Slachten van dieren

Home > Onderwerpen > Klimaat, lucht, water > Handboek water > Activiteiten > Lozen per activiteit > Slachten van dieren, etc.

Slachten van dieren

Handboek water

Inhoud pagina: Slachten van dieren

De activiteit  "slachten van dieren, uitsnijden van vlees en vis en bewerken van dierlijke bijproducten" in het Activiteitenbesluit heeft betrekking op:

  • het kleinschalig slachten
  • het bewerken van karkassen
  • het uitsnijden van vlees uit karkassen of karkasdelen, en
  • het uitsnijden van vis.

Bij slagers, vishandelaren en poeliers kunnen alle procesonderdelen op ambachtelijke schaal voorkomen, dus slachten, karkassen bewerken en uitsnijden. Bij grotere bedrijven vindt het slachten en het uitsnijden vaak gescheiden plaats.

Het Activiteitenbesluit  is alleen van toepassing op ambachtelijk slachten. Via categorie 8 (8.2, onder g) van onderdeel B van bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is het maximum gesteld op het slachten van 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week. Voor het uitsnijden is er geen bovengrens; wel zijn er uitsnijderijen die onder de IPPC-richtlijn vallen; dit is het geval bij een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag.

Een andere grens is het garen of verwerken van vlees. Voor grootschalige bereiding blijft de vergunningplicht gelden. De grens hiervoor is het gebruik van een of meer apparaten met een individueel vermogen groter dan 130 kW. Grootkeukenapparatuur zit over het algemeen ruim onder deze grens. Het bereiden van vlees met dergelijke apparatuur valt onder paragraaf 4.8.3: het bereiden van voedingsmiddelen.

slacht

Vindplaats

§ 4.8.4 Activiteitenbesluit (AB): artikel 4.111, de overgangsbepaling staat in artikel 6.37 en 6.37a.   
§ 4.8.3 in de Ministeriële regeling bij het Activiteitenbesluit: artikel 4.108 en 4.108a.

Deze activiteit is met Staatsblad 2009, nr. 479 per 1-1-2010 opgenomen in het Activiteitenbesluit en met Staatscourant 2009, nr. 17979, in de ministeriële regeling. De relevante delen uit de nota van toelichting vindt u hier: nota van toelichting bij "Slachten van dieren, ....".

Aanverwante wetgeving

De mest die vrijkomt in een slachterij moet in gesloten verpakkingen worden opgeslagen worden en als bedrijfsafvalstof worden afgeven aan een inzamelaar.

De inhoud van een vetafscheider is een bedrijfsafvalstof (Eural 19.08)
Hoofdstuk 10, titel 10.6, van de Wet milieubeheer (Wm) is hierop van toepassing:

Verboden en voorwaarden

Uitgangspunt is altijd BBT (beste beschikbare techniek):

BBT voor de verwijdering van het afvalwater dat ontstaat bij het slachten van dieren is lozen in het vuilwaterriool, nadat het afvalwater door een adequate vetafscheider is geleid. Biologische zuivering voorafgaande aan de lozing is niet toegestaan. Het afvalwater komt qua biologische afbreekbaarheid overeen met huishoudelijk afvalwater.

Het is verboden te lozen:

  1. in het hemelwaterriool, oppervlaktewater, op of in de bodem;
  2. zonder toepassing van een vetafscheider en slibvangput conform NEN-EN 1825-1 en 2 (meer informatie over vetafscheiders).

Het verbod onder 1 kan opgeheven worden met een watervergunning bij lozen in het oppervlaktewater of bij maatwerkvoorschrift (artikel 2.2, AB) bij lozing in een hemelwaterriool of in de bodem.

Mest, afkomstig van de geslachte dieren, en pekel, dat niet meer gebruikt kan worden, wordt zoveel mogelijk als vast afval afgevoerd. Hierdoor wordt voorkomen dat het geloosd wordt.

Bij de plaatsing van een vetafscheider moet een rapport worden opgesteld waarin staat beschreven hoe invulling is gegeven aan paragraaf 6.3 van NEN-EN 1825-2. Hier is aangegeven dat voor dit afvalwater in bepaalde gevallen speciale maatregelen genomen moeten worden om de vetafscheider optimaal te laten functioneren. Dit rapport wordt binnen de inrichting bewaard.

Controleaspecten

Wordt voldoende voorkomen dat mest en pekel in het afvalwater geraken? Good housekeeping moet het terughouden van afvalstoffen uit het afvalwater bevorderen. Mest en vaste delen moeten zo veel mogelijk apart opgevangen worden en zo min mogelijk met het schoonmaakwater worden weggespoeld.

Bij het pekelen wordt gemorst pekel droog verwijderd en niet weggespoeld en vervolgens geloosd.

Slibvangput en vetafscheider aanwezig?

  1. Nee, dan is het bedrijf in overtreding. Bij deze activiteit is altijd een vetafscheider verplicht.
  2. Ja, dan voldoet de slibvangput/olieafscheider aan en wordt gebruikt volgens NEN-EN 1825.
  3. Ja, "oude", vóór 1-1-2008 geplaatste afscheider, overgangsrecht van toepassing.

 Aspecten bij eenmalige controle (bij oprichting of verandering van de inrichting of plaatsing van nieuwe afscheider):

  1. Juiste dimensionering van de afscheider. Er dient een rapport te worden opgesteld, waarin wordt aangegeven waarom de geplaatste vetafscheider voor de specifieke situatie geschikt is.
  2. Correcte plaatsing van de afscheider: aan- en afvoerleidingen zijn goed aangesloten;
  3. Alleen afvalwater afkomstig van deze activiteit wordt door de afscheider geleid. Dus geen afvalwater van sanitair lozen of regenwater via de afscheider.
  4. Regelmatig verwijderen van afgescheiden afvalstoffen en correcte afgifte. Volgens NEN-EN 1825-1 en 2 moet de vetafscheider eens per maand geleegd worden. Mits de goede werking gewaarborgd blijft mag dit met een lagere frequentie. 

