Lozen bij bodemenergiesystemen
Handboek water
Inhoud pagina: Lozen bij bodemenergiesystemen
Bij de aanleg van bodemenergiesystemen worden putten in de bodem geboord. Hierbij ontstaat afvalwater. Bij open bodemenergiesystemen moeten de putten regelmatig gespoeld worden om het systeem werkend te houden, ook hierbij ontstaat afvalwater.
Ook na toepassing van maatregelen om het ontstaan van afvalwater te voorkomen zal er in het algemeen een afvalwaterstroom zijn die ergens geloosd moet worden of op andere manier verwijderd. Hier wordt aangegeven welke regelgeving hierop van toepassings is.
Algemeen
Bij het boren van de gaten, zowel bij open en gesloten systemen, wordt oppervlaktewater en drinkwater gebruikt. Hier worden boorspoeladditieven, als bentoniet en polymeren, aan toegevoegd. Bentoniet is een soort klei, dus inert, maar zeer fijn waardoor het slecht bezinkt en dus troebeling veroorzaakt. De polymeren zijn goed biologisch afbreekbaar en hebben dus een zuurstofverbruik (CZV), maar verder geen nadelige gevolgen voor het milieu. Tijdens het boren kan zich ook grondwater bij het boorspoelwater voegen. Dit afvalwater wordt bij voorkeur geloosd in het vuilwaterriool.
Het afvalwater is dus in beginsel relatief schoon water. In sommige gevallen bevat het aanwezige grondwater echter verontreinigingen die beperking leggen op de lozing. In bepaalde regio's heeft het grondwater een hoog zoutgehalte, bevat het arseen, sulfaat of andere stoffen in verhoogde concentraties. Er zijn ook situaties dat het grondwater verontreinigd is door menselijke activiteiten, maar (nog) niet is aangewezen als een saneringslocatie. Voor deze specifieke situaties biedt de handreiking BOEG (Bodemenergiesystemen en grondwaterverontreiniging) (download) soelaas.
Hoewel het afvalwater hoofdzakelijk uit grondwater bestaat, is hier geen sprake van het lozen van grondwater bij ontwatering, waarvoor het Activiteitenbesluit en het Besluit lozen buiten inrichtingen al algemene regels kennen; in beide besluiten artikel 3.2.
Voor de verwijdering van afvalwater kent de Wm een voorkeursvolgorde in artikel 10.29a. In eerste instantie dient zoveel mogelijk te worden voorkomen dat afvalwater ontstaat. Als dat niet (geheel) mogelijk is wordt "schoon" water bij voorkeur direct in het milieu gebracht door te lozen in of op bodem of in het oppervlaktewater. Lozen in het vuilwaterriool is de minst wenselijke optie, omdat het vuilwaterriool met aan hangende RWZI primair bedoeld is voor huishoudelijk afvalwater of afvalwater dat daar wat betreft biologische afbreekbaarheid mee overeenkomt.
Het gaat om het lozen van grondwater waardoor de gemeentelijke verordening volgens artikel 10.32a er op toegepast kan worden. Met deze verordening kunnen gemeenten voorwaarden stellen aan de lozingen van grondwater en hemelwater in rioolstelsels en op of in de bodem, mits nationale regelgeving daar de mogelijkheid voor biedt.
Open systemen
Voor open bodemenergiesystemen is altijd een watervergunning nodig in verband met de onttrekking van grondwater (artikel 6.4 Waterwet). Deze vergunning is van toepassing vanaf het moment dat de installatie wordt aangelegd tot het moment dat deze buiten gebruik wordt gesteld.
Zowel bij de aanleg als tijdens het beheer van het systeem kan afvalwater vrijkomen met grote hoeveelheden, in beperkte tijd. Bij de procedure voor de watervergunning, nu nog volgens afdeling 3.4 Awb (uitgebreide procedure), wordt de lozingsroute vastgesteld, in adequate afstemming tussen de bevoegde gezagen: waterbeheerder, provincie en gemeente. Als dit lozen in het oppervlaktewater of de bodem is, wordt de lozing geregeld in onderhavige watervergunning. Hierop is de samenloopregeling van de Waterwet van toepassing.
Overigens kan de initiatiefnemer wel besluiten om voor de lozing en de onttrekking verschillende watervergunningen aan te vragen. Dat is zijn keuze en het bevoegd gezag heeft geen wettelijke grondslag om te verplichten dit met één vergunning te doen. Bevoegde instanties kunnen natuurlijk wel met elkaar afstemmen over de uiteindelijke beschikkingen.
Lozen in rioolstelsels wordt bij inrichtingen, type A en type B, geregeld met het Activiteitenbesluit, en bij type C en IPPC-inrichtingen in de omgevingsvergunning. Buiten inrichtingen met het Besluit lozen buiten inrichtingen. In beide besluiten is lozen in het vuilwaterriool toegestaan, mits de zorgplicht dat toelaat. Lozen in schoonwaterstelsels en op of in de bodem is verboden en kan bij maatwerkvoorschrift, eventueel onder voorwaarden, worden toegestaan. De lozing in of op de bodem kan ook zijn toegestaan met een watervergunning.
Gesloten systemen
Bij gesloten bodemenergiesystemen ontstaat alleen afvalwater bij de installatie van het systeem. De omvang van de afvalwaterstroom is veel beperkter dan bij open systemen. Bij onderhoud ontstaat geen afvalwater. Indien dit geloosd wordt in het oppervlaktewater is een watervergunning noodzakelijk. Bij Wabo-vergunningplichtige inrichtingen geldt hiervoor de procedure volgens afdeling 3.4 Awb, bij de overige inrichtingen en buiten inrichtingen kan de reguliere vergunningprocedure worden toegepast. Lozen in oppervlaktewater ligt niet voor de hand vanwege de aanwezige polymeren (CZV) en onopgeloste stoffen, die troebeling veroorzaken.
Buiten inrichtingen wordt lozen in rioolstelsels en op of in de bodem geregeld met het Besluit lozen buiten inrichtingen en bij type A en B inrichtingen met het Activiteitenbesluit. Lozen in het vuilwaterriool is toegestaan binnen de grenzen van de zorgplicht. Bij maatwerkvoorschrift kunnen eisen worden gesteld.
Lozen in het schoonwaterriool is verboden, maar kan bij inrichtingen worden toegestaan met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.2 Activiteitenbesluit. Buiten inrichtingen moet een ontheffing op grond van artikel 10.63 Wm verleend worden (zal ook een maatwerkvoorschrift worden, maar daarvoor moet de Wm aangepast worden).
Lozen in of op de bodem is ook verboden op grond van artikel 2.2 in beide besluiten en kan worden toegestaan met een maatwerkvoorschrift op grond van dat artikel.
Bij type C inrichtingen en IPPC-inrichtingen is lozen in rioolstelsels en bodem een onderdeel van de omgevingsvergunning. Aanpassing van de omgevingsvergunning is voor deze lozingen in het algemeen niet nodig. In het milieudeel van een omgevingsvergunning kunnen nooit alle milieuaspecten tot in detail geregeld worden. De vergunning kent een zekere ruimte voor onvoorziene zaken. Als er geen bijzondere zaken aan de orde zijn kunnen de lozingen ten gevolge van aanleg van gesloten bodemenergiesystemen hieronder vallen.

