Activiteitenbesluit en geur
Geur
Inhoud pagina: Activiteitenbesluit en geur
Het thema geur is in het Activiteitenbesluit op eenduidige wijze gereguleerd. In het Activiteitenbesluit is het (gekwalificeerde) doel geformuleerd in het zorgplichtartikel (artikel 2.1). In de ministeriële regeling zijn bij diverse activiteiten waar geurhinder kan plaatsvinden dezelfde maatregelen opgenomen waarmee geurhinder kan worden beperkt dan wel tot een acceptabel niveau kan worden teruggebracht. In situaties waarbij het treffen van de maatregelen zoals opgenomen in de ministeriële regeling desondanks geen acceptabel hinderniveau wordt gerealiseerd, kan het bevoegd gezag in bepaalde situaties maatwerkvoorschriften opstellen.
Geurhinder kan optreden door emissies die ontstaan bij diverse activiteiten die onder dit besluit kunnen vallen. Geurhinder is niet volledig te voorkomen. Het beleidsuitgangspunt voor geur, zoals neergelegd in de Nederlandse Emissie Richtlijn Lucht (NeR) is het bereiken van een acceptabel hinderniveau. Een verdere toelichting op het begrip "acceptabel hinderniveau" is te vinden in de NeR.
Voor een aantal branches is in bijzondere regelingen in de NeR een acceptabel hinderniveau vastgelegd in de vorm van een immissienorm voor geur. Een dergelijke immissienorm is niet voor alle emissies en activiteiten beschikbaar. Voor de emissies die vrij kunnen komen bij inrichtingen waarop dit besluit van toepassing is, is dit bijvoorbeeld niet het geval. Om die reden zal de oplossing voor geurproblemen meestal gezocht moeten worden in middelvoorschriften zoals een ontgeuringsinstallatie of een verhoogde schoorsteen.
Activiteiten met artikelen over geurhinder
Opbouw voorschriften
Activiteiten waar geurhinder niet structureel is geregeld
Maatwerk op basis van zorgplicht en relatie met de NeR
Wat is een doelmatige ontgeuringsinstallatie?
Activiteiten met artikelen over geurhinder
Bij een aantal activiteiten komt geurhinder zo vaak voor dat structurele aandacht voor geur nodig is. Voor die activiteiten worden in de ministeriële regeling bij het Activiteitenbesluit een aantal voorschriften gesteld met als doel geurhinder te beperken tot een acceptabel niveau. Indien nodig is bij deze voorschriften in de regeling een specifieke maatwerkmogelijkheid opgenomen. Voor de genoemde activiteiten is het aspect geurhinder (zoals bedoeld in artikel 2.1, tweede lid onderdeel h) in de regeling uitputtend geregeld, en kunnen voor dit aspect geen maatwerkvoorschriften worden opgelegd op basis van artikel 2.1.
Bij vijf activiteiten is er een specifiek voorschrift opgenomen:
- rioolgemalen
- parkeergarages
- onderhoud van motorvoertuigen (proefdraaien van motoren)
- opslaan en overslaan van goederen (bederfelijke afvalstoffen)
- slachten van dieren, uitsnijden van vlees en vis en bewerken van dierlijke bijproducten.
Bij zeven andere activiteiten is de geuraanpak gericht op gekanaliseerde afgasstromen, namelijk:
- reinigen, coaten en lijmen van hout, kurk dan wel houten kurken of houtachtige voorwerpen
- reinigen coaten en lijmen van kunststof of kunststofproducten
- reinigen, lijmen en coaten van metalen (inclusief (delen van) motorvoertuigen
- aanbrengen anorganische deklagen op metalen
- zeefdruk
- bereiden van voedingsmiddelen
- slachten van dieren, uitsnijden van vlees en vis en bewerken van dierlijke bijproducten.
Verder wordt bij het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen een specifieke maatwerkmogelijkheid geboden.
Bij de behandeling van stedelijk afvalwater is een geurblootstellingsnorm in het Besluit opgenomen. In de Regeling zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van onderhoud en de wijze van toetsten aan de geurblootstellingsnorm. Verder wordt een aantal specifieke maatwerkmogelijkheden geboden.
Opbouw voorschriften
De voorschriften voor gericht op gekanaliseerde afgasstromen zijn opgebouwd volgens de volgende regels:
- Voor de meeste bestaande situaties zijn de geurvoorschriften op grond van het overgangsrecht (MR art 6.7 of 6.8) niet van toepassing. Voor bestaande situaties is ervan uitgegaan dat de benodigde voorzieningen om geurhinder te voorkomen of beperken getroffen zijn. Wel kunnen op grond van deze artikelen maatwerkvoorschriften (zie punt 4) worden opgelegd wanneer er sprake is van onaanvaardbare geurhinder.
- In nieuwe (en significant gewijzigde) situaties kan de inrichtinghouder kiezen tussen twee opties, of een afvoerpijp van tenminste 2 meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen, of een doelmatige ontgeuringsinstallatie. Het treffen van beide maatregelen is ook toegestaan.
- De inrichtinghouder kan afzien van een verhoogde schoorsteen of ontgeuringsinstallatie als de inrichting is of wordt gevestigd op een gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare en kan aantonen dat het effect van de emissie beperkt blijft tot dat terrein.
