Bibob - hoe verhoudt deze wet zich tot de Wet milieubeheer?
Handhaving
Inhoud pagina: Bibob - hoe verhoudt deze wet zich tot de Wet milieubeheer?
Vraag
Hoe verhoudt de Wet BIBOB (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur) zich tot de Wet milieubeheer?
Antwoord
De Wet Bibob verruimt de mogelijkheden van bestuursorganen om ongewilde facilitering van criminele activiteiten te voorkomen. Vanaf 1 juni 2003 geldt een extra weigerings- en intrekkingsgrond bij het verlenen van bepaalde vergunningen en subsidies. Ook op aanbestedingen is de Wet Bibob van toepassing.
De Wet Bibob is (gedeeltelijk) geimplementeerd in de Wet milieubeheer. De Wm is door artikel 40 van de Wet Bibob als volgt gewijzigd:
Aan artikel 8.10 Wm zijn twee leden toegevoegd.
Artikel 8.10 Wm
- De vergunning kan slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.
-
De vergunning wordt in ieder geval geweigerd indien verlening daarvan niet in overeenstemming zou zijn met hetgeen overeenkomstig artikel 8.8, derde lid, door het bevoegd gezag in acht moet worden genomen dan wel, indien door verlening daarvan strijd zou ontstaan met regels als bedoeld in artikel 8.9.
-
In afwijking van het eerste lid kan de vergunning tevens worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.
- Voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, kan het Bureau bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Aan artikel 8.20 Wm is een nieuw tweede lid toegevoegd. Het oude tweede lid wordt lid 3.
Artikel 8.20 Wm
- Een voor een inrichting verleende vergunning geldt voor een ieder die de inrichting drijft. Deze draagt ervoor zorg dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.
-
Indien een vergunning zal gaan gelden voor een ander dan de vergunninghouder, meldt de vergunninghouder dat ten minste een maand voordien aan het bevoegd gezag, onder vermelding van de bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gegevens.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van gevallen worden aangegeven, waarin de vergunning slechts geldt voor degene aan wie zij is verleend. Daarbij kan tevens worden bepaald dat in daarbij aangegeven categorieën van gevallen:
- de vergunning nog gedurende een daarbij aangegeven termijn blijft gelden voor rechtsopvolgers van degene aan wie zij is verleend;
- de vergunning ook geldt voor een rechtspersoon, aan wie zij is overgedragen door een andere rechtspersoon, indien daarvoor door het bevoegd gezag, dan wel – in gevallen als aangegeven krachtens artikel 8.35 – Onze Minister toestemming is verleend.
Artikel 8.25 Wm is als volgt gewijzigd:
Artikel 8.25 Wm
- Het bevoegd gezag kan – onverminderd het in de artikelen 8.34, 8.38, 8.39, en 18.12 bepaalde- een vergunning voor een inrichting geheel of gedeeltelijk intrekken.
indien de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 8.23 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt; indien dit in het belang van een doelmatige verwijdering van afvalstoffen noodzakelijk is; indien gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; indien de inrichting geheel of gedeeltelijk is verwoest; indien, in gevallen als aangegeven krachtens artikel 8.20, tweede lid, de vergunninghouder niet meer degene is, die de inrichting drijft; in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur; - Het bevoegd gezag trekt de vergunning in, voorzover regels, vastgesteld bij algemene van bestuur ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, hiertoe verplichten.
- Een ieder, met uitzondering van de vergunninghouder, kan het bevoegd gezag verzoeken een vergunning met toepassing van het eerste lid in te trekken.
- Met betrekking tot een beslissing als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 8.7, 8.8 en 8.9 van overeenkomstige toepassing.
- In een geval als aangegeven krachtens artikelen 8.15 kan een voorschrift overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur aan de beschikking tot intrekking worden verbonden. Artikel 8.15, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
- In de beschikking tot intrekking kan worden bepaald dat een voorschrift als bedoeld in het vijfde lid, dan wel daarbij aangewezen aan de vergunning verbonden voorschriften gedurende een daarbij aan te geven termijn blijven gelden.
- Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking krachtens het eerste lid, onder a of b, is paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking krachtens het eerste lid, onder f, is artikel 8.10, vierde lid van overeenkomstige toepassing.
- Het bevoegd gezag gaat tot intrekking van een vergunning op grond van het eerste lid, onder c, d, e of f, of het tweede lid niet over zonder de vergunninghouder in de gelegenheid te hebben gesteld binnen een termijn van ten minste twee weken schriftelijk of mondeling bedenkingen tegen de intrekking kenbaar te maken. Van de beschikking wordt mededeling gedaan door toezending daarvan aan de adviseurs.

