Werkblad Munitie en explosieve stoffen

Werkblad Munitie en explosieve stoffen

Veiligheid

Inhoud pagina: Werkblad Munitie en explosieve stoffen

Toepassingsgebied

Dit werkblad betreft het gebruik en de opslag van munitie en explosieve stoffen. Deze stoffen worden onder andere opgeslagen bij: 

  • Bedrijven die explosieven gebruiken voor slopen gebouwen, reinigen ketels, e.d.
  • Politiebureaus
  • Detailhandel
  • Sport- en ontspanningsverenigingen
  • Defensieterreinen: voor de opslag van munitie op defensieterreinen is meestal het ministerie van Infrastructuur en milieu het bevoegde gezag (Bor bijlage 1 categorie 29).

Overige activiteiten met munitie en explosieve stoffen kunnen zijn:

  • Ompakken
  • Beproeving.

Vuurwerk is eveneens een explosieve stof. Voor de opslag van vuurwerk wordt verwezen naar het
werkblad Opslag vuurwerk.

Risico's

Het risico van munitie en explosieve stoffen is dat door bijvoorbeeld brand een explosie kan optreden. De reactiesnelheid is sterk bepalend voor welk effect optreedt: detonatie en deflagratie. Voor een nadere omschrijving van deze effecten en mogelijke maatregelen wordt verwezen naar bijlage 2 (stoffen, effecten en maatregelen).

 

Achtergrondinformatie

Belangrijkste wet- en regelgeving

Richtlijnen

Informatiebronnen

 Stap 1: vooroverleg en informatieverstrekking

Advies brandveiligheid

Zie werkblad Advies brandweer. Het bestuur van de veiligheidsregio is voor deze inrichtingen wettelijk adviseur (Bor artikel 6.3 lid 1 onder a).

Advies externe deskundigen

Voor extern advies kunt u inschakelen:

Omgeving van de inrichting/installatie
  • Liggen er kwetsbare en/of beperkt kwetsbare bestemmingen in de omgeving van de inrichting of zijn die in de toekomst al dan niet te verwachten (geprojecteerde bestemmingen)? Check dit bij de afdeling die verantwoordelijk is voor ruimtelijke ordening.
  • Welke andere risicovolle activiteiten zijn in de omgeving aanwezig? Het kan gaan om:
  1. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en met buisleidingen.
  2. Voor externe veiligheid relevante bedrijven.

Deze informatie is van belang voor het in acht nemen van gewenste afstanden tot deze activiteiten.

Aandachtspunten voor de beoordeling van het risico bij opslag en gebruik van munitie en explosieve stoffen

Het beleid voor de externe veiligheid rond munitiecomplexen is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Besluit Ruimte):

De regels uit de circulaire Van Houwelingen 1988 die betrekking hadden op de externe veiligheid rondom munitiecomplexen zijn de laatste jaren steeds meer in overeenstemming gebracht met bestaande IenM-regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en het Vuurwerkbesluit. Dit bestaand gebruik is in het Besluit Ruimte in continuerende zin vastgelegd. Dat geldt ook voor de inrichtingen voor activiteiten met ontplofbare stoffen. De laatst genoemde inrichtingen zijn met name gericht op het civiel onderzoek van munitie en vuurwerk en de opslag van vuurwerk dat in beslag is genomen.

Rondom munitiecomplexen van Defensie en rondom de inrichtingen voor activiteiten met explosieven werd in het verleden een extern veiligheidsbeleid gevoerd dat enerzijds was gebaseerd op NAVO-regelgeving en anderzijds op het regeringsbeleid met betrekking tot externe veiligheid. Dit beleid was neergelegd in een circulaire van toenmalig staatssecretaris Van Houwelingen (mede namens de toenmalige Minister van VROM) van 12 april 1988 «Zonering en externe veiligheid rond munitieopslag-plaatsen». De systematiek was gebaseerd op een effectbenadering en kende een onderscheid van drie veiligheidszones rondom munitiecomplexen waarbinnen voor activiteiten of objecten bepaalde beperkingen gelden. Daarbij wordt voor de definitie van het begrip kwetsbaar object en beperkt kwetsbaar object verwezen naar het Bevi. In het verleden (reeds bij het uitbrengen van de circulaire Van Houwelingen) is geconstateerd dat er historisch gegroeide situaties zijn, waardoor er binnen de zones activiteiten of objecten aanwezig zullen blijven die in strijd zijn met de normen. In de circulaire Van Houwelingen werd een oplossing aangeboden hoe omgegaan moest worden met de met de zonering strijdige situaties. Het betrof een risicoanalyse (in plaats van een effectbenadering) op basis van een door een externe instantie op te maken risicoanalyserapportage. Inmiddels is voor alle militaire munitiecomplexen en voor de inrichtingen voor activiteiten met explosieven een dergelijke risicoanalyse gemaakt, waarmee voor alle mogelijk strijdige situaties voorzieningen zijn getroffen. Deze benadering uit de circulaire van Houwelingen komt dan ook niet meer terug. Wel is het mogelijk dat zich vanuit de bestaande situatie ontwikkelingen voordoen die mogelijk strijdig zijn met het beleid . Voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van deze ontwikkeling kan de Minister van IenM in overeenstemming met de Minister van Defensie regels stellen.

