Tankplaats voor eigen gebruik

Home > Onderwerpen > Klimaat, lucht, water > Handboek water > Activiteiten > Lozen per activiteit > Tankplaats voor eigen gebruik

Tankplaats voor eigen gebruik

Handboek water

Inhoud pagina: Tankplaats voor eigen gebruik

De tankplaats voor eigen gebruik is als activiteit ‘Afleveren van vloeibare brandstoffen, mengsmering en aardgas anders dan voor openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer en voor vaartuigen ’ geregeld in paragraaf 4.6.4 van het Activiteitenbesluit (AB). De voorschriften in het besluit hebben betrekking op afleverstations binnen inrichtingen die niet bedoeld zijn voor vaartuigen en niet bedoeld zijn voor de openbare verkoop aan motorvoertuigen. Hierbij valt te denken aan het afleveren van brandstof aan het eigen wagenpark, het zogenaamde 'eigen gebruik'. Maar het betreft ook andersoortige afleveringen aan apparaten die niet onder het begrip motorvoertuig of vaartuig vallen, zoals hijskranen of noodstroomaggregaten.

 

TANKPLAATS

Vindplaats

Activiteitenbesluit (AB): § 4.6.4, artikel 4.82  en voor het overgangsrecht § 6.6 artikel 6.17. Met Staatsblad 2009, nr. 479 zijn enkele kleine wijzigingen per 1 januari 2010 doorgevoerd ten opzichte van het oorspronkelijke besluit.

Het doel van artikel 4.82 is het afscheiden van brandstof afkomstig van morsingen bij het tanken en het opvangen van wegstromende olie van een eventuele calamiteit. In artikel 4.82 is slechts de lozing op het vuilwaterriool geregeld.  Als de tankplaats loost in het oppervlaktewater (bijvoorbeeld omdat geen riolering in de buurt is) is een Waterwetvergunning nodig. De waterkwaliteitsbeheerder is in dat geval bevoegd gezag. Voor lozingen in de bodem of in een hemelwaterriool is een maatwerkvoorschrift op basis van artikel 2.2 AB nodig.

Omdat de activiteit is geregeld in hoofdstuk 4 van het besluit, gelden de voorschriften niet voor vergunningplichtige bedrijven.

Aanverwante wetgeving
De inhoud van de olieafscheider is gevaarlijk afval (EURAL 13.05). Hierop is titel 10.6 Wet milieubeheer (Wm) van toepassing. Dit betekent dat het afval moet worden afgegeven aan een erkende inzamelaar (art. 10.37 Wm) en dat de gegevens hieromtrent moeten worden bewaard (art. 10.38 Wm).

Verboden en voorwaarden

Uitgangspunt is altijd BBT (beste beschikbare techniek): de standaardlozingseis voor oliehoudend afvalwater 20 mg/liter minerale olie in enig steekmonster. Deze hoeveelheid komt overeen met één druppel olie in een emmer water. Dit kan bereikt worden door heel schoon te werken (good housekeeping) en/of door het plaatsen van een olieafscheider.

Het is verboden:

  1. zonder maatwerkvoorschrift op of in de bodem of in een hemelwaterriool te lozen;
  2. zonder Waterwetvergunning in het oppervlaktewater te lozen;
  3. van een vloeistofdichte vloer of verharding afstromend afvalwater in het vuilwaterriool te lozen zonder toepassing van een olieafscheider met slibvangput conform NEN-EN 858-1 en -2.

Het afvalwater bij 3. mag na passeren van de afscheider niet meer dan 200 mg/l olie in enig steekmonster bevatten. Het afvalwater moet op een doelmatige wijze kunnen worden bemonsterd. Bij aanwezigheid van een olieafscheider mag afvalwater van buiten de vloeistofdichte vloer niet door de afscheider.
De verplichting tot een olieafscheider geldt alleen in het geval er een vloeistofdichte vloer of verharding aanwezig is en op het vuilwaterriool wordt geloosd. Een vloeistofdichte vloer of verharding is verplicht bij grootschalige aflevering van brandstoffen: meer dan 25.000 liter brandstof per jaar, artikel 4.94 MR. Bij kleinschalige aflevering (minder dan 25.000 liter brandstof per jaar) kan worden volstaan met een bodembeschermende voorziening. Voor het afstromend afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening worden in artikel 4.82 AB geen eisen gegeven. De zorgplicht in artikel 2.1 biedt dan een vangnet. Het uitgangspunt is BBT, indien nodig kan met een maatwerkvoorschrift op grond van dit artikel een olieafscheider met slibvangput worden afgedwongen.

