Werkblad Gasflessen vulstations
Veiligheid
Inhoud pagina: Werkblad Gasflessen vulstations
Toepassingsgebied
Dit werkblad is van toepassing op vulstations voor het vullen van gasflessen. Conform PGS 23 kunnen we de volgende typen vulstations onderscheiden:
- Type A: Vulstations voor het vullen van flessen met een waterinhoud van ten hoogste 12 liter. Het butaan en/of propaan waarmee de flessen worden gevuld is opgeslagen in flessen. De totale hoeveelheid butaan/propaan aanwezig in de vulplaats mag ten hoogste 300 liter bedragen.
- Type B: Vulstations voor het vullen van flessen met een waterinhoud van ten hoogste 12 liter. Het butaan en/of propaan waarmee de flessen worden gevuld is opgeslagen in één of twee boven- of ondergrondse reservoirs, elk met een waterinhoud van ten hoogste 8 m3.
- Type C: Vulstations voor het vullen van flessen met een waterinhoud van ten hoogste 150 liter. Het butaan en/of propaan waarmee de flessen worden gevuld is opgeslagen in boven- of ondergrondse reservoirs met een gezamenlijke waterinhoud van ten hoogste 50 m3.
- Type D: Vulstations voor het vullen van flessen met een waterinhoud van ten hoogste 150 liter. Het butaan en/of propaan waarmee de flessen worden gevuld is opgeslagen in reservoirs met een gezamenlijke waterinhoud van meer dan 50 m3. Dit type inrichting moet voldoen aan PGS 18 ‘Distributiedepots voor LPG.
- Vulstations voor spuitbussen met propaan, butaan en dimethyl-ether als drijfgas: Vulstations voor het vullen van spuitbussen vanuit reservoirs, containertanks of gasflessen (zie PGS 24). Voor het vullen vanuit gasflessen geldt dat de gezamenlijke inhoud van de gasflessen waarin het drijfgas in de vulplaats is opgeslagen ten hoogste 300 liter mag bedragen.
Opmerking: Een inrichting waarbij de vulactiviteit alleen bestaat uit het vullen van gasflessen met propaan of butaan met een inhoud kleiner dan 12 liter per stuk en vanuit een gasfles van maximaal 150 liter, valt onder het Activiteitenbesluit en is hiermee niet vergunningplichtig.
Risico's
Het risico bij vulstations is het (instantaan) vrijkomen van het gas (en/of vloeistof) waardoor een plasbrand, fakkelbrand, een gaswolkexplosie of een BLEVE kan ontstaan. Voor een nadere omschrijving van deze effecten en mogelijke maatregelen wordt verwezen naar de bijlage 2 (stoffen, effecten en maatregelen) in het achtergronddocument.
Achtergrondinformatie |
Belangrijkste wet- en regelgeving
Vulstations voor gaflessen kunnen onder het Bevi vallen, maar dit is afhankelijk van met name de hoeveelheid gevaarlijke stoffen (c.q. gasflessen) die wordt opgeslagen. Het volume van de opslagtank(s) kan ook bepalend zijn. De meest voorkomende situaties waardoor een inrichting onder het Bevi valt zijn:
- als de inrichting onder het Brzo valt als gevolg van de hoeveelheid opgeslagen gassen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien er in totaal meer dan 50 ton aan brandbare gassen wordt opgeslagen (Bevi, art. 2, 1e lid, onder a)
- als er meer dan 10 ton verpakte gevaarlijke stoffen in een opslagvoorziening wordt opgeslagen en het gaat om brandbare gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen of zowel brandbare gevaarlijke stoffen als gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen (Bevi, art. 2, 1e lid, onder f)
- inrichtingen waar meer dan 150m3 zeer licht ontvlambare of licht ontvlambare vloeistof in een bovengronds insluitsysteem aanwezig is (Revi, art. 1b, onder a)
- inrichtingen waar meer dan 13m3 propaan of meer dan 13m3 acetyleen in een insluitsysteem aanwezig is (Revi, art. 1b, onder c)
- inrichtingen waar een vergiftige of zeer vergiftige stof in een insluitsysteem met een inhoud van meer dan 1.000 liter aanwezig is (Revi, art. 1b, onder e)
- inrichtingen waar in enige opslagvoorziening een vergiftige of zeer vergiftige stof in gasflessen aanwezig is en waarbij de totale waterinhoud van de gasflessen met vergiftige of zeer vergiftige inhoud in die opslagvoorziening meer bedraagt dan 1.500 liter (Revi, art. 1b, onder f)
Als de inrichting onder het Bevi valt en de externe veiligheidsafstanden moeten berekend worden, moet de Handleiding Risicoberekeningen Bevi 3.2 en, specifiek voor gascilinders, Modellering gascilinders uit Handleiding Risicoberekeningen Bevi concept versie 1.4.
Richtlijnen
- PGS 15 Opslag verpakte gevaarlijke stoffen
- PGS 18 Distributiedepots voor LPG;
- PGS 23 Propaan, vulstations van propaan- en butaanflessen;
- PGS 24 Propaan, vulstations voor spuitbussen met propaan, butaan en dimethyl-ether als drijfgas.
Informatiebronnen
IPO Kennisdocument bulk op- en overslag in tanks IPO Kennisdocument industriële procesbeveiligingen Handleiding PGS 15 en erratum Handleiding 11-8-2009Handreiking RO en Milieu (hoofdstuk EV)
Stap 1: vooroverleg en informatieverstrekking |
Advies brandveiligheid
Zie werkblad Advies brandweer.
