Landbouw - Stank Richtlijn 1996 en Brochure 1985 : (Tweede) bedrijfswoning

Landbouw - Stank Richtlijn 1996 en Brochure 1985 : (Tweede) bedrijfswoning

Inhoud pagina: Landbouw - Stank Richtlijn 1996 en Brochure 1985 : (Tweede) bedrijfswoning

Vraag

Wanneer is er sprake van een (tweede) bedrijfswoning?

Antwoord

Een woning die als bedrijfswoning bij een inrichting behoort, wordt niet beschermd tegen geurhinder van de eigen inrichting. Dit is logisch want de milieuvergunning ziet alleen op de milieugevolgen die buiten de inrichting veroorzaakt (kunnen) worden. In de praktijk blijkt er nog wel eens onduidelijkheid te bestaan over de vraag of een woning al dan niet een bedrijfswoning is. Toch is het antwoord op die vraag erg belangrijk. Dit komt doordat woningen waarover twijfel bestaat of ze als bedrijfswoning aangemerkt kunnen worden, in de regel in de buurt van de stallen van het bedrijf zijn gesitueerd. Het antwoord op deze vraag is dan vaak van doorslaggevend belang voor de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf. Wordt de woning als woning van derden gezien dan is uitbreiding gezien de korte afstand vaak niet of nauwelijks meer mogelijk.

Binding/betrokkenheid

Het lijkt er op dat de Afdeling het criterium hanteert of er voldoende binding/betrokkenheid is tussen de bewoners van de woning en het bedrijf. Is er voldoende binding/betrokkenheid dan is het een bedrijfswoning, althans dan wordt de woning tot de sfeer van de inrichting gerekend (ABRvS d.d. 24 november 1997, E03.96.0033 [, Nieuwsbrief StAB 1997, K21, Heerde).

Welke binding er is, lijkt niet zoveel uit te maken. Het kan zijn dat de bewoners in het bedrijf werken of een andersoortige contractuele relatie hebben met het bedrijf. Zie bijvoorbeeld ABRvS d.d. 13 juli 1999, E03.94.1402, JM 1999/119, Delfzijl) waarin een woning vanwege een civielrechtelijke overeenkomst tussen de bewoner en het bedrijf als bedrijfswoning gezien werd.
Een voorbeeld waarin de Afdeling vrij gemakkelijk voldoende bindingen/betrokkenheid tot de inrichting accepteert is te vinden in de uitspraak ABRvS  5 februari 2003, nr. 200201115/1, Nunspeet. Twee woningen worden bewoond door de huidige eigenaar (vergunninghouder junior) en de vorige eigenaar (vergunninghouder senior). Beiden werken dagelijks op het onderhavige bedrijf. Vanwege deze binding worden de woningen tot de sfeer van de inrichting gerekend. Een andere woning, een aanleunwoning waarin eveneens een mede in de inrichting werkzaam familielid van vergunninghouder woont, acht de Afdeling zodanig betrokken bij de inrichting dat deze ook als bedrijfswoning aangemerkt kon worden. Ten aanzien van een vierde woning was de Afdeling, gelet op het feit dat de bewoners van deze woning op indirecte wijze betrokken zijn bij de inrichting door het verrichten van hand- en spandiensten en de aflevering van veevoer, van oordeel dat deze woning ook tot de sfeer van de inrichting gerekend kan worden. Ook die woning behoefde niet in de beoordeling van de stankhinder vanwege het onderhavige bedrijf betrokken te worden.

