: Ammoniak, opslag en verlading
- PGS 19: Opslag van propaan
Informatiebronnen
- website ministerie SZW (voor informatie over drukapparatuur, regelgeving en keuringen)
- IPO Kennisdocument bulk op- en overslag in tanks
- IPO kennisdocument industriële procesbeveiligingen
- Handleiding PGS 15
- www.stoffenbeleid.nl (website met informatie over stoffen)
- Handreiking RO en Milieu (hoofdstuk EV)
Stap 1: vooroverleg en informatieverstrekking |
Advies brandveiligheid
Zie werkblad Advies brandweer.
Omgeving van de inrichting/installatie
- Liggen er kwetsbare en/of beperkt kwetsbare bestemmingen in de omgeving van de inrichting of zijn die in de toekomst al dan niet te verwachten (geprojecteerde bestemmingen)? Check dit bij de afdeling die verantwoordelijk is voor Ruimtelijke Ordening.
- Welke andere risicovolle activiteiten zijn in de omgeving aanwezig? Het kan gaan om:
- Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en met buisleidingen,
- Voor externe veiligheid relevante bedrijven.
Deze informatie is van belang voor het in acht nemen van gewenste afstanden tot deze activiteiten.
Aandachtspunten voor de bepaling van het risico
A) Indien de inrichting vergunningplichtig is, maar niet onder het Bevi valt wordt aanbevolen om de onderzoeken voor het bepalen van de risico's toch volgens dezelfde afspraken, richtlijnen en documenten te doen als bij Bevi inrichtingen, ten zij er een goede reden is om een andere benadering te kiezen.
Voor propaantanks kan bijvoorbeeld worden aangesloten worden bij de afstanden uit het Barim (artikel 3.28).
In het document "Afstandentabel propaanreservoirs" van 24 juli 2006 staan risicoafstanden tot propaanreservoirs en maximale personendichtheden voor de omgeving van de reservoirs. Dit moet worden beschouwd als hulpmiddel bij de vergunningverlening. Het heeft geen wettelijke status en zal worden vervangen door de rekenmethodiek van 29 maart 2010. Deze richtlijn, voor inrichtingen waar meer dan 13m3 propaan of meer dan 13 m3 acetyleen in een insluitsysteem aanwezig is, is nog niet voorgeschreven.
Voor propaantanks welke niet onder het Activiteitenbesluit vallen en waarop het Bevi eveneens niet van toepassing is, bijvoorbeeld wanneer vloeistofafname plaatsvindt vanuit een tank met een inhoud kleiner dan 13 m3, kan het bevoegd gezag de vergunningaanvrager verzoeken een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) bij de aanvraag te voegen.
B) Indien de inrichting onder het Bevi valt en het een niet categoriale inrichting is, moet er een QRA opgesteld worden m.b.v. de Handleiding risicoberekeningen Bevi versie 3.2.
Voor interne afstanden zijn de afstanden van de PGS publicaties geschikt.
Aandachtpunten ter bepaling van de toegestane opslagsituatie en de benodigde maatregelen
- Soort gas (gevaarsaspecten, giftig, brandbaar etc.) dat binnen de inrichting in de drukhouders wordt opgeslagen
- Maximale hoeveelheid gas (per soort) dat in drukhouders wordt opgeslagen;
- Maximaal inhoud per soort gas per drukhouder
- Aantal drukhouders
- Maximaal toelaatbare druk drukapparaat
- Welke veiligheidsvoorzieningen zijn getroffen (bijvoorbeeld: wel/geen overdrukbeveiliging, veiligheidssignalering etc.)
- Opslagwijze: binnen/ buiten, in kast, kluis of opslaggebouw
- Locatie van de opslag t.o.v. gebouwen, andere opslagen etc.
- Afstanden tot interne en externe gevoelige objecten en/of opslagen gevaarlijke stoffen.
Specifieke maatregelen en voorzieningen
Onderstaande maatregelen en voorzieningen zijn ingedeeld volgens het vlinderdasmodel zoals beschreven in bijlage 2 (stoffen, effecten en maatregelen). Genoemde maatregelen zijn conform PGS 9, 10, 12, 15 en 19.
