Proefnemingen binnen een Wm-inrichting
Wet milieubeheer
Inhoud pagina: Proefnemingen binnen een Wm-inrichting

Deze pagina gaat over de vraag hoe er dient te worden omgegaan met proefnemingen binnen de inrichting in het kader van de vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer.
Veranderingen in de markt, beschikbare technologie en/of de wens om efficiënter of duurzamer te produceren, kunnen voor bedrijven aanleiding zijn om wijzigingen aan te brengen in de productiemethode. Doorgaans wordt met deze wijzigingen eerst (zonder Wm-vergunning) geëxperimenteerd, alvorens ze worden doorgevoerd in de bedrijfsvoering. Een proefneming is dus een tijdelijke activiteit die betrekking heeft op of voortvloeit uit de binnen de inrichting uitgevoerde hoofdactiviteiten met als doel de ontwikkeling, verbetering en/of beproeving van nieuwe methoden, processen, stoffen of technieken. Proefactiviteiten moeten uit de hoofdactiviteit voortvloeien omdat anders de grondslag van de aanvraag wordt verlaten.
Voorbeelden van proefnemingen zijn: het meestoken van een nieuwe biomassastroom in een elektriciteitscentrale, het testen van een nieuw grondreinigingsprocedé of het uitproberen van een chemische stof in een industrieel productieproces.
De proefnemingen waar het hier om gaat, hebben de volgende kenmerken:
- Ze zijn tijdelijk (de proefneming heeft een startmoment en een eindpunt en heeft een beperkte duur, doorgaans niet langer dan een half jaar)
- De milieugevolgen van de proefneming zijn vooraf niet of niet volledig bekend
Juridisch kader proefnemingen
Het al dan niet kunnen uitvoeren van experimenten hangt vooral af van de mate van gedetailleerdheid van de milieuvergunning.
In artikel 8.1, lid 1, van de Wet milieubeheer (Wm) is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning een inrichting op te richten, te veranderen of de werking daarvan te veranderen en in werking te hebben.
Uitzonderingen op artikel 8.1, lid 1, Wm:
- Veranderingen die in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende Wm-vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften. Soms kan in de vergunning de plicht staan om een schriftelijke mededeling van de beoogde veranderingen naar het bevoegd gezag te sturen (artikel 8.1, lid 3, Wm in samenhang met artikel 8.13, lid 1, sub g, Wm).
-
Veranderingen die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende Wm-vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige milieugevolgen. De vergunninghouder dient hiervoor een schriftelijke melding in en het bevoegd gezag neemt een goedkeuringsbesluit over deze melding (artikel 8.19, tweede en vierde lid, Wm).
Op wat voor manier kan een proefneming worden ingebed in de Wm-vergunning?
Een proefneming kan onder de Wm-vergunning vallen door:
- Een reeds geldende Wm-vergunning die ruimte biedt voor de beoogde proefneming.
- Een reeds geldende Wm-vergunning die ruimte biedt voor de beoogde proefneming, maar wel voorafgaande goedkeuring eist.
- Het opstellen van een tijdelijke Wm-vergunning (veranderingsvergunning).
Ad. 1: Reeds geldende Wm-vergunning
De vigerende Wm-vergunning biedt ruimte voor de beoogde proefneming. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden, die het uitvoeren van proefnemingen mogelijk maken. De vergunninghouder behoeft geen afzonderlijke aanvraag voor het mogen uitvoeren van een proefneming aan het bevoegd gezag te richten. Er is dan ook geen afzonderlijke goedkeuring nodig voor het mogen uitvoeren van de proefneming. De vergunninghouder dient de aanvang van de uitvoering van de proefneming eventueel wel bij het bevoegd gezag te melden, indien dit is bepaald in de vergunningvoorschriften.
Ad 2: Reeds geldende Wm-vergunning, maar met voorafgaande goedkeuring
In dit geval biedt de vigerende Wm-vergunning ruimte voor de beoogde proefneming en zijn er aan deze vergunning voorschriften verbonden die het uitvoeren van proefnemingen mogelijk maken. Weliswaar is in de vergunningvoorschriften bepaald dat een proefneming pas mag worden uitgevoerd na voorafgaande goedkeuring door het bevoegde gezag. Anders dan bij de situatie die hierboven is geschetst, dient het bevoegd gezag bij iedere afzonderlijke proefneming nog wel een besluit tot goedkeuring te nemen (en daar eventueel nadere eisen bij op te nemen).