Familiaire binding

De binding kan ook een familiaire binding zijn. Zo lijkt de woning van de moeder, de vader, de zus of de broer van vergunninghouder al gauw tot de inrichting gerekend te worden. Dit blijkt uit bijvoorbeeld ABRvS [ d.d. 24 november 1997, E03.96.0033  , JM  1998/21, Heerde en ABRvS  d.d. 21 september 1999, E03.97.0510, Putten (niet gepubliceerd). In deze laatste uitspraak oordeelde de Afdeling dat een woning van zuster en zwager die aan de bedrijfswoning is vast gebouwd, tot de sfeer van de inrichting behoort. Zie ook ABRvS d.d. 29 januari 1999, nr. E03.96.1543  (M&R 1999/53, AB  1999/286, Ambt Delden) waarin een tweede bedrijfswoning op 18 meter die bewoond wordt door de broer van de veehouder terecht buiten beschouwing gelaten wordt.
De jurisprudentie van de Afdeling lijkt wat deze familiaire bindingen betreft nogal wisselend.
Uit een andere uitspraak blijkt namelijk dat als er behalve een familiaire band verder geen enkele binding is, de woning geen bedrijfswoning is (ABRvS d.d. 11 september 2002, nr. 200200779/1, Putten). Het ging in deze zaak om een woning van appellant die door hem sinds 1984 bewoond werd. Appellant is broer van de vergunninghouder en heeft verder geen enkele binding met de onderhavige inrichting. Weliswaar is sprake geweest van een op schrift gestelde samenwerkingsovereenkomst tussen vergunninghouder en appellant, waarin laatstgenoemde verklaart werkzaamheden te verrichten voor de uitoefening van het varkensbedrijf van zijn broer, maar aannemelijk is geworden dat aan deze overeenkomst feitelijk nooit uitvoering is gegeven. Gezien het vorenstaande moet worden geoordeeld dat de woning niet behoort tot de sfeer van de inrichting en dat deze woning bij de beoordeling van de stankhinder door verweerders ten onrechte buiten beschouwing is gelaten.
Indien bewoners (familie) ten tijde van een ondertekende overeenkomst wel betrokken waren, maar ten tijde van het te nemen besluit geen betrokkenheid meer hebben bij het drijven van de inrichting,  betekent dit niet automatisch dat er ook sprake is van functieverandering. Indien de feitelijke bewoning (de woning werd nog steeds bewoond door een familielid) en de eigendomsverhoudingen sinds het aangaan van de overeenkomst niet zijn veranderd, dient de woning als een agrarische bedrijfswoning te worden aangemerkt (ABRvS d.d. 25 mei 2005, nr. 200306947/1).

Onvoldoende binding/betrokkenheid

Als er dus te weinig bindingen of betrokkenheid is tussen de woning en de agrarische activiteit dan wordt een woning niet als bedrijfswoning aangemerkt. Een voorbeeld uit de jurisprudentie is de situatie dat de bewoner van een woning incidenteel hulp biedt aan een veehouderij. De Afdeling vindt dat er onvoldoende grond is om te spreken van een functionele binding met de inrichting. De woning is terecht aangemerkt als categorie III (ABRvS  d.d. 11 juli 2001, nr. 200000335/1 , ABkort 2001-30/441, Bernheze). Een ander voorbeeld van een situatie waar sprake was van onvoldoende bindingen/betrokkenheid is ABRvS d.d. 1 oktober 2003, nr. 200300633/1, Boekel. In die zaak had de gemeente een woning niet betrokken bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder, omdat in de aanvraag om de vergunning de woning als bedrijfswoning ten behoeve van de nertsenhouderij was aangemerkt. De Afdeling stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting echter vast dat de woning in de eerder vergunde situatie niet tot de inrichting behoorde. Verder berust de eigendom van de woning en de nertsenhouderij bij verschillende personen en is de bewoonster van de woning geen werkneemster van vergunninghoudster. Zij doet op vrijwillige basis, bij afwezigheid van het personeel van vergunninghoudster, de toegangspoort tot de nertsenhouderij open, zet in voorkomende gevallen het alarm af en maakt incidenteel de kantine van de nertsenhouderij schoon. In verband hiermee vergoedt vergunninghoudster de kosten van de nutsvoorzieningen van de woning aan haar. Gezien de bovengenoemde omstandigheden heeft de woning een zodanig geringe betrokkenheid bij de inrichting dat zij niet tot de inrichting kan worden gerekend. Verweerder heeft de woning bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder dan ook ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

85004
85542
85004
85838
85004
85004
85838
85004
85004
88935
85086
85004
90681
agrarisch

Zie ook

 

Kenniscentrum InfoMil