Werkblad Ammoniakkoelinstallaties
Veiligheid
Inhoud pagina: Werkblad Ammoniakkoelinstallaties
Dit werkblad is van toepassing op koelinstallaties en warmtepompen die gebruik maken van ammoniak als koudemiddel. Voorbeelden hiervan zijn: industriële installaties voor de voedselverwerking, koel- en vrieshuizen, kunstijsbanen, klimaatbeheersinginstallaties.
- Achtergrondinformatie
- Stap 1. Vooroverleg en informatieverstrekking
- Stap 2. Beoordelen van vergunbaarheid: risico's
- Stap 3. Beoodelen vergunbaarheid: maatregelen
- Stap 4. Considerans en voorschriften
Achtergrondinformatie |
Risico's
Het risico van een ammoniakkoelinstallatie is het vrijkomen van ammoniak. Ammoniak is een toxisch gas. Bij vrijkomen ontstaat een toxische wolk die zich in de omgeving verspreidt. Het risico is afhankelijk van de hoeveelheid ammoniak die in de installatie aanwezig is en de uitvoering van de installatie. Voor een nadere omschrijving van deze effecten en mogelijke maatregelen verwijzen we naar de bijlage 2 (stoffen, effecten en maatregelen) van het achtergronddocument.
Belangrijkste wet- en regelgeving
- Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi)
- Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen (Revi)
- Handleiding risicoberekeningen Bevi, versie 3.2
- Besluit Risico's Zware Ongevallen 1999 (Brzo): zie het werkblad Brzo (het Brzo geldt alleen als de in het Brzo genoemde drempelwaarden worden overschreden, d.w.z. bij koelinstallaties > 50 ton)
- Warenwetbesluit drukapparatuur 1999
- Warenwetregeling drukapparatuur
- Wijziging I Regeling besluit drukapparatuur (keuring voor ingebruikname)
- Wijziging II Regeling besluit drukapparatuur (gebruiksfase)
Richtlijnen
- PGS 12 Ammoniak, opslag en verlading
- PGS 13 Ammoniak, toepassing als koudemiddel voor koelinstallaties en warmtepompen
- NEN-normen die zijn opgenomen in PGS 13
- NEN 3380 ‘Veiligheid van koelinstallaties'.
Informatiebronnen
Stap 1: vooroverleg en informatieverstrekking |
Advies brandweer
Zie ook het werkblad Advies brandweer.
Wettelijke adviestaak
- Bij Bevi inrichtingen waarbij het groepsrisico (GR) moet worden verantwoord.
Niet- wettelijk advies
- Mogelijk in alle overige situaties.
Omgeving van de inrichting/installatie
Liggen er kwetsbare en/of beperkt kwetsbare bestemmingen in de omgeving van de inrichting of zijn die in de toekomst al dan niet te verwachten (geprojecteerde bestemmingen)? Check dit bij de afdeling die verantwoordelijk is voor ruimtelijke ordening. Welke andere risicovolle activiteiten zijn in de omgeving aanwezig? Het kan gaan om:
- Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en met buisleidingen
- Voor externe veiligheid relevante bedrijven.
Deze informatie is van belang voor het in acht nemen van gewenste afstanden tot deze activiteiten.
Aandachtspunten voor de toepassing van het Bevi (> 1.500 kg ammoniak)
- Hoeveelheid ammoniak in de installatie (in kg)
- Kunnen de tabellen opgenomen in het Revi worden toegepast of moet een QRA worden uitgevoerd?
Bij meer dan 1.500 kg ammoniak in de installatie is het Bevi van toepassing.
NB: De hoeveelheid ammoniak wordt bepaald door de totale hoeveelheid ammoniak die in de installatie aanwezig is, inclusief de hoeveelheid in een afscheidervat met minder dan 1.500 kg ammoniak. Bij meer dan 10.000 kg ammoniak moet een QRA worden opgesteld. Zie voor meer informatie over de te hanteren rekenmethode de Handleiding Risicoberekeningen Bevi (versie genoemd in artikel 1 Revi).
