Werkblad Handling gevaarlijke stoffen

Werkblad Handling gevaarlijke stoffen

Veiligheid

Inhoud pagina: Werkblad Handling gevaarlijke stoffen

Dit werkblad betreft inrichtingen waar fysische handelingen met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Voorbeelden van dergelijke handelingen zijn:

  • Verlading (op- en overslag);
  • Vullen/ aftappen van vaten;
  • Mengen en roeren;
  • Intern transport.

De risico's zijn afhankelijk van de handelingen die met de gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd. Mogelijke handelingen en de daarmee gepaard gaande risico's kunnen zijn:

  • Intern transport: aanrijdingen waarbij (een deel van) de lading vrijkomt;
  • Verlading (op- en overslag): vrijkomen van (een deel van) de inhoud;
  • Vullen/ aftappen van vaten: vrijkomen van vloeistof/ dampmengsel;
  • Mengen en roeren: vrijkomen van vloeistof/ dampmengsel;
  • Monstername: vrijkomen van vloeistof/ dampmengsel.

Afhankelijk van de aard van de stof die vrijkomt, kunnen de volgende effecten ontstaan: toxische plas, plasbrand, flash fire en/ of gaswolkexplosie, schokgolf, toxische wolk. Voor een nadere omschrijving van deze effecten en mogelijke maatregelen verwijzen we naar de bijlage 2 (stoffen, effecten en maatregelen).

Achtergrondinformatie

Belangrijkste wet- en regelgeving

Het Bevi is van toepassing op de volgende activiteiten:

a. een inrichting waarop het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is;

b. een inrichting die bestemd is voor de opslag in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit risico's zware ongevallen 1999, waar gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage I van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 worden opgeslagen in hoeveelheden groter dan de in kolom 2 van de delen 1 onderscheidenlijk 2 van bijlage I van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 genoemde hoeveelheden;

  • inrichtingen waar meer dan 1.500 kg ammoniak in een insluitsysteem aanwezig is, niet zijnde een onderdeel van een koel- of vriesinstallatie met ammoniak
  • inrichtingen waar meer dan 150m3 zeer licht ontvlambare of licht ontvlambare vloeistof in een bovengronds insluitsysteem aanwezig is
  • inrichtingen waar meer dan 13m3 propaan of meer dan 13m3 acetyleen in een insluitsysteem aanwezig is
  • inrichtingen waar een cyanidehoudend bad ten behoeve van het aanbrengen van metaallagen aanwezig is met een inhoud van meer dan 100 liter
  • inrichtingen waar een vergiftige of zeer vergiftige stof in een insluitsysteem met een inhoud van meer dan 1.000 liter aanwezig is
  • inrichtingen waar in enige opslagvoorziening een vergiftige of zeer vergiftige stof in gasflessen aanwezig is en waarbij de totale waterinhoud van de gasflessen met vergiftige of zeer vergiftige inhoud in die opslagvoorziening meer bedraagt dan 1.500 liter, en
  • inrichtingen waar aardgasdruk gereduceerd wordt of aardgashoeveelheid gemeten wordt, voor zover de gastoevoerleiding een grotere diameter heeft dan 20 inch.

c. een door Onze Minister bij regeling aangewezen spoorwegemplacement dat gebruikt wordt voor het rangeren van wagons met gevaarlijke stoffen;

d. andere door Onze Minister bij regeling aangewezen categorieën van inrichtingen dan de inrichtingen, bedoeld in de onderdelen a tot en met c, waarvan het plaatsgebonden risico, berekend volgens bij die regeling gestelde regels, hoger is of kan zijn dan 10-6 per jaar, niet zijnde inrichtingen waarvoor regels gelden krachtens artikel 8.40 van de wet;

e. een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit LPG-tankstations milieubeheer;

f. een inrichting waar verpakte gevaarlijke afvalstoffen, of verpakte gevaarlijke stoffen, niet zijnde nitraathoudende kunstmeststoffen, worden opgeslagen in een hoeveelheid van meer dan 10 000 kg per opslagvoorziening, niet zijnde een inrichting als bedoeld in onderdeel a of d, indien:

  • 1° brandbare gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen worden opgeslagen, of
  • 2° binnen een opslagvoorziening zowel brandbare gevaarlijke stoffen als gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen worden opgeslagen;

g. een inrichting waarin een koel- of vriesinstallatie aanwezig is met een inhoud van meer dan 1500 kg ammoniak, niet zijnde een inrichting als bedoeld in onderdeel a of d, en

h. andere door Onze Minister bij regeling aangewezen categorieën van inrichtingen dan de inrichtingen, bedoeld in de onderdelen e tot en met g, waarvan het plaatsgebonden risico, berekend volgens bij die regeling gestelde regels, hoger is of kan zijn dan 10-6 per jaar en waarvoor bij die regeling afstanden tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zijn vastgesteld, niet zijnde inrichtingen waarvoor regels gelden krachtens artikel 8.40 van de wet.

