Waterbeheerder als toezichthouder voor indirecte lozingen

Home > Onderwerpen > Klimaat, lucht, water > Handboek water > Wetgeving > Wabo > Waterbeheerder als toezichthouder voor indirecte lozingen

Waterbeheerder als toezichthouder voor indirecte lozingen

Handboek water

Inhoud pagina: Waterbeheerder als toezichthouder voor indirecte lozingen

Met het van kracht worden van de Waterwet per 22 december 2009, is de waterbeheerder geen bevoegd gezag meer voor indirecte lozingen. Lozingen op rioolstelsels, zowel vuilwaterriolen als hemelwaterstelsels, vallen uitsluitend onder de Wm met bijbehorend bevoegd gezag. De Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) biedt echter de mogelijkheid dat de waterbeheerder ambtenaren aanwijst als toezichthouder voor indirecte lozingen. De waterbeheerder is in dit geval de beheerder van de RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) of het oppervlaktewater waarop de lozing uitkomt.

Toezichthouder volgens de Wabo

Op grond van artikel 5.10, derde lid, Wabo kunnen ambtenaren worden aangewezen als toezichthouder bij besluit van een met de uitvoering van de wet (Wabo) belast bestuursorgaan. Ingevolge artikel 2.26 Wabo hebben waterbeheerders een adviesrecht ten aanzien van indirecte lozingen en op grond van artikel 5.20, derde lid, Wabo kan de waterbeheerder, in bepaalde gevallen, een bindend verzoek tot handhaving doen bij het Wabo-bevoegd gezag. Dat betekent dat zij met de uitvoering van bepalingen van de Wabo zijn belast, waardoor zij op grond van art. 5.10 lid 3, Wabo ambtenaren kunnen aanwijzen als toezichthouder voor indirecte lozingen vanuit inrichtingen of mijnbouwwerken.

Toezicht versus handhaving

Waterbeheerders kunnen dus zelf ambtenaren aanwijzen als toezichthouder voor indirecte lozingen, die verder geheel onder het Wm-bevoegd gezag staan. Waterbeheerders hebben in dat geval geen sanctionerende bevoegdheden (oplegging van een last onder bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing), daarvoor moet men het Wm-bevoegd gezag inschakelen. In artikel 5.20, derde lid, Wabo is aangegegeven wanneer het Wm-bevoegd gezag gehoor moet geven aan het verzoek van de waterbeheerder om sanctionerende op te treden. Dat is het geval als:

  • de doelmatige werking van de RWZI wordt belemmerd, of
  • de grenswaarden voor de kwaliteit van het oppervlaktewater worden overschreden.

De formulering in de wet is zodanig dat de waterbeheerder goede argumenten moet hebben om zo'n bindend verzoek tot handhaving te doen. Er moeten duidelijke aanwijzingen zijn dat de doelmatige werking van de RWZI wordt belemmerd of de kwaliteit van het oppervlaktewater wordt aangetast. Enige reden die het Wm-bevoegd gezag kan hebben om geen gehoor te geven aan dit bindend verzoek is het belang van de bescherming van het milieu. Dat zou bijvoorbeeld kunnen, als door het accuut staken van een lozing elders een nog groter milieuprobleem zou ontstaan.

In de periode dat de Waterwet van kracht was maar de Wabo nog niet bood de Wm in artikel 18.4, derde lid (versie 30-9-2010), een soortgelijke bepaling als artikel 5.10, derde lid, Wabo. Hierdoor konden ook in deze periode waterbeheerders worden aangewezen als toezichthouder voor indirecte lozingen.  

Er bestaat natuurlijk ook de mogelijkheid dat gemeente of provincie ambtenaren van een waterbeheerder benoemd als BOA (buitengewoon opsporingsambtenaar) op grond van de Wabo. Procedureel functioneren deze ambtenaren dan onder het bevoegd gezag dat deze ambtenaren heeft benoemd. 

lucht
 

Kenniscentrum InfoMil