Landbouw - Juridisch: Eén inrichting
Inhoud pagina: Landbouw - Juridisch: Eén inrichting
Vraag
Is er jurisprudentie over het begrip één inrichting bij veehouderijen?
Antwoord
Jurisprudentie bij agrarische bedrijven
In artikel 1.1 lid 4, tweede en derde volzin Wm is opgenomen: Daarbij worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.
Op de pagina "het begrip inrichting" vindt u een publicatie waar nader wordt ingegaan op het begrip inrichting. Op pagina 41 t/m 65 wordt ingegaan op het onderwerp één of meerdere inrichtingen en welke aspecten van belang zijn om te beoordelen. Hieronder is uitsluitend jurisprudentie bij veehouderijen over dit onderwerp opgenomen.
ABRvS nr. 200708535/1, 13 augustus 2008 (Berkelland)
"Ter zitting is gebleken dat circa 600 meter is gelegen tussen de [locatie A] en de [locatie B]. Gezien deze afstand kan niet worden gesproken van installaties die in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Reeds hierom kunnen de beide onderdelen niet tezamen als één inrichting worden aangemerkt."
ABRvS nr. 200704723/1, 11 juni 2008 (Noord-Brabant)
"De aanvraag om vergunning heeft uitsluitend betrekking op de inrichting op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente [...], sectie [...], nummer [...]. Door [bedrijf] is een vergunning aangevraagd voor een varkenshouderij op het naastgelegen perceel. Op die aanvraag is nog niet beslist en die inrichting is, net als de inrichting waarop de bij het bestreden besluit verleende vergunning ziet, nog niet opgericht. Uit de aanvraag voor de onderhavige vergunning blijk niet dat de inrichting zodanige technische, organisatorische en/of functionele bindingen zal hebben met de door [appellant sub 1] en anderen en Altenatuur genoemde veehouderij, waarvoor door [bedrijf] vergunning is aangevraagd, dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van twee afzonderlijke inrichtingen. Voor zover [appellant sub 1] en anderen en Altenatuur aanvoeren dat tussen beide inrichting in de toekomst zodanige technische, organisatorische en/of functionele bindingen zullen ontstaan dat sprake zal zijn van één inrichting overweegt de Afdeling dat dit geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen."
VzABRvS nr. 200800984/2, 4 april 2008 (Zeewolde)
"De voorzitter acht het gelet op de stukken en de door het college genoemde uitspraken van de Afdeling (uitspraken van 18 juli 2007 in zaak nr. 200607108/1 en 14 november 2007 in zaak nr. 200703589/1; www. raadvanstate. nl) aannemelijk dat Meijer weliswaar over beide installaties zeggenschap heeft en dat de installaties in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen, maar dat geen zodanige technische, organisatorische of functionele bindingen aanwezig zijn dat deze tezamen als één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer moeten worden beschouwd. Ook in zoverre is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening."
ABRvS nr. 200705187/1, 9 april 2008 (Nunspeet)
"Voor zover [appellant] betoogt dat in gebouw A niet alleen te verhuren appartementen zijn gevestigd, maar ook de bedrijfswoning bij de veehouderij, overweegt de Afdeling dat hieruit evenmin volgt dat er een technische, functionele of organisatorische binding bestaat tussen de veehouderij en bijbehorende bedrijfswoning en de woningverhuur. Dat, zoals [appellant] verder betoogt, het gebouw A een gemeenschappelijke aansluiting voor gas, water en elektriciteit heeft is weliswaar een technische binding tussen de woningverhuur en de bedrijfswoning van de veehouderij, maar niet een binding van zodanige betekenis dat de veehouderij en de woningverhuur als één inrichting moeten worden aangemerkt.
[appellant] betoogt verder onder meer dat de bewoners eigen paarden in de veehouderij kunnen stallen en verplicht zullen zijn deze paarden zelf te verzorgen, en dat de huurders en [appellant] dezelfde machines zullen gebruiken voor onderhoud van de tuin. Voor zover hierin bindingen in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer moeten worden gezien, zijn deze evenmin van zodanige betekenis dat de veehouderij en de woningverhuur tezamen als één inrichting zouden moeten worden aangemerkt."