Toepassen van de tabellen opgenomen in het Revi, criteria
Inhoud installatie tussen 1.500 kg en 10.000 kg ammoniak. De tabel geeft het volgende weer:
Criterium 1: De werktemperatuur van de installatie (in ºC)
Onder werktemperatuur wordt verstaan de hoogste afscheider- of verdampingstemperatuur. Indien deze hoogste temperatuur wordt bepaald door een afscheidervat waarin minder dan 1.500 kg ammoniak aanwezig is, mag u uitgaan van de werktemperatuur die heerst in het vat met de op een na hoogste werktemperatuur.
Criterium 2: De hoeveelheid ammoniak
Zie eerdere toelichting onder aandachtspunten.
Criterium 3: Type opstellingsuitvoering
Opstellingsuitvoering 1: alle ammoniakvoerende onderdelen opgesteld in de machinekamer of in de productieruimte (eventueel met uitzondering van de condensor met verbindend leidingwerk. Deze kunnen buiten zijn opgesteld).
Opstellingsuitvoering 2: als type 1, maar de leidingen naar en van de verdamper(s) staan met de buitenlucht in verbinding.
Opstellingsuitvoering 3: als type 2, maar het afscheidervat of vloeistofvat zijn ook buiten opgesteld.
- Plaatsgebonden risico afstanden (10-6) tot de machinekamer
- Plaatsgebonden risico afstanden (10-6) tot de vloeistofleiding (met de buitenlucht in verbinding staande ammoniakvoerende leidingen naar de verdamper of verdampers).
- De diameter van de vloeistofleiding naar de verdamper
Criterium 4: Diameter vloeistofleiding naar verdamper
Afhankelijk van de diameter van de vloeistofleiding naar de verdamper (De verdamper is het koelende deel van de installatie) gelden andere afstanden. De tabel is geldig voor diameters ≤ DN 80, wat overeen komt met een leidingdiameter van 80 mm.
Criterium 5: Aantal koel- en vriesinstallaties met ammoniak als koudemiddel in een machinekamer
Er gelden afwijkende afstanden indien er meerdere koel- en vriesinstallaties met ammoniak als koudemiddel in een machinekamer aanwezig zijn (Revi bijlage 1 tabel 7).
Opstellen van een QRA (inhoud installatie > 10.000 kg)
Uitvoering QRA conform het Revi. Zie verder werkblad Bevi, stap 1 en 2, niet- categoriale inrichtingen en de notitie 'Wat is een QRA? Een introductie over QRA's voor inrichtingen in Nederland' en de Handleiding Risicoberekeningen Bevi.
Aandachtspunten ter bepaling van toegestane hoeveelheid ammoniak conform PGS 13
De maximaal toegestane hoeveelheid ammoniak is afhankelijk van de ruimteclassificatie, de classificatie van de opstelling, de classificatie van het systeem en de getroffen veiligheidsvoorzieningen. Dit is uitgewerkt in hoofdstuk 2 van PGS 13.
Tot welke klasse (A,B,C) behoort de ruimte of (deel van een) gebouw waarin een ammoniakkoelinstallatie of warmtepomp aanwezig is?
Zie ook PGS 13, hoofdstuk 2.2.
Klasse A: een ruimte waarin personen kunnen overnachten, personen beperkt zijn in hun bewegingsvrijheid, een ongecontroleerd aantal personen aanwezig kan zijn of die voor iedereen toegankelijk is zonder dat men bekend is met de veiligheidsvoorzieningen (voorbeeld: ziekenhuis).
Klasse B: een ruimte waarin een beperkt aantal personen verzameld kan zijn, waarvan een deel op de hoogte is van de algemene veiligheidsvoorzorgsmaatregelen (voorbeeld: kantoor).
Klasse C: een ruimte waar uitsluitend geautoriseerde personen toegang hebben die op de hoogte zijn van de veiligheidsvoorzorgsmaatregelen en waar producten of materialen worden vervaardigd, verwerkt of opgeslagen.
