Plan- en onderzoeksverplichtingen in de milieuvergunning

Home > Onderwerpen > Integrale milieuregels > Wet milieubeheer > Plan- en onderzoeksverplichtingen in de milieuvergunning

Plan- en onderzoeksverplichtingen in de milieuvergunning

Wet milieubeheer

Inhoud pagina: Plan- en onderzoeksverplichtingen in de milieuvergunning

De informatie op deze pagina gaat over in de milieuvergunning verplicht gestelde plannen en onderzoeken, zoals een energiebesparingsplan, een nulsituatieonderzoek, een bedrijfsnoodplan, een bodemrisicoanalyse, et cetera. Niet behandeld worden zaken als bijvoorbeeld emissiemetingen en de rapportage daarvan.

Let op: deze tekst is niet aangepast aan de Wabo.  

Welke plannen en onderzoeken moeten deel uitmaken van de aanvraag?

Op basis van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb) dient de aanvraag over het algemeen inzicht te geven in:

  • De aard en omvang van de belasting van het milieu
  • De maatregelen ter voorkoming dan wel beperking van deze milieubelasting
  • De wijze van vaststelling en registratie van de milieubelasting
  • De ongewone voorvallen die zich kunnen voordoen en de maatregelen om de milieubelasting ten gevolge daarvan te voorkomen dan wel te beperken

Daarnaast bestaat er sinds 1 december 2005 een verplichting voor de aanvrager om in of bij de aanvraag een beknopte beschrijving van de belangrijkste door de aanvrager bestudeerde alternatieve technieken, voor zover deze bestaan, te overleggen. Deze verplichting bestaat alleen voor inrichtingen met IPPC-installaties als genoemd in bijlage I van de IPPC richtlijn (Richtlijn 96/61/EG).

Uit het bovenstaande volgt dat bepaalde plannen en onderzoeken, bijvoorbeeld omdat ze inzicht geven in de milieubelasting, onderdeel moeten uitmaken van de vergunningaanvraag. Het Ivb biedt echter enige afwegingsruimte. Op grond van artikel 5.4 sub a tot en met d, artikel 5.5, 5.7 sub b, en artikel 5.9 kan het bevoegde gezag namelijk bepalen dat bepaalde gegevens niet direct nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag en daarom bij de aanvraag achterwege kunnen blijven.

Voor de plannen en onderzoeken die nogal eens in een vergunning worden voorgeschreven, is in tabel 1 weergegeven of ze, afgaande op de bepalingen in het Ivb, al dan niet deel moeten uitmaken van de aanvraag.

  • De plannen en onderzoeken waarachter in de tabel een + staat, dienen onderdeel uit te maken van de aanvraag
  • Voor de plannen en onderzoeken waarachter +/- is vermeld, geldt die verplichting voor zover het bevoegde gezag heeft beslist dat die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag
  • De plannen en onderzoeken die met – worden aangeduid zijn niet verplicht. Ze kunnen wel bepaalde verplichte informatie bevatten; daarom kan het nuttig of praktisch zijn om ze bij de aanvraag te voegen. Dit is dan de keuze van de aanvrager

Tabel 1

 

Plannen en onderzoeken

Verplichting Ivb

Toelichting

Acceptatie- en controleprocedures inkomende afvalstoffen

+

Verplicht voor categorie 28.4 en 28.5 inrichtingen van bijlage I van het Ivb (art. 5.11 Ivb)

Registratieplan (of –procedure) inkomende afvalstoffen

+

Verplicht voor categorie 28.4 en 28.5 inrichtingen van bijlage I van het Ivb (art. 5.11 Ivb)

Registratieplan (-of procedure) reststoffen

+

Verplicht voor categorie 28.4 en 28.5 inrichtingen van bijlage I van het Ivb (art. 5.11 Ivb)

Afval meet- en registratieplan

+

Verplicht voor categorie 28.4 en 28.5 inrichtingen van bijlage I van het Ivb (art. 5.11 Ivb)

Onderdelen veiligheidsrapport

+

Verplicht indien het een inrichting betreft waarop par. 3 van het Besluit Risico’s Zware Ongevallen ’99 van toepassing is (art. 5.15 Ivb)

Bedrijfsnoodplan

-

Een plan is niet verplicht. Wel dient, indien relevant, inzicht te worden gegeven in de ongewone voorvallen, de gevolgen daarvan, en de maatregelen (art. 5.4 a t/m d en art. 5.9).