ABRvS nr. 200703747/1, 23 januari 2008 (Nuenen, Gerwen en Nederwetten)
"Ter zitting is gebleken dat de paardenhouderij op het perceel Papenvoortse Heide 3B en die op de Papenvoortse Heide 4A op 710 meter afstand van elkaar liggen. Gezien deze afstand kan niet worden gesproken van installaties die in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Reeds hierom kunnen de beide onderdelen niet tezamen worden aangemerkt als één inrichting."
ABRvS nr. 200703589/1, 14 november 2007 (Littenseradiel)
"De Afdeling is niet gebleken van zodanige technische, organisatorische of functionele bindingen tussen de windturbine en de veehouderij met mestvergistingsinstallatie dat deze samen als één inrichting als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer moeten worden aangemerkt. Volgens de stukken en het verhandelde ter zitting staan het functioneren en het onderhoud van de windturbine los van de veehouderij met mestvergistingsinstallatie en wordt de door de windturbine opgewekte stroom niet ingezet ten behoeve van de veehouderij met mestvergistingsinstallatie, doch rechtstreeks en via een apart transformatorhuisje geleverd aan het elektriciteitsnet. Voor zover appellant stelt dat dit ook geldt voor de met de mestvergistingsinstallatie opgewekte stroom, overweegt de Afdeling dat deze stroom blijkens de aanvraag om vergunning in elk geval deels voor eigen gebruik wordt ingezet. Voorts bestaan tussen de veehouderij en de mestvergistingsinstallatie andere relevante bindingen, zoals het gebruik van mest uit de veehouderij ten behoeve van het vergistingsproces, op grond waarvan deze samen wel als één inrichting moeten worden aangemerkt."
ABRvS nr. 200702734/1, 24 oktober 2007 (Ede)
"Appellant heeft vergunning gevraagd voor een inrichting bestaande uit een melkrundveehouderij en een paardenhouderij. De melkrundveehouderij is gevestigd op het perceel [locatie a] en de paardenhouderij is gevestigd op het perceel [locatie b]. De afstand tussen de melkrundveehouderij en de paardenhouderij bedraagt hemelsbreed ongeveer 700 meter."
"Gezien de afstand tussen de melkrundveehouderij en de paardenhouderij is er geen sprake van installaties die in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Reeds hierom kunnen de melkrundveehouderij en de paardenhouderij niet tezamen worden aangemerkt als één inrichting."
ABRvS nr. 200608398/1, 5 september 2007 (Coevorden)
"Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn de akkerbouwproducten die worden verbouwd voor de biomassavergistingsinstallatie, niet te gebruiken als voer voor meststieren. Beide bedrijven maken derhalve gebruik van verschillende grondstoffen en verschillende productieprocessen die ruimtelijk gescheiden van elkaar plaatsvinden. Voorts zal voor het zaaien en oogsten van de gewassen niet van dezelfde machines gebruik worden gemaakt en zal de opslag van de akkerbouwproducten ten behoeve van de stierenmesterij respectievelijk de biomassavergistingsinstallatie gescheiden plaatsvinden. Gelet op vorenstaande bestaan er geen zodanige functionele en technische bindingen tussen de twee bedrijven dat zij dienen te worden beschouwd als tot eenzelfde onderneming behorende installaties die onderling technische of functionele bindingen hebben. De stelling van appellanten dat bij de bedrijfsvoering van het bedrijf op [locatie] mest van het bedrijf op [locatie 1] kan worden gebruikt, leidt niet tot een ander oordeel, in aanmerking genomen dat ter zitting aannemelijk is gemaakt dat de benodigde mest voor het bedrijf op [locatie] een zeer beperkt percentage betreft en deze eveneens elders kan worden betrokken. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de bedrijven twee inrichtingen vormen."
ABRvS nr. 200607108/1, 18 juli 2007 (Wunseradiel)
"De omstandigheid dat zowel de kippenhouderij als de windmolen worden genoemd op eierdozen en de website van " Energy Egg Farm" duidt er, in samenhang met de omstandigheid dat vergunninghouder over beide installaties zeggenschap heeft, weliswaar op dat deze installaties tot eenzelfde onderneming als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer behoren, doch daarmee is nog niet gegeven dat het gaat om één inrichting in de zin van die bepaling. Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting kan niet worden gesproken van zodanige, technische, organisatorische of functionele bindingen tussen beide installaties, dat deze tezamen als één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer moeten worden beschouwd."