Tot welke klasse (a, b, c) behoort/behoren de installatie(s)?
Zie ook PGS 13, hoofdstuk 2.3. Een installatie behoort tot klasse:
A. wanneer zij staat opgesteld in een voor personen toegankelijke ruimte, niet zijnde een machinekamer conform PGS 13, hoofdstuk 5
B. wanneer het hogedrukgedeelte (compressoren, condensors en voorraadvaten) met uitzondering van een luchtgekoelde of verdampingscondensor, staat opgesteld in een machinekamer conform PGS 13, hoofdstuk 5, of in de open lucht.
C. wanneer alle ammoniakvoerende delen zijn opgesteld in een machinekamer conform PGS 13, hoofdstuk 5, of in de open lucht.
Tot welke klasse (I, II, III, IV, V of VI) behoort het koelsysteem?
Zie ook PGS 13, hoofdstuk 2.4. Er wordt onderscheid gemaakt in directe (klasse I, II en III) en indirecte koelsystemen (IV, V en VI).
Welke veiligheidsvoorzieningen zijn getroffen?
Zie ook PGS 13, hoofdstuk 2.5. Deze zijn afhankelijk van de hoeveelheid ammoniak per koelsysteem.
- Algemene minimale eisen voor elk systeem: er zijn detectiesystemen in machinekamers voor alarmering en voor het in werking stellen van ventilatie;
- De installatie is voorzien van noodstopknoppen buiten en binnen de machinekamer.
Afhankelijk van de hoeveelheid ammoniak per koelsysteem gelden de minimale eisen en de aanvullende eisen, zie de paragrafen 2.5.2 t/m 2.5.6 van de PGS 13.
Specifieke maatregelen en voorzieningen
Onderstaande maatregelen en voorzieningen zijn ingedeeld volgens het vlinderdasmodel zoals beschreven in bijlage 2 (stoffen, effecten en maatregelen) van het achtergronddocument. Genoemde maatregelen zijn conform PGS 13, hoofdstukken 3 t/m 8.
Technische preventieve maatregelen
Ontwerp koelinstallatie, zoals:
- Koeltechnisch ontwerp
- Gebruikte materialen
- Onderdelen (drukvaten, leidingen, verbindingen, appendages, instrumentatie en elektrische installatie)
- Elektrische installatie
Uitvoering van de machinekamer:
- Constructie
- Ventilatie
Organisatorische preventieve maatregelen
- Procedures voor montage, vullen en oplevering (bijvoorbeeld: (bij)vullen van de installatie door erkend installatiebedrijf)
- Procedures voor gebruik, opstarten, uitschakelen etc. van de installatie
Technische effect- en schadebeperkende maatregelen
Veiligheidsvoorzieningen, zoals:
- Noodstop- en alarmeringsysteem
- Ontlastorganen
- Automatische ammoniakdetectie
- Inblokvoorzieningen
Uitvoering van de machinekamer:
- Ammoniakvernietigingsinstallatie
- Brandblustoestellen en brandpreventie
Organisatorische effect- en schadebeperkende maatregelen
Geen specifieke aandachtspunten: zie de begrippenlijst.
Overige technische en organisatorische aandachtspunten
Zie de begrippenlijst voor mogelijk aanvullende technische en organisatorische aandachtspunten. Zie tevens bijlage 2 (stoffen, effecten en maatregelen), hierin zijn tabellen opgenomen met voorbeelden van preventieve en effectgerelateerde maatregelen.
Stap 2: beoordelen van vergunbaarheid: aanvaardbaarheid van risico's (normtoetsing) |
Koel- of vriesinstallaties met een inhoud < 1500 kg
Koel- of vriesinstallaties met een inhoud < 1500 kg vallen niet onder het Bevi. Hierdoor gelden geen wettelijke afstanden tot externe objecten. Er moet worden voldaan aan de veiligheidsafstanden uit de van toepassing zijnde PGS-richtlijnen. Zo niet, dan moet worden aangetoond dat een vergelijkbaar beschermingsniveau wordt bereikt.
