Adviesrecht van de waterbeheerder
Handboek water
Inhoud pagina: Adviesrecht van de waterbeheerder
Op grond van artikel 2.26 Wabo moet het bevoegd gezag de waterbeheerder, zijnde de beheerder van de RWZI of het oppervlaktewater waarop de lozing uitkomt, bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning in de gelegenheid stellen advies uit te brengen. Dit adviesrecht van de waterbeheerder beperkt zich tot de categorie volgens artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo: het oprichten, het veranderen of het inwerking hebben van een inrichting of een mijnbouwwerk. Op grond van art. 2.26, eerste lid, moet het daarnaast gaan om lozen in een rioolstelsel (vuilwaterriool of hemelwaterstelsel).
Twee soorten advies
Bij het adviesrecht van de waterbeheerder bij omgevingsvergunning zijn twee situaties te onderscheiden:
- De waterbeheerder brengt een advies uit dat het bevoegd gezag betrekt bij de besluitvorming over de vergunningaanvraag. Het bevoegd gezag kan van dit advies afwijken (artikel 2.26, eerste lid Wabo).
- De waterbeheerder brengt een bindend advies uit waar het bevoegd gezag naar moet handelen (artikel 2.26, tweede lid). Het bindend karakter van dit advies is vastgelegd in artikel 2.14, eerste lid, onderdeel c, onder 5° Wabo. De waterbeheerder mag alleen een bindend advies uitbrengen, wanneer de doelmatige werking van de RWZI zou worden belemmerd of de kwaliteitsdoelstellingen van het oppervlaktewater zouden worden overschreden. Dit advies kan zelfs inhouden dat de vergunning moet worden geweigerd.
De formulering van de wet is dusdanig dat het bevoegd gezag wel verplicht is het advies over te nemen (artikel 2.14, lid 1, onder c): ".... neemt in ieder geval in acht ....". Het bevoegd gezag is echter niet verplicht het advies over te nemen, wanneer niet wordt voldaan aan de andere toetsingsgronden van artikel 2.14 of artikel 2.22. Het Wabo-bevoegd gezag zal dan dus moeten beargumenteren waarom het advies niet wordt overgenomen.
De situatie dat het Wabo-bevoegd gezag het niet eens is met het advies van de waterbeheerder, maar dat op grond van artikel 2.14 en 2.20 niet kan beargumenteren, kan/mag eigenlijk niet voorkomen. In het kader van behoorlijk bestuur mag van de bestuursorganen verwacht worden dat ze tot een gezamenlijk standpunt komen.
Uitstel Wabo
Tot het van kracht worden van de Wabo was artikel 2.26, eerste en tweede lid opgenomen in de Invoeringwet Waterwet als artikel 2.25a, dus de bepaling was direct van kracht toen de Waterwet in werking was getreden.
Adviesrecht tussen Wabo-overheden
Bij vergunningplichtige situaties zal de provincie in veel gevallen het bevoegd gezag zijn voor Wm-inrichtingen; in uitzonderingsgevallen de Minister van VROM (defensie-inrichtingen) of de Minister van EZ (mijnbouwwerken). Voor deze instanties is het van belang dat naast het advies van de waterbeheerder ook het advies van de betrokken gemeente wordt meegenomen. Dit adviesrecht van de gemeente is geborgd via artikel 2.26, derde lid Wabo. De gemeente heeft onder andere als beheerder van de riolering het regionale afvalwaterbeleid vastgelegd in het gemeentelijk rioleringplan (GRP). Hierin is in grote lijnen aangegeven hoe bepaalde afvalwaterstromen bij voorkeur worden afgevoerd.
Formeel adviesrecht en samenwerking
Er is dus geen formeel adviesrecht van de waterbeheerder bij het opstellen van maatwerkvoorschriften voor indirecte lozingen in het kader van het Activiteitenbesluit, Besluit lozen buiten inrichtingen (in voorbereiding) en het Besluit lozing afvalwater huishoudens. Ook in deze gevallen is het, gezien de gemeenschappelijke belangen, echter nuttig dat het bevoegd gezag contact houdt met de waterbeheerder over de invulling van de voorschriften en de wijze waarop daar in de handhaving mee om wordt gegaan. Artikel 3.8 Waterwet zet hiertoe aan.
Verklaring van geen bedenkingen (vvgb)
Voor een aantal categorieën van inrichtingen moet gedeputeerde staten van de provincie waar de inrichting is gelegen op grond van artikel 2.27 Wabo een verklaring van geen bedenkingen geven alvorens door de gemeente een omgevingsvergunning kan worden verleend. Dit betreft bijvoorbeeld voorheen provinciale niet-IPPC en niet BRZO-inrichtingen, zoals bepaald in artikel 6.7 van het Besluit-omgevingsrecht, dat daarvoor verwijst naar bijlage I, onderdeel C van dat Besluit. Een onderdeel hiervan betreft de voorschriften voor de indirecte lozingen.
Ten aanzien van de indirecte lozingen kan de gemeente in dat geval dus twee zwaarwegende adviezen krijgen: het advies van de waterbeheerder op grond van artikel 2.26, tweede lid Wabo en de verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de provincie. Hoe de gemeente hiermee om moet gaan wordt toegelicht in de notitie: Verklaring van geen bedenkingen ivm lozingsvoorschriften.
Voorbeeld
Voor een vergunningplichtige inrichting type C betekent dit dat de waterbeheerder adviesrecht heeft aangaande de lozingsvoorschriften (bij lozing in de riolering) in de vergunning, maar niet over de lozingsvoorschriften, en de eventueel daaraan gekoppelde maatwerkvoorschriften, op grond van hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit.
Bijvoorbeeld een metaalbewerkingsbedrijf type C. De lozing op het riool ten gevolge van de activiteit metaalbewerking wordt geregeld in de vergunning, dus de waterbeheerder heeft hierop adviesrecht. Tevens worden er maatwerkvoorschriften gesteld aan het afstromend hemelwater (niet afkomstig van een bodembeschermde voorziening) bij lozing in het hemelwaterriool. Hierop heeft de waterbeerder geen adviesrecht, want het is geen onderdeel van de omgevingsvergunning.

