Wat gebeurt er met de vergunning als de inrichting overgaat in andere handen of als de inrichting ophoudt te bestaan?

Home > Onderwerpen > Integrale milieuregels > Wet milieubeheer > Vragen en antwoorden > Het begrip "inrichting" > Wat gebeurt er met de vergunning als de inrichting overgaat in andere handen, de inrichting ophoudt te bestaan of de inrichting onder een amvb komt?

Wat gebeurt er met de vergunning als de inrichting overgaat in andere handen of als de inrichting ophoudt te bestaan?

Wet milieubeheer

Inhoud pagina: Wat gebeurt er met de vergunning als de inrichting overgaat in andere handen of als de inrichting ophoudt te bestaan?

Vraag

Wat gebeurt er met de vergunning als de inrichting overgaat in andere handen, de inrichting ophoudt te bestaan of de inrichting onder een amvb komt?

Antwoord

 Let op: deze tekst is niet aangepast aan de Wabo.

De vergunning gaat op grond van artikel 8.20 Wm automatisch mee over. De vergunning is namelijk zaaksgebonden en niet persoonsgebonden. Er zijn verschillende situaties denkbaar:

1 Het nieuwe bedrijf verricht dezelfde soort activiteiten als het oude bedrijf

In dit geval kan de oude vergunning gebruikt worden door het nieuwe bedrijf. Zijn er wijzigingen of uitbreidingen (bijvoorbeeld een grotere opslag of meer aan- en afvoer), dan is een wijzigings-, uitbreidings- of eventueel revisievergunning nodig. De grondslag van de aanvraag mag echter niet worden verlaten. Het verlenen van een oprichtingsvergunning is niet mogelijk, omdat op één inrichting niet meerdere oprichtingsvergunningen mogen rusten (zie onder andere ABRvS 30 juni 1997, E03.96.0006, M&R 1997/116 en ABRvS 20 juni 2000, E03.98.1366 waarin aangegeven werd dat er een revisievergunning verlangd had moeten worden maar de Raad van State de foutief verleende oprichtingsvergunning als een revisievergunning beschouwde).

2 Het nieuwe bedrijf verricht andersoortige activiteiten dan het oude bedrijf

In dit geval is de oude vergunning niet meer toereikend. Volgens de huidige lijn van de jurisprudentie (zie bijv. ABRvS 20 maart 2002, 200100206/2; ABRvS 27 maart 2004, 200306177) kan er ook bij andere activiteiten dan genoemd in de oprichtingsvergunning een revisievergunning verleend worden. Het is dus niet (meer) nodig om eerst de vergunning in te trekken en daarna een nieuwe oprichtingsvergunning te verlenen.

Zie bijvoorbeeld ABRvS 20 maart 2002, 200100206/2: De vergunning heeft betrekking op een inrichting van een geheel andere aard dan de inrichting waarop de onderliggende vergunning betrekking heeft. De systematiek van de Wet milieubeheer en met name artikel 8.4 Wm verzetten zich er niet tegen dat in een dergelijk geval een revisievergunning wordt verleend. De wet geeft geen indicatie dat bepaalde veranderingen wel en andere veranderingen niet in het kader van een revisievergunning kunnen worden verwezenlijkt. Het verlenen van een revisievergunning voor een wezenlijk andere inrichting dan die waarop de onderliggende vergunning ziet is derhalve mogelijk, ook al zijn de milieugevolgen van een andere aard of intensiteit dan de milieugevolgen die op grond van de onderliggende Hinderwetvergunning waren toegestaan. Het bevoegd gezag moet in een dergelijk geval de aanvraag beoordelen als betrof deze een oprichtingssituatie.

3 De inrichting houdt op te bestaan

Hiervan is bijvoorbeeld sprake als op de locatie van het oude bedrijf geen nieuw bedrijf meer komt, maar een woonwijk. Al is in dat geval de kans klein dat iemand de vergunning nog wil gebruiken, toch is het aan te bevelen de vergunning in te trekken op grond van artikel 2.33 van de Wabo. Zo wordt voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat en dat iemand alsnog aanspraak maakt op de vergunning en daarbij behorende rechten.

4 Het nieuwe bedrijf komt onder de werkingssfeer van een 8.40-amvb te vallen

Een omgevingsvergunning voor het aspect milieu vervalt niet altijd van rechtswege als een bedrijf niet meer vergunningplichtig is op grond van Bijlage 1 van het Besluit Omgevingsrecht (Bor) (ABRvS 29 oktober 2008, nr. 200802355/1 en ABRvS 28 januari 2009, 200707589/1).

Als het bedrijf, doordat (een wijziging van) het Bor en het Activiteitenbesluit of een agrarische 8.40-amvb in werking is getreden, onder het Activiteitenbesluit of een agrarische amvb is komen te vallen, dan vervalt de vergunning van rechtswege.

Komt een bedrijf echter onder het Activiteitenbesluit of een agrarische amvb te vallen door wijzigingen binnen het bedrijf, dan vervalt de vergunning niet van rechtswege. Het bedrijf kan altijd weer de activiteiten conform zijn vergunning uitvoeren.

Doordat het bovenstaande uit nieuwe jurisprudentie volgt, is nog niet helemaal duidelijk wat de status van de "slapende" vergunning is bij een amvb-inrichting. Uit de RvS-uitspraak van 28 januari 2009 kan afgeleid worden dat een bedrijf uitsluitend hoeft te voldoen aan de eisen uit een amvb, zolang het alleen activiteiten uitvoert die op grond van Bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht niet tot vergunningplicht leiden. Toezicht en handhaving moeten dan plaatsvinden op basis van de voorschriften in de amvb. Het bedrijf houdt het recht om ook de vergunningplichtige activiteiten, die in de vergunning geregeld zijn weer te gaan uitvoeren. Als het bedrijf weer vergunningplichtige activiteiten conform zijn vergunning uitvoert, dan moet toezicht en handhaving weer plaatsvinden op basis van de voorschriften uit de vergunning. Als dit onwenselijk is, kun je als bevoegd gezag de vergunning (deels) intrekken. Dit kan echter alleen op grond van artikel 2.33 van de Wabo.

wetgeving en handhaving
 

Kenniscentrum InfoMil