Lozen in het Activiteitenbesluit
Handboek water
Inhoud pagina: Lozen in het Activiteitenbesluit
Met het Activiteitenbesluit is de regulering van afvalwaterlozingen samengebracht met de regulering van de andere milieuaspecten. Het Activiteitenbesluit is dan ook een amvb gebaseerd op de Wet milieubeheer (Wm) en Waterwet. Behalve voor IPPC-inrichtingen worden in beginsel alle milieuaspecten bij inrichtingen geregeld met het Activiteitenbesluit. Het besluit maakt een onderscheid in Wm/Wabo-vergunningplichtige inrichtingen (type C) en inrichtingen waarvoor de vergunningplicht is opgeheven (type A en B). Bij type C inrichtingen staat een deel van de voorschriften in de vergunning en voor een deel in het Activiteitenbesluit. Voor type A en B inrichtingen staan alle voorschriften in het Activiteitenbesluit. Soms kan nog wel een watervergunning aan de orde zijn.
Inrichtingen
Het Activiteitenbesluit is uitsluitend van toepassing op inrichtingen in de zin van de Wm! Het begrip 'inrichting' is in de Wm scherp afgebakend. Als de lozing niet vanuit een inrichting plaatsvindt, geldt voor een lozing vanuit een particulier huishouden het Besluit lozing afvalwater huishoudens, en op de overige lozingen per 1 juli 2011 het Besluit lozen buiten inrichtingen. Het Activiteitenbesluit is vooralsnog niet van toepassing op IPPC-inrichtingen, daarvoor moet alles geregeld worden in individuele beschikkingen: omgevings- en watervergunning.
Voor lozen in het oppervlaktewater geldt een iets afwijkende systematiek. Voor een aantal activiteiten zijn de lozingen in het oppervlaktewater geregeld in het besluit. Daarvoor geldt bovenstaande systematiek onverkort. Als voor een activiteit de lozing in het oppervlaktewater niet is geregeld in het Activiteitenbesluit (zie artikel 1.6, eerste lid) geldt de vergunningplicht op grond van artikel 6.2 van de Waterwet, tenzij de vergunningplicht in een ander besluit is opgeheven. Veelal kan dit met een reguliere watervergunning. Zie ook vergunningplicht op grond van artikel 6.2 van de Waterwet.
In het overzicht van activiteiten kunt u vinden welke lozingen worden geregeld in de hoofdstukken 3 en 4 van het Activiteitenbesluit, alsmede de activiteiten die onder andere besluiten vallen (of gaan vallen).
Inrichtingen type A, B en C
Het Activiteitenbesluit is van toepassing op alle inrichtingen in de zin van de Wm, uitgezonderd IPPC-inrichtingen. Daarbij maakt het besluit een onderscheid in inrichtingen type A, B en C. Inrichtingen type A en B worden volledig geregeld met het besluit, voor inrichtingen type C zijn alleen de voorschriften uit hoofdstuk 3 van toepassing. De overige aspecten moeten geregeld worden in de omgevings- of watervergunning. Het enige verschil tussen inrichtingen type A en type B is de meldingsplicht bij oprichting en verandering van de inrichting; inrichtingen type B moeten dit melden en inrichtingen type A hoeven dat niet te doen. In het algemeen gelden voor inrichtingen type A geen voorschriften uit hoofdstuk 3 of 4, maar artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit geeft een aantal uitzonderiingen. Voor inrichtingen type B zijn altijd voorschriften uit hoofdstuk 3 en/of 4 van toepassing.
In artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wabo is bepaald welke inrichtingen vergunningplichtig zijn, dus type C. Voor activiteiten genoemd in hoofdstuk 3 gelden de voorschriften uit het Activiteitenbesluit en kunnen dus geen voorschriften in de vergunning worden opgenomen. Alle andere aspecten worden in de vergunning geregeld.