In de goedkeuringsbeschikking vermeldt het bevoegd gezag de mate van milieubelasting van de voorgenomen proefneming en bij voorkeur ook welke grens in ieder geval niet mag worden overschreden. Hiervoor kan een bepaalde ruimte worden gegeven, bijvoorbeeld een verhoging van 5% ten opzichte van de reeds voor de gehele inrichting toegestane milieuruimte. Daarbij wordt opgemerkt dat dit niet mag leiden tot overschrijding van Europeesrechtelijke normen. In de goedkeuringsbeschikking wordt vermeld dat in het geval de in de goedkeuringsbeschikking vastgelegde emissienormen worden overschreden, het bevoegd gezag de goedkeuring kan intrekken. Het verlenen van goedkeuring is een beschikking op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen de goedkeuringsbeschikking is bezwaar en beroep mogelijk.
Ad 3: Het opstellen van een tijdelijke Wm-vergunning
Wanneer de vergunninghouder beschikt over een rechtsgeldige Wm-vergunning, maar deze voorziet niet in het uitvoeren van proefnemingen, dient in beginsel voor het uitvoeren van de proefneming een nieuwe Wm-vergunning te worden aangevraagd (veranderingsvergunning op grond van art. 8.1, eerste lid, onder b, Wm). Er kan worden overwogen een tijdelijke vergunning te verlenen. Artikel 8.17, eerste lid, Wm regelt dat in een vergunning kan worden bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij vast te stellen termijn van ten hoogste vijf jaar indien:
- dat nodig is in het belang van het ontwikkelen van werkwijzen in de inrichting, die minder nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken (lid c), of
- in verband met het ontwikkelen van een beter inzicht in de gevolgen van de inrichting voor het milieu (lid d).
In de vergunningaanvraag moeten de relevante milieugegevens over de proefneming worden vermeld. Zijn die gegevens ten tijde van de aanvraag onvoldoende bekend, maar niet direct nodig voor de beslissing op de aanvraag, dan kan het bevoegd gezag besluiten dat de betreffende gegevens later – na de afgifte van de beschikking - worden overgelegd. De vergunningverlener neemt dan in de voorschriften op dat voorafgaand aan de proefneming goedkeuring moet worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Het al dan niet verlenen van goedkeuring is een beschikking op grond van de Awb. Tegen deze beschikking is bezwaar en beroep mogelijk.
Voorschriften die aan de vergunning voor proefnemingen zouden kunnen worden verbonden
Aan de hand van de gegevens in de aanvraag, verbindt het bevoegd gezag proefnemingvoorschriften aan de vergunning. Hieronder staan voorbeelden van voorschriften zoals die aan de vergunning kunnen worden verbonden.
In de proefnemingvoorschriften kan het volgende worden geregeld:
- Voor het doen van proefnemingen moet goedkeuring worden aangevraagd bij het bevoegd gezag.
- Welke gegevens een verzoek om goedkeuring voor het doen van een proefneming dient te bevatten.
- Met de proefneming mag worden begonnen na goedkeuring van het bevoegd gezag.
- De meet-, registratie- en rapportageverplichtingen.
- De proefneming dient conform de aanvraag, het goedkeuringsverzoek en de goedkeuring plaats te vinden.
Het verdient aanbeveling in de overwegingen nadrukkelijk te vermelden dat:
- voor het doen van proefnemingen bij het bevoegd gezag een goedkeuringsverzoek moet worden ingediend,
- dat op dit verzoek afzonderlijk wordt beschikt en
- dat tegen deze beschikking bezwaar en beroep mogelijk is.
Voorbeeld voorschriften proefnemingen
1. De vergunninghouder mag, na goedkeuring van een aan het bevoegd gezag te overleggen proefbeschrijving, proefnemingen verrichten.