Koel- of vriesinstallaties met een inhoud > 1500 kg en < 10.000 kg
Koel- of vriesinstallaties met een inhoud > 1500 kg en < 10.000 kg vallen onder het Bevi. Hiervoor gelden vaste afstanden voor de PR-10-6-risicocontour tot (beperkt) kwetsbare objecten. Deze afstanden zijn opgenomen in de Revi. Zie verder werkblad Bevi, stap 2 categoriale inrichtingen. Er moet getoetst worden aan de Bevi grens- en richtwaarden.
Koel- of vriesinstallaties met een inhoud > 10.000 kg
Koel- of vriesinstallaties met een inhoud > 10.000 kg vallen onder het Bevi. Hiervoor moet een QRA worden opgesteld. De resultaten van de QRA moeten worden getoetst aan de Bevi grens- en richtwaarden.
Stap 3: beoordelen van vergunbaarheid: bepalen van noodzakelijke maatregelen |
Voor alle ammoniakkoelinstallaties
De vergunningverlener beoordeelt of het gewenste voorzieningenniveau uit de van toepassing zijnde PGS publicaties kan worden gerealiseerd. Zie ook werkblad Advies brandveiligheid.
Indien het Bevi van toepassing is
De vergunningverlener toetst aan de PR 10-6 grenswaarde (en de richtwaarde) uit het Bevi en bepaalt aan de hand daarvan of de installatie vergunbaar is. Rekening houdend met bestaande en geprojecteerde kwetsbare/ beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico dient verantwoord te worden. De brandweer moet hierbij in de gelegenheid gesteld worden om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting.
Stap 4: formuleren van de considerans en de voorschriften |
Algemene aanbevelingen voor de formulering van de considerans en voorschriften voor het aspect externe veiligheid en specifiek het Bevi vindt u in de stappen 2 t/m 4 van de Wegwijzer. Algemeen geldt dat u ook het advies van de brandweer in deze stap moet meenemen. Zie hiervoor het werkblad Advies brandveiligheid.
Zie voor standaardteksten voor considerans en de voorschriften het onderwerp IPO project Kaderstelling vergunningverlening op de website van InfoMil.
Aandachtspunten considerans
Voor alle ammoniakkoelinstallaties:
- Omschrijving installatie - zie stap 1 ‘Aandachtspunten ter bepaling van toegestane hoeveelheid ammoniak'
- Wel/niet onder werkingssfeer Bevi - zie stap 1 ‘Aandachtspunten voor de toepassing van het BEVI (> 1500 kg ammoniak)'
- Afstanden tot interne gevoelige objecten en/of opslagen gevaarlijke stoffen conform PGS 12. Gevoelige objecten zijn b.v: brandbare opslagen of gebouwen met een brandbare inhoud, dit laatste zal b.v. ook een kantoor zijn)
Indien het Bevi van toepassing is:
- Omschrijving dat aan de grenswaarde/richtwaarde voor PR 10-6 uit het Bevi voldaan kan worden, rekening houdend met bestaande en geprojecteerde kwetsbare/beperkt kwetsbare objecten;
- Motivatie om van de richtwaarde voor PR 10-6 af te wijken (indien van toepassing);
- Aanduiding installatie conform Bevi;
- Verantwoording groepsrisico conform Bevi, aandachtspunt hierbij is het advies van de brandweer, zie artikel 12 lid 3 van het Bevi.
Aandachtspunten voorschriften
Voorschriften met betrekking tot ammoniakoelinstallaties kunt u vinden in:
Bij het opstellen van de voorschriften gelden de aandachtspunten die in stap 1 zijn benoemd.
Risico-inventarisatie en Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS)
Zie de Leidraad Risico-inventarisatie en het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen. De vergunningverlener moet ervoor zorgdragen dat de vereiste gegevens door de aanvrager worden verstrekt en vervolgens in het RRGS worden opgenomen (zie stap 1 van de Wegwijzer).