- Het bevoegd gezag kan in probleemsituaties maatwerkvoorschriften stellen. Per activiteit is beschreven wat de bandbreedte is waar de maatwerkvoorschriften betrekking op kunnen hebben. De eerste verantwoordelijkheid voor het voorkomen en het oplossen van geurproblemen ligt bij de inrichtinghouder. Uit de hierboven beschreven punten 1-3 volgt dat de inrichtinghouder voor deze activiteiten al maatregelen genomen heeft om geurhinder te voorkomen, of gemotiveerd van dergelijke maatregelen heeft afgezien. Als er desondanks een probleemsituatie ontstaat, kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen als het gebruik makend van de hindersystematiek zoals beschreven in paragraaf 3.6 van de NeR heeft bepaald dat het acceptabel hinderniveau wordt overschreden.
Overige activiteiten
Voor activiteiten waar geurhinder niet structureel is geregeld, zijn geen geurvoorschriften opgenomen in de ministeriële regeling. Toch is de kans op geurhinder bij geen enkele activiteit uit te sluiten. Als er bij de andere activiteiten toch sprake is van klachten over geurhinder dan zal van geval tot geval gekeken moeten worden of die klachten gegrond zijn en zo ja, welke maatregelen redelijk zijn. Bij een structurele activiteit die voor geurhinder zorgt, kunnen redelijke maatregelen afgeleid worden van de aanpak van geur in de regeling - dus aandacht voor afvoerpunt, en -hoogte, en de mogelijkheid van een ontgeuringsinstallatie. Bij een activiteit die alleen af en toe uitgevoerd wordt ligt het meer voor de hand afspraken te maken met bedrijf en gehinderden, om de hinder op andere manieren aan te pakken, bijvoorbeeld door de activiteit alleen op bepaalde tijdstippen uit te voeren. Dergelijke afspraken kunnen in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.1 worden vastgelegd.
Maatwerk op basis van zorgplicht en relatie met de NeR
Voor het opstellen van maatwerkvoorschriften ligt het voor de hand dat gebruik wordt gemaakt van de hindersystematiek voor het bepalen van het acceptabel hinderniveau, zoals is beschreven in paragraaf 3.6 van de NeR. Als het bevoegd gezag in het kader van eigen geurbeleid een acceptabel hinderniveau in een immissieniveau (in Europese odour units per kubieke meter) voor het gebied heeft vastgesteld, kan dat als uitgangspunt dienen.
In de aanpak van de maatwerkvoorschriften ligt voor de hand dat eerst naar eenvoudige oplossingen gezocht wordt. Als de oorzaak van de geurproblemen terug te voeren is op slecht functioneren van een aanwezige ontgeuringsinstallatie, een ongunstig ligging van een afvoerpijp, diffuse emissies via openstaande deuren of ramen of een activiteit die alleen zo nu en dan wordt uitgevoerd, dan ligt het voor de hand eerst te kijken of deze oorzaak weggenomen kan worden. Daarbij moet uiteraard steeds rekening worden gehouden met de kosten van aanpassing en de mate van ingrijpen in de bedrijfsvoering. Zo kan verleggen van het emissiepunt of betere ruimteventilatie om diffuse emissie te voorkomen alleen gevraagd worden als dit niet leidt tot onredelijke (installatie)kosten.
Het beperken van incidentele geurpieken tot specifieke tijdstippen kan een uitstekende en simpele oplossing zijn. De mogelijkheid is niet bedoeld om de normale bedrijfsvoering of de normale bedrijfstijden in te perken, maar bijvoorbeeld voor het één keer in de week branden van koffie bij een horeca-gelegenheid of voor het uitvoeren van tests aan een filter. Hierbij is altijd overleg met bedrijf en omwonenden nodig om te bepalen welke tijdstippen inpasbaar zijn in de bedrijfsvoering en aanvaardbaar zijn voor omwonenden.
Voor een aantal activiteiten is nog de mogelijkheid geboden om verdergaande maatregelen te vragen als de eenvoudige oplossingen niet afdoende zijn. Uit het voorgaande volgt dat het bevoegd gezag hier alleen in uitzonderingssituaties en aan de hand van een gedegen hinderonderzoek zoals beschreven in paragraaf 3.6 van de NeR gebruik van kan maken."
Wat is een doelmatige ontgeuringsinstallatie?
Indien een ontgeuringsinstallatie wordt geïnstalleerd, moet deze de geurdragende componenten daadwerkelijk afvangen en mag de geur niet maskeren door het vermengen met andere stoffen. De ontgeuringsinstallatie moet ook geschikt zijn voor het doel waarvoor hij wordt gebruikt en hij moet goed zijn gedimensioneerd. Dat wil zeggen dat de capaciteit goed moet zijn afgestemd op de activiteit. Daarnaast moet de ontgeuringsinstallatie ook goed onderhouden worden, zodat hij naar behoren functioneert.
Maatregelen die in ieder geval als een doelmatige ontgeuringsinstallatie zijn te beschouwen zijn: een adsorptiefilter, een naverbrander en een biologische zuivering, mits goed gedimensioneerd, geschikt voor de specifieke geuremissie en goed onderhouden.