Calamiteitenplan

-

Idem

Brandpreventieplan

-

Idem

Luchtemissiemeet- en registratieplan

+/-

Plan is niet verplicht. Kan wel de vorm zijn waarin de gevraagde gegevens worden gepresenteerd.

Het bevoegde gezag bepaalt of de gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag (art 5.1 lid sub k, art 5.7 sub b)

Bodemrisicoanalyse

+/-

Het bevoegde gezag bepaalt of de gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag (art 5.1 lid sub k, art 5.7 sub b)

Plan van aanpak bodembescherming

+/-

Idem

Emissiemeet- en registratieplan bodem

+/-

Idem

Afval meet- en registratieplan

+/-

Idem

Energie meet- en registratieplan

+/-

Idem

Energiebesparingsplan

+/-

Het bevoegde gezag bepaalt of de gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag (art. 5.1 lid 1 sub i. en j., art 5.7 sub b).

In de praktijk hanteert het bevoegde gezag vaak een ondergrens om de noodzaak te bepalen.

Nulsituatie bodemonderzoek

+/-

Onderzoek is verplicht voor zover nodig voor de beslissing op de aanvraag (art. 5.5.)

N.B. Aan vergunningaanvragen voor inrichtingen voor het storten van afvalstoffen, voor inrichtingen waarop artikel 10c van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer van toepassing is en voor de IPPC-inrichtingen, verlangt het Ivb aanvullende gegevens. Zie artikel 5.13 lid 1, respectievelijk artikel 5.15 sub b en 5.1 lid 1 onder m.

 

Het opnemen van de verplichting om een plan op te stellen of onderzoeken te doen in de vergunning

Voor veel plannen en onderzoeken geldt dat het bevoegde gezag de afweging maakt of het plan of onderzoek al dan niet bij de vergunningaanvraag moet worden aangeleverd. Het bevoegde gezag kan daarbij besluiten dat een plan of onderzoek niet nodig is voor de beslissing op de aanvraag, maar dat het wel in een later stadium, na vergunningverlening moet worden aangeleverd. Dit kan bijvoorbeeld gelden voor een nulsituatie bodemonderzoek indien de inrichting op het moment van afgifte van de vergunning nog moet worden opgericht. Het bevoegde gezag kan door middel van vergunningvoorschriften verlangen dat het onderzoek vóór de bouw wordt overgelegd.

In de praktijk moet dit per situatie worden beoordeeld. (Uiteraard tenzij de aanvrager er zelf voor gekozen heeft om de gegevens wel bij de aanvraag te voegen).

Het volgende diagram kan daarbij een hulpmiddel zijn.

Diagram 1: bepaling noodzaak van ‘- plannen’ en ‘+/- plannen’ in vergunningaanvraag

 

 

Urgentarrow.gif (383 bytes)

 

 

 

 


II                             +/-

Voorschrijven dat binnen bepaalde tijd (bijv. vóór in gebruik nemen inrichting of installatie) plan of onderzoek moet worden overgelegd

IV                       en +/-

Altijd verlangen bij vergunningaanvraag

 

I                                 -

Voorschrijven dat binnen bepaalde tijd plan of onderzoek moet worden overgelegd

 

III                            +/-

Voorschrijven dat binnen bepaalde tijd plan of onderzoek ter goedkeuring moet worden overgelegd

Kwadrant I

                                                                                      Essentieel

                                                                                      54236_52x42_arrow.gif (906 bytes)

Een plan of onderzoek in dit kwadrant is minder urgent en niet essentieel voor de beslissing op de aanvraag. Voorbeelden van dergelijke plannen zijn een brandbestrijdingsplan of bedrijfsnoodplan. Het bevoegde gezag kan in de vergunning voorschrijven dat het door de brandweer goedgekeurde plan bijvoorbeeld binnen 6 maanden na het in werking treden van het voorschrift wordt overgelegd. Goedkeuring van het bevoegde gezag is niet nodig.

Kwadrant II

Bepaalde plannen of onderzoeken kunnen minder essentieel zijn voor de beslissing op de aanvraag, maar dienen wel voorhanden te zijn op het moment dat de inrichting in bedrijf wordt genomen. Hierbij kan gedacht worden aan een afvalmeet- en registratieplan.

Kwadrant III

Een nulsituatie bodemonderzoek is een voorbeeld van een onderzoek dat essentieel kan zijn, maar niet altijd direct nodig is op het moment dat de aanvraag wordt ingediend.