2. Uiterlijk (T1)* weken voor de voorgenomen aanvangsdatum van een proefneming moet een schriftelijk goedkeuringsverzoek aan het bevoegd gezag zijn voorgelegd, dat ten minste de volgende gegevens bevat:
- de doelstelling, de milieurelevantie en het verwachte resultaat van de proefneming
- een opgave van de geplande aanvangsdatum, alsmede van de duur van de proefneming (waarbij de duur van de proefneming niet langer is dan strikt noodzakelijk voor het verkrijgen van de benodigde gegevens voor de proef)
- de locatie binnen de inrichting waar de proefneming zal plaatsvinden
- een (proces)beschrijving van de proefneming inclusief de capaciteit, de (afval)stoffen en technieken waarmee wordt geëxperimenteerd (waarbij de capaciteit en de hoeveelheid materiaal die wordt beproefd, niet groter is dan strikt noodzakelijk voor het verkrijgen van de benodigde gegevens voor de proef)
- de verwachte milieugevolgen en milieurisico’s ten gevolge van de proefneming
- de verwachte afwijkingen tijdens de proefneming ten opzichte van de vigerende milieuvergunning(en)
- de te treffen voorzieningen om de milieubelasting zoveel mogelijk te beperken waaronder een afweging van de best beschikbare technieken
- de wijze waarop door middel van metingen en registraties de procesvoering van het proefneming en de emissies worden gecontroleerd, geregistreerd en beheerst
- de wijze waarop de resultaten van de proef worden gerapporteerd
- bij proefnemingen met afvalstoffen ook de productnaam, samenstelling en fysisch/chemisch/toxicologische specificaties van de afvalstof (onder meer of het een gevaarlijke afvalstof betreft)
- bij proefnemingen met afvalstoffen ook de locatie van herkomst (type bedrijf en soort proces) en de te behandelen hoeveelheid afvalstof
- bij proefnemingen met afvalstoffen ook de parameters waarop de betreffende afvalstof afwijkt ten opzichte van de vigerende acceptatiecriteria voor de betreffende verwijderingsmethode
- bij proefnemingen met afvalstoffen ook de verwachte bestemming van de reststromen, met vermelding van de fysische/chemische/toxicologische specificaties en eventuele hergebruiksmogelijkheden
- bij proefnemingen met afvalstoffen ook een beschrijving van de huidige verwijderingswijze en bestemming van de te beproeven afvalstof
- bij proefnemingen met afvalstoffen ook vermelden of de proef in overeenstemming met het Landelijk Afvalbeheerplan is.
T1*: bijvoorbeeld 6 weken (conform de procedure voor meldingen)
3. Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een proefbeschrijving zoals bedoeld in de voorschriften 1. en 2. toestemming onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken en te verwijderen hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.
4. Vergunninghouder mag niet eerder aanvangen met een proefneming dan nadat de schriftelijke toestemming van het bevoegd gezag is ontvangen.
5. De proefneming moet worden uitgevoerd conform deze vergunning, het goedkeuringsverzoek en de door het bevoegd gezag aan de goedkeuring verbonden voorwaarden.
6. Tijdens de proefneming moeten op de volgende parameters (emissie)metingen worden gedaan:
- parameter x;
- parameter y;
- parameter z.
De emissies van parameters x, y en z mogen niet hoger zijn dan de volgende normen:
- norm x;
- norm y;
- norm z.
De resultaten van de emissiemetingen, alsmede de toetsing van de meetresultaten aan de normen moeten gedurende minimaal vijf jaar binnen de inrichting worden bewaard en desgevraagd aan de toezichthouder ter beschikking worden gesteld.
7. Het bevoegd gezag kan een goedkeuring intrekken indien de in de vergunning en/of het goedkeuringsbesluit vastgelegde normen, zoals bedoeld in voorschrift 6, worden overschreden.
8. De resultaten van het proefneming moeten binnen twee maanden na beëindiging van de proefneming aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd. Het rapport dient ten minste de volgende elementen te bevatten:
- een evaluatie van de doelstelling en milieurelevantie van de proefneming;
- het resultaat van de proefneming;
- de opgetreden milieugevolgen en milieurisico’s ten gevolge van de proefneming;
- de resultaten van de emissiemetingen, alsmede de toetsing van de meetresultaten aan de normen;
- (T2)**;
- indien de proefneming voor de vergunninghouder aanleiding geeft tot wijziging van de bedrijfsvoering dan dient tevens te worden gerapporteerd over de te nemen acties.
T2**: voor bedrijven die onder de wettelijke rapportageplicht van hoofdstuk 12 van de Wet milieubeheer vallen, zal in het kader van het milieujaarverslag gerapporteerd worden. Indien toch een separate rapportage nodig wordt geacht, dient dit expliciet in de overwegingen gemotiveerd te worden. De in het voorschrift opgenomen opsomming kan afhankelijk van de bijzonderheden van de proefneming en de inrichting aangepast of aangevuld worden.
9. Het bevoegd gezag kan binnen (T3)*** weken na ontvangst van het rapport nadere eisen stellen aan de rapportage. Deze nadere eisen kunnen betrekking hebben op het verkrijgen van inzicht in de milieubelasting en milieurisico’s van de proefneming.
T3***: bijvoorbeeld 8 weken
Het rapport "Experimenten binnen de inrichting en de relatie tot de milieuvergunning" van de Evaluatiecommissie Wet milieubeheer
Dit rapport kunt u hier downloaden.

