Landbouw - Juridisch : Behoort een uitloop tot de inrichting?

Landbouw - Juridisch : Behoort een uitloop tot de inrichting?

Inhoud pagina: Landbouw - Juridisch : Behoort een uitloop tot de inrichting?

Vraag

Wanneer behoort een uitloop of een open terrein waar vee wordt gehouden tot de inrichting?

Antwoord

Veehouderijen hebben vaak weilanden waar dieren lopen, of een uitloop voor de dieren. Voor de beoordeling van stank en ammoniak van deze dieren is het van belang om te weten of zo'n weiland of uitloop bij de inrichting hoort of niet. Alleen dan kan namelijk beoordeling in het kader van de omgevingsvergunning plaatsvinden. Als zo'n weiland of uitloop niet bij de inrichting hoort, moet worden teruggevallen op andere regelingen. Dit geldt ook voor bijvoorbeeld een open terrein waar vee wordt gehouden: de vraag is dan of zo'n open terrein wel of niet zelfstandig als inrichting moeten worden beschouwd.

Inrichting

Over het algemeen horen weiland of landerijen niet tot de inrichting, maar een uitloop meestal wel. Dit blijkt uit jurisprudentie. Het begrip inrichting van artikel 1.1 lid 1 Wm speelt daarbij in de jurisprudentie een centrale rol. Onder inrichting wordt verstaan 'elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht'. In deze definitie komen de thema's bedrijfsmatige omvang, bedrijvigheid en begrenzing aan bod. Uit jurisprudentie blijkt dat het vaak een combinatie van deze onderwerpen is, die aanleiding geeft om een uitloop of een open terrein als inrichting te zien.

Weiland en landerijen

Een weiland en landerijen zijn over het algemeen geen (deel van de) inrichting; dieren die in het weiland staan worden niet tot de inrichting gerekend. Aan de vergunning kunnen dan ook geen voorschriften worden verbonden met betrekking tot (indirecte) gevolgen die worden veroorzaakt door activiteiten die plaatsvinden op, in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, gelegen landerijen. Een en ander komt zeer uitgebreid aan bod in het artikel "Agrarische activiteiten en de Wet milieubeheer" in Agrarisch Recht 1998, aflevering 12. Ook in ABRvS, 200002942/1en 2, 31 augustus 2000, Valkenburg a.d. Geul, JM 2000-11/158, oordeelde de Afdeling dat een weiland waarin schapen worden gehouden en waarin een schuilhok aanwezig is (die slechts ruimte bood aan max. 10 schapen) niet beschouwd kan worden als een inrichting op grond van de Wm.  Ook uit uitspraak ABRvS, 200005461/2 van 20-6-2001 (JM2001-10/131, ABkort 2001-29/426, NB StAB 2001-4/K60, M&R 2001-9/176K) blijkt dat een weiland geen onderdeel kan uitmaken van de inrichting.

Toch kan bij een intensief gebruik van een weiland, een weiland wél onderdeel zijn van de inrichting:

  • In ABRvS, 199900940/1 van 29-9-2000 oordeelde de Afdeling dat een weiland onderdeel uitmaakte van de inrichting (Nieuwsbrief StAB 2001-1/K84,  AgriSelect  2000-10/4.2). Hierin kwam een afgezet open terrein aan bod. Het bevoegd gezag had terecht een weiland waarop struisvogels werden gehouden  bij de aanvraag betrokken.  Daarbij achtte de Afdeling  het van belang dat "het weiland direct naast de bebouwing is gesitueerd en dat het is onderverdeeld in 24 compartimenten met elk daarvan een schuilhut en dat de struisvogels het hele jaar in deze compartimenten werden gehouden". 
  • In ABRvS 200508529/1 van 19 april 2006 oordeelde de Afdeling dat een weiland van één hectare, dat begrensd werd door een sloot en een gesloten afrastering, mede gezien de geringe omvang in relatie tot het aantal dieren kon worden gekenmerkt als een uitloopweide die intensief wordt gebruikt en maakte om die reden deel uit van de inrichting.           

 

Uitloop

 

Een uitloop is meestal wél onderdeel van de inrichting. Uit de uitspraak ABRvS, E03.97.1417, 15 februari 1999, Barneveld, JM2000/7, was een uitloop van kippen in een buitenren  onderdeel van de inrichting. In de uitloop liep 10% van de kippen van 10 uur 's morgens tot eind van de middag. Deze uitloop moest worden meegenomen bij de beoordeling van stank.

De mate van het gebruik van een weiland als uitloop (intensief of extensief) kan bepalend kan zijn, blijkt uit ABRvS, 200105119/1, 21 augustus 2002, Maasbree, Nieuwsbrief StAB2002-4/K65. Hierin kwam een oprichtingsvergunning aan de orde die was geweigerd voor 240 zeugen met als huisvestingsysteem "groepshuisvesting met weide-uitloop". De uitloop is omheind met prikkeldraad, ligt direct aansluitend aan de schuilhut en de voederplaats met voedersilo en wordt daarvan slechts gescheiden door een hekwerk dat op enkele plaatsen open kan. De zeugen mesten in de uitloopweide. Het schuilhok en de voerderplaats bieden geen reële mogelijkheid voor het mesten van 240 zeugen. De uitloopweide heeft een oppervlakte van 3,2 hectare. De zeugen zijn van april tot en met november aanwezig. Op goede gronden is dus overwogen dat het weiland niet extensief wordt gebruikt. De Afdeling is hierdoor van oordeel dat de uitloopweide deel uitmaakt van de inrichting.

Ook In ABRvS nr. 00205738/1 van 27-8-2003 en ABRvSnr. 200302055/1 van 24-09-2003 vormde een uitloop een onderdeel van de inrichting. Zie ook ABRvS 200508529/1 van 19 april 2006 waarin een weiland dat als uitloopweide wordt gebruikt en zodanig intensief dat het weiland onderdeel is van de inrichting.

Voor de beoordeling wat betreft ammoniak en stank  bij een uitloop wordt verwezen naar vraag  'Beoordeling uitloop voor stank en ammoniak'. Wat betreft de beoordeling voor stank onder de Wsv wordt verwezen naar vraag 'Afstandsmeting'.

85004
85838
90681
85542
88935
87807
agrarisch

Zie ook

 

Kenniscentrum InfoMil