Een verandering waardoor er een "andere inrichting" ontstaat mag niet worden gemeld. Wanneer is er sprake van een "andere inrichting"?
Wet milieubeheer
Inhoud pagina: Een verandering waardoor er een "andere inrichting" ontstaat mag niet worden gemeld. Wanneer is er sprake van een "andere inrichting"?
Vraag
Volgens 8.19 lid 1, onder a, mag er geen sprake zijn van een andere inrichting. Wanneer is hiervan sprake bij de 8.19-melding van een wijziging van een beperkt gedeelte van de inrichting?
Antwoord

Bij het beoordelen of er sprake is van een andere inrichting, zijn verschillende aspecten van belang.
Relevant is allereerst of de inrichting onder dezelfde categorie-indeling van het Ivb blijft vallen: als de verandering leidt tot een inrichting in een andere categorie dan waarvoor vergunning is aangevraagd en verleend, is er sprake van een andere inrichting, zie de Memorie van Toelichting (MvT) op pagina 24 (TK 1998-1999, 26 552, nr. 3). Daar staat ook dat als bijvoorbeeld door het bijplaatsen van een niet in de vergunning voorziene installatie een tot nu toe niet vergunde maar op zichzelf ingevolge het Ivb vergunningplichtige activiteit gaat plaatsvinden, er sprake is van een andere inrichting. Dit moet volgens het ministerie van VROM ook weer niet zo strak gelezen worden, dat dan altijd sprake is van een andere inrichting.
Ook als de inrichting onder dezelfde categorie blijft vallen, kan er sprake zijn van een andere inrichting. Je kan dan kijken naar onder andere de volgende aspecten:
- wat is de hoofdactiviteit van de inrichting?
- wat kon de burger verwachten? (wat zijn de milieugevolgen buiten de inrichting? Is de activiteit verweven met de inrichting of is het iets heel anders wat er los van staat?)
- zou de nieuwe installatie of onderdeel als ze een volledige inrichting vormde onder een andere Ivb-categorie vallen?
- de grootte van de activiteit op zich (bij een grote inrichting is 5% iets heel anders dan bij een kleine inrichting)
Over de vraag of er al dan niet sprake is van een andere inrichting bestaat jurisprudentie, die echter nogal casuïstisch van aard is. De MvT noemt bijvoorbeeld de uitspraak van de RvS van 6 april 1998, E03.96.1439 (Roosendaal en Nispen). Sinds de invoering van de nieuwe 8.19-meldingsregeling heeft de RvS een aantal uitspraken gedaan waarin werd aangegeven dat er geen sprake was van een andere inrichting:
- Een inrichting voor het houden van varkens en kalveren mocht het oprichten van een hal voor de opslag en verkoop van onder meer fruit met een 8.19-melding afdoen (ABRvS 7 april 2004, 200304692/1).
- Een inrichting voor het repareren van landbouwwerktuigen en het samenstellen en lassen van staalconstructies wordt geen andere inrichting door de uitbreiding met een overdekte stallingsplaats voor landbouwwerktuigen en -voertuigen, waar geen andere activiteiten dan berging en stalling plaatsvinden. (ABRvS 10 juli 2002, 200106387/1).
- De Voorzitter oordeelde dat een gemelde verandering inzake een overdekte overslaglocatie niet zodanig ingrijpend was dat hierdoor een andere inrichting ontstond dan waarvoor vergunning was verleend (Voorzitter RvS, 18 november 2003, 200306715/1).
Gemeld werd dat in een installatie in plaats van 21.000 ton drijfmest van varkens, 18.000 ton drijfmest van varkens en 3.000 ton gedroogde pluimveemest zou worden verwerkt, zodat de totale capaciteit van de mestbewerkingsinstallatie gelijk bleef. De RvS oordeelde: "Nu een mestbewerkingsinstallatie en mestbewerkingsactiviteiten door verweerder reeds zijn vergund en de onderhavige 8.19-melding uitsluitend betrekking heeft op veranderingen van die installatie en het mestbewerkingsproces, leiden de veranderingen naar het oordeel van de Afdeling niet tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend" (ABRvS 3 maart 2004, 200304086/1).