Herhaalde routinecontroles (goed beheer van de installatie): 

  1. In de NEN-EN-1825 is als verplichting opgenomen dat de afscheider eens per maand volledig wordt geleegd en op gebreken wordt gecontroleerd. Dit kan overigens aangescherpt of versoepeld worden i.v.m. de afvalwaterkarakteristiek.
  2. Visueel: is afscheider beschadigd of aangetast?
  3. Fysieke controle: Meting sliblaag en vetlaag. Volgens de NEN mag de slibopvangruimte voor maximaal 50 % gevuld zijn en vetopslagruimte (tussen de schotten) voor maximaal 80%. Dit laatste komt in het algemeen overeen met een vetlaagdikte van ca. 16 cm. Als deze (ook door de fabrikant per type bepaalde) grenzen overschreden worden wordt de afscheider niet goed onderhouden.

Aandachtspunten bij de controleaspecten

  • Bij 1 t/m 3 is aandacht in de (ver)bouwfase van belang. De lozingssituatie moet in de bouwfase in de rioleringtekening worden opgenomen. Bouwinspectie kan benut worden in de vorm van een "wachtmoment" (bouwinspectie term). De plaatsing wordt gecontroleerd waarna de aannemer verder kan bouwen. Herstel van een foutieve installatie na de oplevering van een gebouw kan hiermee voorkomen worden.
  • Bij 4 en 5 is sprake van administratief toezicht v.w.b. afvaldocumenten, eventuele instructie van personeel en borging daarvan in de organisatie.
  • Bij 6 en 7 is sprake van fysiek toezicht.
    Gecertificeerde bedrijven laten een uitvoerig onderhoudsdocument achter, waarin ook voor inspectie waardevolle informatie staat. (bijv. mankementen aan de afscheider). Onderhoud door een Kiwa gecertificeerd bedrijf is overigens niet verplicht.

Meting en monstername:

  • Meting van de vetlaagdiktes kan bijvoorbeeld met een peilstok of laagdiktemeter;
  • Monstername is niet aan de orde: er is geen lozingseis van 300 mg/ltr. meer van toepassing. 

Geuroverlast ten gevolge van het afvalwater

Het afvalwater ten gevolge van deze activiteit kan bij lozing op het vuilwaterriool over grote afstand geuroverlast veroorzaken door een stinkende riool. Op grond van artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit, de zorgplicht, kan het bevoegd gezag eventueel  bij maatwerk maatregelen voorschrijven om deze geuroverlast te beperken. 

Opbouw inspectie

  1. Dossieronderzoek: gegevens afscheider bekend? Resultaten en afspraken eerdere controle(s)?
  2. Resultaten en afspraken eerdere inspecties
  3. Nieuwe afscheider: check Ad 1b, 1 t/m 3 "Controleaspecten"
  4. Administratieve controle:
  • is rapport met betrekking tot de vetafscheider beschikbaar?
  • Wordt mest vodoende afgescheiden, zodat het niet in het afvalwater geraakt?
  • eventueel meten van de vetlaagdikte
  • vetafval kan ook met ander bedrijfsafval afgegeven worden en er kan sprake zijn van ontdoen via route-inzameling, dan is er geen afzonderlijke bon of nota.
  • vraag naar borging onderhoud binnen bedrijf (wie regelt dit, is er een onderhoudscontract?)
  • gegevens afscheider: certificaat, dimensionering, leeftijd.
  • Check laagdikte vet (max. 16 cm) en vulling slibopvangruimte (max. 50 %). Deze criteria hebben te maken met de eisen waaraan het product op basis van het ontwerp door de fabrikant moet voldoen i.v.m. het goed functioneren. Boven deze waarden kan de afscheider het afvalwater niet goed scheiden.
  • Eventueel checken of er sprake is van vetproblemen in die streng van het rioolstelsel van het vuilwaterriool bij de beheerder van het riool.

Nadere informatie

Toelichting op de regelgeving bij lozingen via een vetafscheider en slibvangput

Een korte samenvatting van de controleaspecten vindt u op de handhavingskaart. U kunt deze kaart meenemen bij een bedrijfsbezoek. Ook nog een aantal foto's van een kleinschalige slachterij.

Casus

Na geregelde klachten over stankoverlast wordt een kleine ambachtelijke slagerij gecontroleerd. Ter plaatse blijkt dat er vanuit het slachtgedeelte en de worstenmakerij een open gootje naar buiten loopt. In de slachterij wordt na het slachten en verwerken het schoonmaakwater afgevoerd via het gootje. Het afvalwater loopt naar buiten in een put die dienst doet als “vetvanger “. In de put drijft een dikke stinkende vetachtige laag. Het bedrijf beschikt niet over een voorgeschreven slibvangput en vetafscheider, voorgeschreven in art. 4.111 AB lid 2.

De open goot kan via maatwerkvoorschift ( op basis van zorgplicht art. 2.1 AB lid 3) worden veranderd in een afgesloten leiding (in het kader van geurbestrijding). Bovendien geldt dat er zoveel mogelijk moet worden gezorgd dat bloed en mest apart wordt opgevangen. Daarnaast kunnen maatwerkvoorschriften (op grond van art. 2.1 AB) worden opgelegd voor het met zorg omgaan met het afvalwater. Er zou ook signaaltoezicht kunnen plaatsvinden naar de Voedsel en Waren Authoriteit (VWA).

 

Kenniscentrum InfoMil