Het overgangsrecht volgens artikel 6.17 AB bepaalt dat afscheiders die zijn geplaatst vóór 1-1-2008 en voldoen aan NEN 7089 beschouwd kunnen worden als afscheiders die voldoen aan NEN-EN 858. Dit geldt ook voor afscheiders die zijn geplaatst vóór 1- 3-1997 en voldoende zijn gedimensioneerd.

Controleaspecten

Olieafscheider en slibvangput aanwezig?

  • Nee, dan moet er sprake zijn van kleinschalige aflevering.
  • Ja, dan bevat afvalwater minder dan 200 mg/l olie en slibvangput/olieafscheider voldoet aan en wordt gebruikt volgens NEN-EN 858-1 en -2 of
  • Ja, overgangsrecht is van toepassing als de afscheider is geplaatst vóór 1-1-2008.

Aspecten bij eenmalige controle (bij oprichting of verandering van de inrichting of plaatsing van een nieuwe afscheider):

  1. Juiste dimensionering van de afscheider. Zie ook: rekenmethode voor het bepalen van de capaciteit.
  2. Correcte plaatsing van de afscheider: aan- en afvoerleidingen zijn goed aangesloten en vlotter werkt,
  3. Alleen afvalwater afkomstig van de tankplaats wordt door de afscheider geleid. Dus geen afvalwater van sanitair of regenwater, anders dan van de vloeistofdichte verharding via de afscheider.
  4. Controlevoorziening aanwezig, monstername mogelijk.

Aspecten bij herhaalde routinecontroles afscheider (goed beheer van de installatie):

  1. Regelmatig verwijderen van afgescheiden afvalstoffen en correcte afgifte. Zijn afgiftebonnen beschikbaar? Controleer eventueel (via een persoon met account) vooraf de afgiftekarakteristiek in het afvalmeldsysteem AMICE.
  2. In de NEN-EN-858 is als verplichting opgenomen dat de afscheider eens per 5 jaar volledig wordt geleegd en op gebreken wordt gecontroleerd.
  3. Visueel: is afscheider beschadigd of aangetast, werkt de vlotter, is de vlotter zichtbaar?
  4. Fysieke controle: Meting sliblaag en olielaag. Volgens de NEN mag de slibopvangruimte voor maximaal 50 % gevuld zijn en olieopslagruimte voor maximaal 80%. Dit laatste komt in het algemeen overeen met een olielaagdikte van 16 cm. Als deze grenzen overschreden worden wordt de afscheider niet goed onderhouden.

Aandachtspunten bij de controleaspecten

Bij 1 t/m 4 is aandacht in de (ver)bouwfase van belang. De lozingssituatie moet in de bouwfase in de rioleringtekening worden opgenomen. Pas dan kan goed worden beoordeeld of de juiste afvalwaterstromen op de afscheider zijn aangesloten. Afstemming tussen bouwinspectie en milieu-inspectie is daarom gewenst. De bouwinspectie kan worden benut voor het creëren van een "wachtmoment", de plaatsing van de afscheider wordt gecontroleerd waarna de aannemer verder kan bouwen. Bij verbouw is herberekening van de capaciteit wellicht nodig.
Bij 5 en 6 is sprake van administratief toezicht v.w.b. afvaldocumenten, eventuele instructie van personeel en borging daarvan in de organisatie.
Bij 7 en 8 is sprake van fysiek toezicht. Gecertificeerde bedrijven laten een uitvoerig onderhoudsdocument achter, waarin ook voor inspectie waardevolle informatie staat (bijv. mankementen aan de afscheider). Onderhoud door een Kiwa gecertificeerd bedrijf is overigens niet verplicht.

Meting en monstername

Metingen: laagdiktes kunnen bijvoorbeeld met een peilstok of olielaagmeter worden gemeten.
Monstername: is in de praktijk vaak niet nodig. De inspectie zal veelal gericht zijn op de administratieve controle en eventueel meting van de laagdiktes. Is het toch wenselijk monsters te nemen, dan moet er sprake zijn van een bevoegdheid tot monstername. Aanvullend moet de monstername voldoen aan de NEN 6600-1, volgens artikel 2.3 lid 2 AB. Een belangrijk aspect: Als er op het moment van inspectie niet geloosd wordt is het nemen van een representatief monster niet goed mogelijk. De effluent norm van 200 mg/ltr in enig steekmonster is gericht op de feitelijke lozing. Bij stilstaand afvalwater is maximaal sprake van een indicatief monster.

Nadere informatie

Bestanden

 

Kenniscentrum InfoMil