Vergunning op de groei
Wet milieubeheer
Inhoud pagina: Vergunning op de groei
Vraag
Mag het bevoegd gezag bij het verlenen van de milieuvergunningen anticiperen op toekomstige ontwikkelingen bij een bedrijf? Hoever kan het gezag gaan bij het vergunnen van extra milieu(vervuilings)ruimte?
Antwoord

De Memorie van Toelichting zegt het nodige over deze problematiek (Kamerstuk 1998-1999, 26552, nr. 3, Tweede Kamer, pagina 9 en verder). De toetsing van het bevoegd gezag van de vergunning aan ALARA staat niet in de weg van het bieden van een zekere flexibiliteit in de vergunning. Binnen het beschermingsniveau op grond van ALARA, kan sprake zijn van flexibiliteit in de wijze waarop de inrichting mag worden ingericht en in de activiteiten en veranderingen die mogen plaatsvinden.
Toetsing aan ALARA betekent wel dat het bevoegd gezag nadrukkelijk moet afwegen of, en zo ja welke mogelijkheden het bedrijf moet krijgen voor toekomstige veranderingen van de inrichting of de werking daarvan. Met het oog op ALARA is het gewenst dat een fasering met betrekking tot de toegestane milieugevolgen wordt aangebracht. Als bijvoorbeeld in de vergunning een bepaalde uitbreiding is voorzien, moet worden voorkomen dat voordat de uitbreiding wordt gerealiseerd, de met die uitbreiding samenhangende nadelige milieugevolgen al mogen worden veroorzaakt. Kortom, een specifieke voorziene activiteit wordt op het moment van vergunningverlening aan voorschriften en beperkingen gekoppeld, die ingaan op het moment dat die activiteit wordt gerealiseerd. In die zin kan worden gesproken van anticiperen. Het bevoegd gezag kan onder meer gebruik maken van artikel 8.16, onder a en b Wm.
Het betekent dus wel dat het om plannen moet gaan die dermate concreet zijn dat duidelijk is wat er extra wordt opgericht en wat dit betekent voor de nadelige gevolgen voor het milieu. Het betekent ook dat wanneer binnen drie jaar niet is begonnen met het realiseren van deze activiteit, de vergunning voor dit deel van de inrichting van rechtswege vervalt.