De Minister van I&M is het bevoegde gezag voor het verlenen van een vergunning voor munitiecomplexen van het ministerie van Defensie (Bor atikel 3.3 lid 2). Gemeenten moeten de veiligheidszones opnemen in bestemmingsplannen om strijdige bebouwing of activiteiten te voorkomen.

In de Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (explosieven die worden gebruikt voor slopen gebouwen, reinigen ketels, e.d.) zijn eisen opgenomen welke afstanden moeten worden aangehouden tussen een opslagplaats met explosieven en een kwetsbaar object.

Voor de bepaling van het risico zijn de volgende aandachtspunten belangrijk:

  • Welke soort munitie wordt opgeslagen (metaalpatronen, hageljachtpatronen, slaghoedjes, ledige hulzen voorzien van een ontstekingsmiddel, patronen voor schiethamers, slachtpatronen, klinkhamerpatronen, traangasgranaten, buskruit) en in welke hoeveelheid
  • Welke soort ontplofbare stoffen worden opgeslagen
  • Classificatie van de ontplofbare stoffen in subklassen (1.1 tot en met 1.6)
  • Classificatie van de ontplofbare stoffen in compatibiliteitsgroepen (sommige groepen kunnen niet samen opgeslagen worden omdat zij elkaars werking kunnen versterken)
  • Verpakking: indien een andere verpakking wordt gebruikt dan is voorgeschreven verpakking, dan gaat de subklasse omhoog (1.2 wordt in de verkeerde verpakking 1.1);
  • Kan er sprake zijn van massaexplosie?
  • Vaak dezelfde munitie of regelmatige wisseling van munitie binnen de inrichting?
  • Hoeveelheid munitie en/of ontplofbare stoffen die wordt opgeslagen
  • Constructie van de opslaglocatie (is het een container, een stenen gebouw, betonnen gebouw, hoe dik zijn de muren etc; lichte constructies reageren anders dan zware constructies op explosies)
  • Wordt er munitie binnen de inrichting verkocht?
  • Hoe wordt de munitie aangevoerd?
  • Welke laad- en losactiviteiten vinden er plaats?
  • Bereikbaarheid van de opslagbunkers.
Specifieke maatregelen en voorzieningen

Onderstaande maatregelen en voorzieningen zijn ingedeeld volgens het vlinderdasmodel zoals beschreven in bijlage 2 (stoffen, effecten en maatregelen).

Technische preventieve maatregelen

  • (Constructie) van de opslagplaats (brandbaarheid, bestand tegen drukgolf, ventilatie, bereikbaarheid  en afscherming)
  • Ontlastvoorziening
  • Verwerking afvalmunitie (afvalmunitie mag niet in dezelfde opslag als ongebruikte munitie of explosieven, maar moet onmiddellijk worden vernietigd of in een apart opslaggebouw worden opgeslagen)
  • Zijn de maatregelen conform het explosie veiligheidsdocument genomen?

Organisatorische preventieve maatregelen

  • Bedrijfsvoering (procedures, opleiding etc.).
Overige technische en organisatorische aandachtspunten

Zie bijlage 2 (stoffen, effecten en maatregelen). Hierin zijn tabellen opgenomen met voorbeelden van preventieve en effectgerelateerde maatregelen.

Stap 2: beoordelen van vergunbaarheid: aanvaardbaarheid van risico's

  • Munitie: De vergunningverlener toetst of kan worden voldaan aan de interne en externe afstanden
  • Explosieven: De vergunningverlener toetst of kan worden voldaan aan de eisen van de circulaire

 Stap 3: beoordelen van vergunbaarheid: bepalen van noodzakelijke maatregelen

De vergunningverlener beoordeelt of het gewenste voorzieningenniveau kan worden gerealiseerd.

 Stap 4: Formuleren van de considerans en de voorschriften

Algemene aanbevelingen voor de formulering van de considerans en voorschriften voor het aspect externe veiligheid vindt u in stap 4 van de wegwijzer. Algemeen geldt dat u ook het advies van de brandweer in deze stap moet meenemen. Zie hiervoor het werkblad Advies brandweer . Bij het opstellen van de considerans en de voorschriften gelden de aandachtspunten die in stap 1 zijn benoemd.

Risico-inventarisatie en Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS)

Zie de Leidraad Risico-inventarisatie en het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen. De vergunningverlener moet ervoor zorgdragen dat de vereiste gegevens door de aanvrager worden verstrekt en vervolgens in het RRGS worden opgenomen.

 

Kenniscentrum InfoMil