  • inrichtingen waar meer dan 100.000 kg meststoffen groep 2 worden opgeslagen
Richtlijnen
Informatiebronnen
Stap 1: vooroverleg en informatieverstrekking

FingAdvies brandveiligheid

Zie werkblad Advies brandweer

Omgeving van de inrichting/installatie
  • Liggen er kwetsbare en/ of beperkt kwetsbare bestemmingen in de omgeving van de inrichting of zijn die in de toekomst al dan niet te verwachten (geprojecteerde bestemmingen)? Check dit bij de afdeling die verantwoordelijk is voor Ruimtelijke Ordening.
  • Welke andere risicovolle activiteiten zijn in de omgeving aanwezig? Het kan gaan om:
  1. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en met buisleidingen,
  2. Voor externe veiligheid relevante bedrijven.

Deze informatie is van belang voor het in acht nemen van gewenste afstanden tot deze activiteiten.

Aandachtspunten voor de vaststelling van het risico

Gezien de diversiteit van handelingen en de bijbehorende risico's is een specifiek aandachtspunt de wijze waarop de inrichting omgaat met risico-identificatie en -analyse:

  • Hoe identificeert het bedrijf de risico's en wat zijn de resultaten?
  • Zijn kansen en effecten beschreven (brand, explosie, verspreiding van toxische gaswolken fragmentatie etc.)?
  • Zijn er veiligheidsstudies uitgevoerd zoals MCA- analyse, HAZOP etc.?
  • Afstanden tot interne en externe gevoelige objecten en/of opslagen van gevaarlijke stoffen.
  • Mogelijkheden voor risico- reductie.

Indien de inrichting niet onder het Bevi valt maar er mogelijk wel kans is dat de PR-contour 10-6 buiten de grens van de inrichting ligt, wordt aanbevolen om hierover informatie over op te vragen van de inrichtinghouder. Voor de interne afstanden moet o.a. worden voldaan aan bestaande normen (bijvoorbeeld de PGS publicaties).

Indien de inrichting onder het Bevi valt, dan zijn er twee opties mogelijk

  • Indien het een categoriale inrichting betreft gelden er vaste risico afstanden voor de PR 10-6 risicocontour tot (beperkt) kwetsbare objecten. Zie voor de risico afstanden de tabellen in het Revi.
  • Niet- categoriale inrichting: Er moet een QRA worden opgesteld. Het opstellen van de QRA moet gebeuren conform de rekenmethodiek Bevi. De rekenmethodiek Bevi is beschreven in de Handleiding Risicoberekeningen Bevi versie 3.2.
Aandachtspunten ter beoordeling van de bedrijfssituatie en de benodigde maatregelen

Stel de handelingen met gevaarlijke stoffen en de frequentie waarmee die handelingen worden uitgevoerd vast. Mogelijke handelingen en hun risico zijn beschreven in stap 1a van de Wegwijzer.

Aandachtspunten hierbij zijn:

  • Welke stoffen zijn bij de diverse handelingen betrokken?
  • Welke hoeveelheden stoffen zijn bij de handelingen betrokken?
  • Onder welke condities (druk, temperatuur) vinden de handelingen plaats?
  • Zijn veelal dezelfde stoffen aanwezig of is er regelmatige wisseling van stoffen binnen de inrichting?
  • Bestaat de kans op gas- en/of stofontploffingsgevaar?
  • Welke veiligheidsvoorzieningen zijn getroffen?
Specifieke maatregelen en voorzieningen

Maatregelen en voorzieningen zijn ingedeeld volgens het vlinderdasmodel zoals beschreven in bijlage 2 (Stoffen, effecten en maatregelen). De volgende soorten maatregelen worden onderscheiden: 

Technische preventieve maatregelen
  • (Voorbeeld): Constructieve eisen aan opslag en verwerkingsruimten
Organisatorische preventieve maatregelen
  • (Voorbeeld): Aanduidingen en gevaarsborden
Technische effect- en schadebeperkende maatregelen
  • (Voorbeeld): Brandbestrijdingsmiddelen en - installaties
Organisatorische effect- en schadebeperkende maatregelen
  • (Voorbeeld): Noodplan
Overige technische en organisatorische aandachtspunten

Zie bijlage 2: Stoffen, effecten en maatregelen. Hierin is informatie opgenomen over stoffen, effecten en voorbeelden van preventieve en effectgerelateerde maatregelen.

