Omgevingsvergunning beperkte milieutoets
Activiteitenbesluit
Inhoud pagina: Omgevingsvergunning beperkte milieutoets
Voor een aantal activiteiten uit het Activiteitenbesluit hebben bedrijven sinds 1 januari 2011 toestemming van het bevoegd gezag nodig voordat ze kunnen starten met deze activiteiten. Deze "toestemming vooraf" wordt genoemd: Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM).
Het doel van de OBM is dat het bevoegd gezag vooraf instemt met het van start gaan van een specifieke activiteit op een specifieke locatie. De OBM bestaat uit een toestemming of een weigering. Het bevoegd gezag kan geen voorschriften aan de OBM verbinden (artikel 5.13a Besluit omgevingsrecht).
Door de introductie van de OBM moeten bedrijven voor bepaalde activiteiten een melding Activiteitenbesluit doen èn een Omgevingsvergunning beperkte milieutoets aanvragen bij het bevoegd gezag. De Activiteitenbesluit Internet Module (AIM) informeert bedrijven als ze activiteiten hebben geselecteerd waarvoor een OBM is vereist en biedt een link naar het Omgevingsloket Online om de OBM aan te vragen.
Wanneer een Omgevingsvergunning beperkte milieutoets?
De OBM is van toepassing op twee typen activiteiten: activiteiten waarvoor een m.e.r-beoordeling is verplicht en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag een lokale toets moet uitvoeren om te beoordelen of de activiteit ingepast kan worden in de lokale situatie.
De noodzaak van een OBM volgt uit artikel 2.1, eerste lid, onder i, Wabo juncto artikel 2.2a Bor. In artikel 2.2a staan de gevallen genoemd waarin een OBM nodig is. Dit is het geval als sprake is van:
| OBM nodig in geval van | Op grond van Bor, artikel 2.2a onder | Toelichting |
|---|---|---|
| een m.e.r.-beoordelingsplicht voor aangewezen activiteiten | a, b en c | Windturbineparken |
| een grote RWZI | d | RWZI |
| activiteiten met afvalstoffen onder bepaalde voorwaarden | e t/m j en l | Milieustraat/kca-depot |
| het opbulken van grond of kunststofafval | k en l | Opbulken herbruikbare grond Opslaan en opbulken kunststofafval |
Als de aangewezen activiteit (onder meer) het oprichten, wijzigen/veranderen of uitbreiden van een inrichting is, dan is de OBM vereist bij oprichting èn bij latere wijzigingen. Geldt de OBM voor benoemde activiteiten (zoals het opslaan en bewerken van een specifieke afvalstof), dan is de toestemming alleen nodig om de activiteit te kunnen starten en is niet voor iedere wijziging een OBM nodig.
In het algemeen geldt dat artikel 2.2a alleen activiteiten aanwijst tot de OBM, die zelf niet in Bor Bijlage I, onderdeel B en C zijn aangewezen tot de Omgevingsvergunning milieu. Met andere woorden: als de tot de OBM aangewezen activiteit de enige activiteit is die binnen de inrichting wordt uitgevoerd, dan heeft de inrichting geen Omgevingsvergunning milieu nodig.
Het kan echter voorkomen dat binnen de inrichting, naast de tot de OBM aangewezen activiteit, ook een activiteit wordt uitgevoerd waardoor voor de inrichting wel een Omgevingsvergunning milieu nodig is. Bij oprichting van een dergelijke inrichting is dan één omgevingsvergunning vereist, waarin de Omgevingsvergunning milieu en de OBM samen komen.
Wanneer weigeren?
De gevallen waarin de OBM moet of kan worden geweigerd volgt uit artikel 5.13b Bor.
- het bevoegd gezag heeft besloten dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld voor windmolens of een RWZI
- een grote RWZI voldoet niet aan de geluidsgrenswaarden
- in het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen
- een afvalstoffenbedrijf komt niet door de Bibob-toets.
In de toelichting bij Bor, artikel 2.2a is per activiteit aangegeven welke weigeringsgronden van toepassing zijn.
Ad 1.
Voor de activiteiten met een m.e.r.-beoordelingsplicht kan de OBM alleen worden verleend als het bevoegd gezag heeft besloten dat er geen m.e.r. hoeft te worden gemaakt.
Na het verlenen van de OBM gelden vervolgens de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Moet er wel een milieueffectrapport worden gemaakt, dan wordt de OBM geweigerd en moet een "normale" omgevingsvergunning voor het aspect milieu (een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wabo) worden aangevraagd.
Ad 2 t/m 4.
Voor de activiteiten waarvoor een lokale toets nodig is, bijvoorbeeld activiteiten die moeten voldoen aan de grenswaarden voor geluid, kan het bevoegd gezag de OBM verlenen als uit de toets blijkt dat de activiteit lokaal in te passen is.
Gebleken is dat er een omissie in de Wet Bibob zit in relatie tot de OBM. Deze omissie wordt zo spoedig mogelijk verholpen.
Na het verlenen van de OBM gelden vervolgens de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Als uit de toets blijkt dat de activiteit niet lokaal in te passen is, dan weigert het bevoegd gezag de OBM. Het uitvoeren van de activiteit is op de gekozen locatie dan niet mogelijk, ook niet met een "normale" omgevingsvergunning voor het aspect milieu.
Welke procedure?
Voor de OBM geldt de reguliere voorbereidingsprocedure. Deze procedure is opgenomen in hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht. Aanvullend hierop gelden de artikelen 3.8 en 3.9 Wabo en artikel 6.19 Bor. Hierin is opgenomen:
- een beslistermijn van acht weken (en mogelijke verlenging met 6 weken)
- kennisgeving van de aanvraag en mededeling van het besluit in de dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen
- als na acht weken geen vergunning is afgegeven, dan is de vergunning van rechtswege verleend (lex silencio), tenzij de lex silencio niet van toepassing is op de betreffende OBM categorie (artikel 6.19 Bor).
Als tevens een andere Wabo-activiteit wordt aangevraagd, waarvoor de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt, dan geldt ook voor de OBM de uitgebreide voorbereidingsprocedure.
Voor de indieningsvereisten bij de aanvraag OBM gelden de algemene eisen uit de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) en de gegevens die op grond van artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit zjin vereist.
Reinigen van afvalwater door middel van waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden.
Eén van de toetsingsgronden van de Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM, Wabo artikel 2.1, eerste lid, onder i) is het Bibob-advies. In het geval van een negatief Bibob-advies wordt de OBM niet verleend. Zie hierover artikel 5.13b, vierde en vijfde lid, Besluit omgevingsrecht, waaruit volgt dat:
Een omgevingsvergunning voor de categorie activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, onder f tot en met k, kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Lancune Wet Bibob
Op dit moment ontbreekt er echter iets in de Wet Bibob, waardoor een OBM niet geweigerd kan worden op grond van een negatief Bibob-advies. Artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob luidt namelijk als volgt:
- Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of
b. strafbare feiten te plegen.
Nu wordt het woord beschikking" in bovenstaand artikellid vervolgens in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 6, Wet Bibob onder andere gedefinieerd als "een beschikking terzake van een (...) vergunning (...) als bedoeld in (...) artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het eerste lid, onder e, van dat artikel voor zover dat betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet;"
In het bovenstaande artikelonderdeel ontbreekt dus een verwijzing naar artikel 2.1, eerste lid, onder i van de Wabo, waarin de OBM wordt geregeld.
Deze omissie zal worden rechtgezet. De wijziging treedt naar verwachting medio 2012 in werking.