Omgeving van de inrichting/installatie
- Liggen er kwetsbare en/of beperkt kwetsbare bestemmingen in de omgeving van de inrichting of zijn die in de toekomst al dan niet te verwachten (geprojecteerde bestemmingen)? Check dit bij de afdeling die verantwoordelijk is voor ruimtelijke ordening.
- Welke andere risicovolle activiteiten zijn in de omgeving aanwezig? Het kan gaan om:
- Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en met buisleidingen;
- Voor externe veiligheid relevante bedrijven.
Deze informatie is van belang voor het in acht nemen van gewenste afstanden tot deze activiteiten (ook indien het Bevi niet van toepassing is).
Aandachtspunten ter bepaling van het type vulstation
- Welk opslagmedium wordt in het vulstation gevuld?
- Wat is de maximale waterinhoud van de gasflessen die in het vulstation worden gevuld?
- Tijdstip en frequentie waarop wordt gevuld.
- In welk type opslagmedium (flessen/reservoirs) is het gas opgeslagen waarmee de flessen worden gevuld?
- Hoeveel gas is maximaal in de vulplaats aanwezig?
- Wat is de maximale opslagcapaciteit (waterinhoud) in liters of m3 van de binnen de inrichting aanwezige opslagmedia?
Aandachtspunten voor de beoordeling van het risico
Voor de interne afstanden gelden de afstanden die zijn opgenomen in de relevante PGS publicaties. Als de inrichting onder het Bevi valt, moet de externe veiligheidsafstand worden berekend volgens het Revi. Het groepsrisico moet verantwoord kunnen worden conform het gestelde in het Bevi. Voor inrichtingen die niet onder het Bevi vallen, maar waar de contour voor het plaatsgebonden risico's 10-6 mogelijk buiten de bedrijfspoorten van de inrichting valt, wordt aanbevolen om de contouren te laten berekenen volgens de Handleiding risicoberekeningen Bevi. Dit in verband met de uniforme benadering van het thema externe veiligheid.
Specifieke maatregelen en voorzieningen
Maatregelen en voorzieningen zijn ingedeeld volgens het vlinderdasmodel zoals beschreven in bijlage 2 (stoffen, effecten en maatregelen) van het achtergronddocument. De volgende maatregelen worden onderscheiden:
- Technische preventieve maatregelen (b.v. aarding)
- Organisatorische preventieve maatregelen (b.v. voorkomen overvullen van flessen)
- Technische effect en schadebeperkende maatregelen (b.v. brandwerendheid dak en wanden)
Organisatorische effect- en schadebeperkende maatregelen (b.v. opstelling reservoirs t.o.v. andere objecten)
Zie voor de maatregelen de genoemde PGS publicaties.
Overige technische en organisatorische aandachtspunten
Zie de bijlage 2 (stoffen, effecten en maatregelen) in het achtergronddocument. Hierin zijn tabellen opgenomen met voorbeelden van preventieve en effectgerelateerde maatregelen.
Stap 2: beoordelen van vergunbaarheid: aanvaardbaarheid van risico's |
Indien de inrichting onder het Bevi valt zal er een QRA beschikbaar zijn. De berekende waarden voor het plaatsgebonden risico (PR) moet u toetsen aan de grens- en richtwaarden voor het PR uit het Bevi. Indien niet aan de grenswaarden voor het PR voldaan kan worden, dan kan de inrichting niet vergund worden. Het groepsrisico dient verantwoord te worden conform het gestelde in het Bevi. Voorts moet u toetsen aan het algemene beleid. Voor de interne veiligheidsafstanden moet worden voldaan aan de afstanden die in de relevante PGS publicaties zijn opgenomen.
Voor inrichtingen die niet onder het Bevi vallen, maar waar de contour voor het plaatsgebonden risico's 10-6 buiten de bedrijfspoorten van de inrichting valt, wordt aanbevolen om te toetsen volgens de Bevi-systematiek in verband met de uniforme benadering van het thema externe veiligheid.
Stap 3: beoordelen van vergunbaarheid: bepalen van noodzakelijke maatregelen |
De vergunningverlener beoordeelt of het gewenste voorzieningenniveau uit de van toepassing zijnde PGS- richtlijnen kan worden gerealiseerd. Zie ook werkblad Advies brandveiligheid.
Stap 4: formuleren van de considerans en de voorschriften |
Algemene aanbevelingen voor de formulering van de considerans en voorschriften voor het aspect externe veiligheid vindt u in stap 4 van de wegwijzer. Algemeen geldt dat u ook het advies van de brandweer in deze stap moet meenemen. Zie hiervoor het werkblad Advies brandveiligheid. Bij het opstellen van de considerans en de voorschriften gelden de aandachtspunten die in stap 1 zijn benoemd.
Voorschriften kunt u vinden in de genoemde PGS-en.
Een specifiek aandachtspunt voor de considerans is daarnaast:
Gasexplosiegevaar, voorschriften voor het voorkomen of beperken van explosiegevaar kunt u vinden in PGS 18, 23 en 24.
Zie voor standaardteksten voor considerans en de voorschriften de webpagina IPO Kaderstelling (op de website InfoMil).
Aandachtspunt indien het Bevi van toepassing is: De considerans moet de volgende elementen bevatten: de toets aan de grenswaarden in het Bevi en de verantwoording van het groepsrisico conform het gestelde in het Bevi. Bij verantwoording van het groepsrisico moet de brandweer in de gelegenheid gesteld worden om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting.
Risico-inventarisatie en Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS)
Zie de Leidraad Risico-inventarisatie en het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen. De vergunningverlener moet ervoor zorgdragen dat de vereiste gegevens door de aanvrager worden verstrekt en vervolgens in het RRGS worden opgenomen.
