Besluit landbouw milieubeheer - opslag vaste mest wel/geen inrichting
Inhoud pagina: Besluit landbouw milieubeheer - opslag vaste mest wel/geen inrichting
Vraag
Aan welke eisen moet de opslag van mest op een (kop)akker of weiland voldoen?
Antwoord
Het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: Besluit) is alleen van toepassing op inrichtingen. Het Besluit kan ook van toepassing zijn op een zelfstandige opslag van vaste mest (bijvoorbeeld opslag op kopakkers).
Onderdeel van de inrichting
Als de opslag van vaste mest beschouwd kan worden als onderdeel van een inrichting (bijvoorbeeld de veehouderij), dan moet de opslag voldoen aan de eisen in de Wm-vergunning of in het Besluit. De opslag kan onderdeel zijn van de inrichting indien de opslag is gelegen binnen circa 1000 meter van de veehouderij. Als één inrichting worden beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Zie ook jurisprudentie hierover.
ABRvS nr. 200608759/1 van 9 mei 2007 (Oosterhout) gaat over een mestopslag op een terrein van de inrichting. "Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer maken, kort weergegeven, alle installaties die in elkaars onmiddellijke nabijheid liggen en die onderling bindingen hebben, deel uit van deze inrichting. De mestopslag vond plaats op het terrein van de inrichting en maakt daarvan deel uit. Dat de mestopslag zelfstandig beschouwd wellicht niet vergunningplichtig zou zijn, doet daaraan niet af.
Nu geen vergunning is verleend voor de opslag van mest van derden in de inrichting, heeft verweerder terecht geconstateerd dat de inrichting zonder vergunning, en daarmee in strijd met artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, is veranderd. Verweerder kon daarom terzake handhavend optreden."
Geen onderdeel van de inrichting
Als de opslag van mest geen onderdeel van een inrichting is, moet worden beoordeeld of de opslag zelfstandig een inrichting vormt. Er is sprake van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer (Wm) indien de activiteit voldoet aan de omschrijving van het begrip 'inrichting' in artikel 1.1 van de Wm en tevens tot een categorie van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit (Ivb) behoort. De opslag van vaste mest is genoemd in categorie 7.1 onder a van het Ivb.
Volgens artikel 1.1, eerste lid Wm wordt onder een inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. Criteria die hierbij worden gehanteerd zijn:
- de bedrijvigheid dient bedrijfsmatig of in een bedrijfsmatige omvang te worden verricht,
- de bedrijvigheid pleegt te worden verricht; kent een vaste duur (gedurende een zekere tijd een vaste locatie) of een zekere continuïteit (met een zekere regelmaat),
- het plegen van de bedrijvigheid dient binnen een zekere begrenzing plaats te vinden.
Dit toegepast op opslag van vaste mest betekent:
- opslag van vaste mest met een omvang van minimaal 10 m3 (categorie 7.1 onder a van het Ivb),
- eenmalig gedurende langere tijd of periodiek gedurende een bepaalde periode,
- er is sprake van een zekere 'plaatsgebondenheid'; opslag op een bepaalde(jaarlijks terugkerende) locatie.
Een periode van zes maanden wordt vaak gehanteerd in het geval van eenmalige activiteiten. Hierbij is aansluiting gezocht bij de duur van een Wm-vergunningprocedure. Het bevoegd gezag kan anders besluiten. Indien sprake is van periodiek terugkerende activiteiten is de duur minder relevant omdat sprake is van een zekere regelmaat.
De opslag hoeft ook niet op exact dezelfde locatie op de akker of het weiland plaats te vinden. Uit ABRvS nr. 199903110/1 en 2 van 7 december 1999 blijkt dat ook een tijdelijke opslag van kippenmest op het akkerbouwland gelegen bij de kuikenmesterij een permanent karakter kan hebben. In casu werd acht keer per jaar na elke mestperiode de aanwezige mest verwijderd en opgeslagen op verschillende plaatsen op de bij de mesterij behorende grond. De mest werd vervolgens op enig moment gedeeltelijk over deze grond verdeeld en, indien aan afnemer zich meldt verdeeld over land van derden. Beoordeeld werd dat sprake was van een permanent karakter.
In lijn met deze uitspraak is de verwachting dat menige mestopslag, die tijdelijk van aard is, maar ieder seizoen op een andere locatie op de landerijen van de veehouderij aanwezig is (een regelmatig terugkerende activiteit) een inrichting is.
Als de opslag van mest een inrichting is, zal in veruit de meeste gevallen het Besluit van toepassing zijn. Als een opslag groter is dan 600 m3 is het Besluit niet van toepassing (artikel 3, eerste lid, onder m sub 10). Het Besluit beoogt ook tijdelijke mestopslagen te regelen. Het Besluit stelt al eisen aan een opslag indien de duur van de opslag langer is dan twee weken.
Geen inrichting
Als geen sprake is van een inrichting, kunnen mogelijk eisen worden gesteld op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). In de APV zou aansluiting kunnen worden gezocht bij eisen van het Besluit.
Ten aanzien van het toezicht en handhaving van dergelijke mestopslagen wordt geadviseerd om de inrichtinghouder vóórdat de (tijdelijke) opslagen op de kopakkers verschijnen, te berichten over de voorwaarden waaraan een dergelijke mestopslag moet voldoen.