Stap 2: beoordelen van vergunbaarheid: aanvaardbaarheid van risico

Een inrichting die niet onder het Bevi valt
Beoordeeld moet worden of de risicocontour voor het PR 10-6 binnen of buiten de inrichting ligt (eventueel na het nemen van extra maatregelen). Als de risicocontour buiten de inrichting ligt, is het de vraag of deze situatie wel toelaatbaar (wenselijk) is in verband met het locale externe veiligheidsbeleid en/of het bestemmingsplan.  Zie ook het werkblad Advies brandweer.

Een inrichting die onder het Bevi valt
- Categoriale inrichting: er gelden vaste afstanden voor de PR 10-6 risicocontour tot (beperkt) kwetsbare objecten. Er moet getoetst worden aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico uit het Bevi;
- Niet- categoriale inrichting: de berekende waarden voor het plaatsgebonden risico (PR) moet u toetsen aan de grens- en richtwaarden voor het PR uit het Bevi. Indien niet aan de grenswaarde voor het PR voldaan kan worden, dan kan de inrichting niet vergund worden.
Het groepsrisico dient verantwoord te worden conform het gestelde in het Bevi.

NB: de handelingen met gevaarlijke stoffen kunnen plaatsvinden binnen bijvoorbeeld een Brzo inrichting. Voor Brzo inrichtingen is een apart werkblad opgesteld, werkblad Brzo. De beoordeling van de activiteit handling met gevaarlijke stoffen maakt dan deel uit van de beoordeling vergunbaarheid van de Brzo- inrichting.

 Stap 3: beoordelen van vergunbaarheid: bepalen van noodzakelijke maatregelen

De vergunningverlener beoordeelt of het gewenste voorzieningenniveau uit de van toepassing zijnde PGS- richtlijnen kan worden gerealiseerd. Als op de betreffende activiteit geen PGS- richtlijn van toepassing is, dan kan wel gebruik gemaakt worden van de geboden maatregelen en voorzieningen uit de genoemde PGS- en. In dit geval is de beoordeling van voorzieningen en maatregelen (deels) een kwestie van gezond verstand. De vergunningverlener moet er van overtuigd zijn dat met de voorgestelde en eventueel nog extra voorgeschreven voorzieningen en maatregelen het risico tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht. Zie ook werkblad Advies brandweer

Stap 4: formuleren van de considerans en de voorschriften

Algemene aanbevelingen voor de formulering van de considerans en voorschriften voor het aspect externe veiligheid en specifiek het Bevi vindt u in de stappen 2 t/m 4 van de Wegwijzer. Algemeen geldt dat u ook het advies van de brandweer in deze stap moet laten meewegen in de beoordeling. Zie hiervoor het werkblad Advies brandweer.

Aandachtspunten indien het Bevi van toepassing is: De considerans moet de volgende elementen bevatten: de toets aan de grenswaarden in het Bevi en de verantwoording van het groepsrisico conform het gestelde in het Bevi. Bij de verantwoording van het groepsrisico moet de brandweer in de gelegenheid gesteld worden om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting.

Als het Bevi niet van toepassing is, maar er wel volgens een vergelijkbaar afwegingscriterium wordt gehanteerd, dit toe te lichten in de considerans.

Gas- en/of stofontploffingsgevaar

Gas en/of stofontploffing heeft een duidelijke relatie met de arboregelgeving. Zie hiervoor Beleidsontwikkeling externe veiligheid.

Risico-inventarisatie en Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS)

Zie de Leidraad Risico-inventarisatie en het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen. De vergunningverlener moet ervoor zorgdragen dat de vereiste gegevens door de aanvrager worden verstrekt en vervolgens in het RRGS worden opgenomen.

 

Kenniscentrum InfoMil