ABRvS nr. 200607498/1, 20 juni 2007 (Echt-Susteren)
"Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de afstand tussen beide veehouderijen ongeveer 400 meter zal bedragen. Gelet hierop, gaat het in dit geval niet om installaties die in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Overigens is, mede gelet op het verhandelde ter zitting, niet gebleken van enige binding tussen beide veehouderijen. De veehouderijen kunnen dan ook niet tezamen worden aangemerkt als één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer."
ABRvS nr. 200605756/1, 30 mei 2007 (Maasbree)
"Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, tweede volzin, van de Wet milieubeheer worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.
Gezien de afstand tussen deze varkenshouderijen is er geen sprake van installaties die in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Reeds hierom kunnen de twee varkenshouderijen niet tezamen worden aangemerkt als één inrichting."
ABRvS nr. 200608122/1, 16 mei 2007 (Bellingwedde)
"Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het mestbassin is gelegen op een aangrenzend perceel op een afstand van 280 meter van de melkrundveehouderij van vergunninghoudster. De feitelijke werkzaamheden ten aanzien van het mestbassin, zoals de opslag van mest afkomstig van onder meer de melkrundveehouderij van vergunninghoudster, worden weliswaar uitgevoerd door een loonwerkersbedrijf, doch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat vergunninghoudster wel zeggenschap heeft over deze werkzaamheden en de wijze waarop ze worden uitgevoerd. Bovendien worden deze werkzaamheden uitgevoerd met behulp van machines van vergunninghoudster. Nu, gelet hierop, sprake is van zowel technische als organisatorische bindingen tussen de melkrundveehouderij en het mestbassin, is naar het oordeel van de Afdeling sprake van één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer."
ABRvS nr. 200603008/1, 22 november 2006 (Oosterhout)
"Vast staat weliswaar dat [gemachtigde] beide veehouderijen (indirect) in eigendom heeft en dat hij daarover ook feitelijke zeggenschap heeft, maar uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, blijkt dat tussen de beide veehouderijen niet zodanige technische, organisatorische of functionele bindingen bestaan dat van één inrichting sprake zou zijn. Daarbij neemt de Afdeling wat de ondergrondse leiding betreft in aanmerking dat onweersproken is gebleven dat deze onklaar is gemaakt. Voorts neemt zij in aanmerking dat de afstand tussen het perceel van de bij het bestreden besluit vergunde veehouderij en het perceel van de veehouderij aan de [locatie 2], blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, via de openbare weg circa 850 meter is en dat beide locaties van elkaar gescheiden worden door percelen van derden. 1 eigenaar, 2 inrichtingen." Er is geen sprake van één inrichting op grond van de Wet milieubeheer.
ABRvS nr. 200603390/1, 15 november 2006 (Oldebroek)
"Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken van de volgende organisatorische bindingen tussen de varkenshouderij van appellante en de varkenshouderij aan de [locatie 2]. De administratie voor het Mineralen Aangifte Systeem, de zogenoemde MINAS-administratie, van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de daaraan gekoppelde varkensrechten voor de inrichting en de varkenshouderij aan de [locatie 2] staan op naam van [vergunninghouder B]. Voorts verricht [vergunninghouder B] arbeid ten behoeve van de varkenshouderij van appellante door te assisteren bij het lossen van vrachtwagens. Hier staat, bij wijze van vergoeding, tegenover dat hij voor een gereduceerde prijs varkens kan afnemen van appellante.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken van de volgende functionele bindingen tussen de varkenshouderij van appellante en de paardenhouderij aan de [locatie 1]. De bij de varkenshouderij van appellante behorende berging wordt tevens gebruikt voor het stallen van paarden die behoren tot de paardenhouderij aan de [locatie 1]. Voor zover appellante in dit verband heeft gesteld dat dit slechts een weergave is van de feitelijke situatie en dat het houden van paarden in voornoemde berging niet is aangevraagd, overweegt de Afdeling dat voor het antwoord op de vraag of het hier één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer betreft de feitelijke situatie bepalend is. Verder wordt de douche in de bedrijfswoning aan de [locatie 1], die tot de paardenhouderij aan de [locatie 1] behoort, tevens gebruikt ten behoeve van medewerkers van de varkenshouderij van appellante.