Kwadrant IV

Dit zijn plannen en onderzoeken die altijd bij de vergunningaanvraag behoren te zitten.

 

Het bevoegde gezag kan beslissen dat een plan of onderzoek wel essentieel is maar op moment van vergunningverlening niet nodig is voor de beslissing op de aanvraag (kwadranten I, II en III). In dat geval regelt het bevoegde gezag in een vergunningvoorschrift dat het bedrijf het plan of onderzoek binnen een aantal maanden na vergunningverlening alsnog ter goedkeuring voorlegt aan het bevoegde gezag. Dit voorschrift dient ten minste de volgende gegevens te bevatten:

  • De termijn waarbinnen het plan of onderzoek bij het bevoegde gezag moet zijn ingediend
  • Dat voor het plan of onderzoek schriftelijk goedkeuring moet worden gevraagd bij het bevoegde gezag
  • Waaruit een verzoek om goedkeuring dient te bestaan
  • Dat zo nodig pas met de werkzaamheden kan worden begonnen na goedkeuring van het plan of onderzoek door het bevoegde gezag
  • Dat uitvoering moet worden gegeven aan het door het bevoegd gezag goedgekeurde plan en de eventueel gestelde nadere eisen
  • Dat voorgenomen wijzigingen van het plan opnieuw ter goedkeuring aan het bevoegde gezag moeten worden voorgelegd, tenzij wordt voldaan aan het gestelde in artikel 8.1, lid 3 of artikel 8.19, lid 2, Wm

Het laatste punt geldt overigens ook voor de plannen die bij de vergunningaanvraag zitten en onderdeel uitmaken van de vergunning. De aangegeven Wm-artikelen in dit punt verwijzen naar de mogelijkheid om veranderingen mede te delen dan wel te melden.

Het al dan niet verlenen van goedkeuring is een beschikking op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarop bezwaar en beroep mogelijk is. Het verdient aanbeveling dit in de overwegingen nadrukkelijk te vermelden.

Voor de plannen en onderzoeken in de kwadranten I en II wordt de goedkeuring niet verlangd, omdat de inhoud van die plannen en onderzoeken in de regel al vaststaat (bijvoorbeeld een meetplan volgens het BEES). Ook kan de goedkeuring aan een andere instantie worden overgelaten (bijvoorbeeld het goedkeuren van een brandbestrijdingsplan door de brandweer).

 

Moeten voorgenomen wijzigingen van een plan altijd opnieuw aan het bevoegd gezag ter goedkeuring worden overgelegd?

Door nieuwe inzichten, wetgeving of uit praktische overwegingen kan het noodzakelijk zijn om een (eerder goedgekeurd) plan te actualiseren. Uitgangspunt is dat wijzigingen van het plan opnieuw aan het bevoegde gezag worden voorgelegd. Afhankelijk van de gevolgen die het gewijzigde plan voor het milieu heeft, dient te worden bepaald welke actie ten aanzien van de wijziging moet worden ondernomen:

  1. Mededeling op grond van artikel 8.1, derde lid, juncto artikel 8.13, eerste lid, onder g, Wm (de verandering is in overeenstemming met de verleende vergunning en de daaraan verbonden voorschriften).
  2. Melding op grond van artikel 8.19, tweede lid Wm (verandering is niet in overeenstemming met de vergunning, maar heeft geen nadelige gevolgen voor het milieu).
  3. Ter goedkeuring voorleggen aan het bevoegd gezag, waarop het bevoegd gezag opnieuw moet beschikken.

 

STEM-publicatie "onderzoeksverplichtingen in milieuvergunningen"

Dit is een grootschalig onderzoek, waarin de volgende onderzoeksvragen aan de orde komen:

  1. Wat wordt met de bevoegdheid tot het opleggen van een onderzoeksverplichting beoogd?
  2. Hoe wordt deze bevoegdheid in de praktijk gehanteerd?
  3. In hoeverre worden de beoogde doelstellingen feitelijk gerealiseerd?
  4. Wat zijn de eventuele belemmeringen voor een doeltreffende toepassing van onderzoeksverplichtingen en welke mogelijkheden zijn er voor verbetering?
  5. Heeft de onderzoeksverplichting meerwaarde ten opzichte van andere instrumenten voor het stimuleren van de ontwikkeling en toepassing van de ‘schoonst mogelijke' technologie?
wetgeving en handhaving
 

Kenniscentrum InfoMil