Landbouwinrichtingen zijn ook type C-inrichtingen. Deze zijn veelal niet vergunningplichtig, maar vallen nog onder andere amvb´s zoals het Besluit landbouw milieubeheer, Besluit glastuinbouw en het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Het Activiteitenbesluit is dus niet van toepassing op lozingen ten gevolge van agrarische activiteiten en activiteiten die daarmee verband houden (artikel 1.6, lid 2, Activiteitenbesluit). Indien bij een agrarisch bedrijf een activiteit plaatsvindt die niet gerelateerd is aan agrarische activiteiten, zoals bijvoorbeeld een bodemsanering, is het Activiteitenbesluit wel van toepassing.
Bodemlozingen
Bodemlozingen kunnen zowel op basis van de Wm als de Wbb geregeld worden. In het Activiteitenbesluit worden de bodemlozingen op grond van de Wm geregeld. Artikel 2.2 van het Activiteitenbesluit geeft aan dat lozingen op of in de bodem zijn verboden, tenzij de lozing expliciet is toegestaan onder de voorschriften gesteld in de hoofdstukken 3 en 4 van het Activiteitenbesluit. Bij maatwerkvoorschrift kunnen bodemlozingen, onder voorwaarden, worden toegestaan (artikel 2.2, lid 3).
In gebieden aangewezen in de Provinciale milieuverordening (PMV) gelden, aanvullend op de voorschriften van het Activiteitenbesluit, de bepalingen volgens de PMV voor die lozingen.
Overgangsregeling
Onder de Wvo, dus voor 22 december 2009, werden niet geregelde lozingen in het oppervlaktewater op dezelfde manier geregeld als de overige niet geregelde lozingen, dus met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.2, derde lid van het Activiteitenbesluit. Met de Waterwet is dat een watervergunning geworden, waarvoor de reguliere procedure volgens de Awb kan worden toegepast.
Met artikel XXXIII van het Invoeringsbesluit Waterwet worden de bestaande maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.2, derde lid, van het Activiteitenbesluit voor directe lozingen in het oppervlaktewater, die zijn afgegeven vóór 22 december 2009, omgezet in een Watervergunning. Bij watervergunning voor lozingen vindt u hierover meer informatie.
Verschillen ten opzichte van voorgaande 8.40 besluiten
Een aantal zaken is in het Activiteitenbesluit niet meer expliciet geregeld. Dat betreft zaken als de goede toegankelijkheid van installaties en monsternamepunten, een goed onderhoud van installaties en apparatuur en allerlei detailzaken in verband met morsingen en dergelijke. Bij verschillende voorschriften is de volgende bepaling opgenomen: "Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient het afvalwater op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd." Het zal voor een ieder duidelijk zijn dat voor een doelmatige wijze van bemonstering het monsternamepunt goed toegankelijk is en in goede staat verkeert. Eveneens is het overbodig om met het besluit te regelen dat gemorste olie met een geschikt absorptiemiddel verwijderd moet worden en dat stoffer en blik hiervoor niet geschikt zijn.
Dit soort voor de hand liggende zaken zijn in het besluit niet meer expliciet geregeld. Mocht dit soort aspecten bij een bepaald bedrijf herhaaldelijk tot problemen leiden dan kan het vanuit het oogpunt van handhaving wenselijk zijn die zaken voor dat bedrijf concreet in een maatwerkvoorschrift vast te leggen. Blijkt bijvoorbeeld bij een bedrijf dat het onderhoud van de vetafscheider stelselmatig aantoonbaar in gebreke blijft, waardoor problemen in de riolering ontstaan, dan kan met het maatwerkvoorschrift op grond van het derde lid van artikel 2.1 (zorgplicht) een onderhoudsregime worden voorgeschreven. Op dit maatwerkvoorschrift kan in het algemeen beter gehandhaafd worden dan op grond van de algemeen geformuleerde zorgplichtbepaling.