Voorts is ter zitting gebleken dat er een technische binding bestaat tussen de varkenshouderij van appellante, de paardenhouderij aan de [locatie 1] en de varkenshouderij aan de [locatie 2] nu er gemeenschappelijke nutsvoorzieningen zijn voor alle activiteiten die op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] plaatsvinden. Bovendien zijn deze locaties in elkaars onmiddellijke nabijheid gelegen."
ABRvS nr. 200408961/1, 7 september 2005 (Meerlo- Wanssum)
"De Afdeling stelt op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat grond en opstallen voor zowel de varkenshouderij als de mestopslagruimte eigendom zijn van vergunninghoudster, maar dat elk bedrijf geheel afzonderlijk door vergunninghoudster respectievelijk [partij] wordt geëxploiteerd. Elk bedrijf heeft een afzonderlijk management en boekhouding. In de mestopslagruimte wordt geen varkensmest afkomstig van de varkenshouderij, maar pluimveemest opgeslagen. Elk bedrijf beschikt verder, anders dan appellanten hebben gesteld, over een afzonderlijke elektriciteitsmeter." Er is geen sprake van één inrichting op grond van de Wet milieubeheer.
ABRvS nr. 200508445/1, 1 augustus 2006 (Hof van Twente)
"Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is zowel het paardenopfokbedrijf waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend, als de paardenhouderij op het perceel [locatie a] te [plaats] in eigendom bij vergunninghouder. Van onderlinge technische, organisatorische of functionele bindingen tussen de locaties is echter niet gebleken. Verder bedraagt de afstand tussen de locaties - hemelsbreed gemeten - circa 900 meter en worden de locaties van elkaar gescheiden door openbare wegen en percelen van derden. Verweerder heeft zich, gezien het vorenstaande, terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van één inrichting als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer". Er is geen sprake van één inrichting op grond van de Wet milieubeheer.
ABRvS nr. 200601281/1, 2 augustus 2006 (Bernheze)
"De Afdeling stelt vast dat beide inrichtingen, nu de onderlinge afstand blijkens de stukken ongeveer één kilometer bedraagt, in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Voorts is uit het verhandelde ter zitting gebleken dat eieren afkomstig van de inrichting aan de [locatie], waarvoor de thans ter beoordeling staande vergunning is verleend, door vrachtwagens behorende tot de inrichting aan de [locatie b] naar elders worden vervoerd. Voor het transport van deze eieren vanuit de inrichting aan de [locatie] levert [transportbedrijf] eiertrays aan vergunninghoudster. Beide inrichtingen worden weliswaar door verschillende rechtspersonen geëxploiteerd, doch ter zitting is gebleken dat deze rechtspersonen dezelfde directie hebben". Er is sprake van één inrichting op grond van de Wet milieubeheer.
ABRvS nr. 200507565/1, 21 juni 2006 (Oirschot)
"Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn de inrichtingen - beide fokzeugenhouderijen - op een afstand van 1.130 meter van elkaar gelegen en worden zij gescheiden door een waterloop, percelen en woningen van derden en een openbare weg. Beide inrichtingen zijn in eigendom van vergunninghouder. Vergunninghouder exploiteert ze echter afzonderlijk. Ze hebben een afzonderlijke bedrijfsleiding en administratie. Ook zijn het materieel en de voerleveranties afzonderlijk." Er is geen sprake van één inrichting op grond van de Wet milieubeheer.
ABRvS nr. 200408656/1, 1 juni 2005 (Marum)
"Ter zitting is gebleken dat het bedrijf gelegen aan de Zethuisterweg 1 op een afstand van ruim 100 meter van de onderhavige inrichting is gelegen. Voorts is gebleken dat dit bedrijf weliswaar van de heer Elshof is, maar dat er tussen de bedrijven verder geen bindingen bestaan. Er is sprake van gescheiden en zelfstandige ondernemingen met voor ieder eigen voerleveranties, materieel, administratie, bedrijfsleiding en dieren. Er vindt blijkens de stukken en het ter zitting verhandelde vanuit de inrichting aan de Trimunterweg geen levering van biggen plaats aan de inrichting [locatie 2]. Voorts wordt de wei niet op een andere locatie van vergunninghoudster bereid, maar rechtstreeks van de zuivelfabriek betrokken en zonder verdere bewerkingen aan de varkens gevoerd." Er is geen sprake van één inrichting op grond van de Wet milieubeheer.

