Er is een verzoek van een derde tot het intrekken van een vergunning. Het bevoegd gezag gaat daar niet op in. Moet er nu afgewezen worden met toepassing van dezelfde procedure als voor het verlenen van een intrekkingsvergunning?
Wet milieubeheer
Inhoud pagina: Er is een verzoek van een derde tot het intrekken van een vergunning. Het bevoegd gezag gaat daar niet op in. Moet er nu afgewezen worden met toepassing van dezelfde procedure als voor het verlenen van een intrekkingsvergunning?
Vraag
Er is een verzoek van een derde tot het intrekken van een vergunning. Het bevoegd gezag gaat daar niet op in. Moet er nu afgewezen worden met toepassing van dezelfde procedure als voor het verlenen van een intrekkingsvergunning?
Antwoord

Ja. In het algemeen staat tegen een afwijzend besluit dezelfde rechtsgang open als tegen een inwilligend besluit. Anders zou bij een afwijzend besluit zonder voorprocedure besloten kunnen worden en bij een toewijzend besluit niet.
Zie de uitspraak ABRvS 7 mei 1998, E03.95.1651, Milieu-online. De jurisprudentie betreffende het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding op 1 juli 2005 van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 24 juni 2002, Stb. 54) en de Aanpassingswet uniforme voorbereidingsprocedure Awb (wet van 26 mei 2005, Stb. 282), volgt deze opvatting.
Deze jurisprudentie komt erop neer dat bij een verzoek om intrekking van een vergunning op grond van artikel 8.25 Wet milieubeheer onder a (wegens ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu) door een derde zowel voor inwilliging als afwijzing dezelfde procedure wordt gevolgd. Volgens lid 7 van de oude regeling is paragraaf 3.5.6 Awb oud (Awb nieuw: lid 4, afdeling 3.4) zowel bij inwilliging als bij afwijzing van een verzoek tot intrekking van een vergunning van toepassing. Voor de beslistermijn geldt de algemene regeling van de artikelen 4:13 en 4:14 Awb (acht weken).
Bovenstaande uitspraak geldt voor intrekking op grond van grond a van 8.25 Wm. Analoog zal dit ook gelden voor wijziging of aanvulling van de vergunning op verzoek van derden op grond van 8.23 Wm, omdat ook daar dezelfde procedure is voorgeschreven.
Zoals in de vragen over artikel 8.25 Wm en artikel 8.26 Wm uiteen is gezet, geldt voor intrekking op basis van grond c, d, e of f , eerste lid van 8.25 Wm de procedure van lid 8 van 8.25 Wm. Als een derde verzoekt om intrekking op grond c, d, e of f, zal analoog aan bovenstaande uitspraak de procedure van lid 8 gevolgd moeten worden.
Bovenstaande intrekkingmogelijkheden moeten overigens worden onderscheiden van die genoemd in artikel 18.12 Wm. Bij 18.12 Wm gaat het om intrekking van een vergunning door het bevoegd gezag als sanctie, als niet overeenkomstig de vergunning wordt gewerkt of als de voorschriften niet worden nageleefd. Op deze laatste intrekkingsprocedure is hoofdstuk 4 Awb van toepassing.