Technische preventieve maatregelen
- Elektrische installaties (conform gevarenzone indeling, valt onder Arbobesluit)
- Maatregelen ter voorkoming van extreme drukverhoging (door opwarming of anderszins)
- Aanrijdbeveiliging
- Van afstand bedienbare inblokvoorzieningen
- Corrosiebescherming
- Veiligheidssignalering (zoals alarmering in operatorruimte)
- Toegankelijkheid locatie en installatie(s)
- Gasdetectie.
Organisatorische preventieve maatregelen
- Aanduidingen en gevaarsborden (waaronder ook soort gas in de gasfles)
- Instructie, voorlichting en organisatorische maatregelen
- Handling
- Specifiek keuringsregime drukapparatuur bij ingebruikname en periodiek (valt onder Warenwetbesluit drukapparatuur):
- Wel/ geen gebruikerskeuringsdienst aanwezig binnen inrichting
- Verklaring van ingebruikname bij goedkeuring en verklaring van herkeuring.
Technische effect- en schadebeperkende maatregelen
- Brandpreventie en -bestrijding waaronder sprinkler om ook toxische of explosieve wolk neer te slaan en in koeling van druktanks te voorzien bij warmte- aanstraling door brand
- Ventileren of juist inpandig plaatsen in verband met toxische wolkvorming
- Opvangvoorzieningen.
Organisatorische effect- en schadebeperkende maatregelen
- Bereikbaarheid
- Instructie, voorlichting en organisatorische maatregelen.
Overige technische en organisatorische aandachtspunten
Zie bijlage 1 van het werkbladen document (Technische en organisatorische aandachtspunten/maatregelen) en bijlage 2: Stoffen, effecten en maatregelen. Hierin is informatie opgenomen over stoffen, effecten en voorbeelden van preventieve en effectgerelateerde maatregelen.
Stap 2: beoordelen van vergunbaarheid: aanvaardbaarheid van risico's |
Opslag- en opstelplaatsen voor gasflessen
Indien de inrichting niet onder het Bevi valt: De vergunbaarheid kan bepaald worden door te toetsen of voldaan kan worden aan de afstanden in de eerder genoemde richtlijnen en documenten (incl. aansluiting op eisen Activiteitenbesluit).
Indien de inrichting onder het Bevi valt: Aan de hand van de QRA kan de vergunbaarheid van de activiteit voor wat betreft het plaatsgebonden risico worden getoetst conform het Bevi. Het groepsrisico dient verantwoord te worden conform het gestelde in het Bevi.
Overige drukhouders
Indien de inrichting niet onder het Bevi valt: aangesloten kan worden bij de afstanden uit de eerder genoemde richtlijnen en documenten.
Indien de inrichting onder het Bevi valt: aan de hand van de QRA kan de vergunbaarheid van de activiteit voor wat betreft het plaatsgebonden risico worden getoetst conform het Bevi. Het groepsrisico moet verantwoord worden conform het gestelde in het Bevi.
Stap 3: beoordelen van vergunbaarheid: bepalen van noodzakelijke maatregelen |
De vergunningverlener beoordeelt of het gewenste voorzieningenniveau kan worden gerealiseerd. Zie ook werkblad Advies brandveiligheid.
Stap 4: formuleren van de considerans en de voorschriften |
Algemene aanbevelingen voor de formulering van de considerans en voorschriften voor het aspect externe veiligheid en specifiek het Bevi vindt u de stappen 3.2 t/m 3.4 van de wegwijzer. Algemeen geldt dat u ook het advies van de brandweer in deze stap moet meenemen. Zie hiervoor het werkblad Advies brandveiligheid en/of het werkblad verantwoording groepsrisico in de considerans (in voorbereiding). Bij het opstellen van de considerans en de voorschriften gelden de aandachtspunten die in stap 1 zijn benoemd.
Gasontploffingsgevaar
Gasontploffing heeft een duidelijke relatie met de arboregelgeving. Zie hiertoe het Beleidsontwikkelingen externe veiligheid achtergronddocument hoofdstuk 2.3.
Risico-inventarisatie en Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS)
Zie de Leidraad Risico-inventarisatie en het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen. De vergunningverlener moet er voor zorgdragen dat de vereiste gegevens door de aanvrager worden verstrekt en vervolgens in het RRGS worden opgenomen (zie Stap 3).
