Waterschapswet
Handboek water
Inhoud pagina: Waterschapswet
De Grondwet (artikel 133) vereist voor de waterschappen een aparte zgn. organieke wet, de Waterschapswet. Zoals er ook, maar al veel langer, voor provincies en gemeenten organieke wetten bestaan: de Provinciewet, respectievelijk de Gemeentewet.
De Waterschapswet is van 1991 en regelt de opheffing en instelling van waterschappen. Ook geeft de Waterschapswet regels omtrent de taken en inrichting van de waterschappen en de samenstelling van hun besturen.
De Waterschapswet regelt vervolgens de verordenende bevoegdheden van de waterschapsbesturen, de openbaarheid van hun vergaderingen en tot slot het toezicht op die besturen. Waar aan provincies en gemeenten meer artikelen in de Grondwet zijn gewijd, volstaat voor de waterschappen artikel 133. Dat artikel bevat een directe opdracht aan de wetgever. De Waterschapswet bevat naast de grondwettelijk verplichte inhoud nog een aantal andere onderwerpen die in zo'n organieke wet thuishoren. Hieronder wordt daar kort op ingegaan.
Artikel 1 van de Waterschapswet geeft aan wat waterschappen zijn en welke taken aan hen worden opgedragen. Dat is een belangrijk verschil met de regeling voor provincies en gemeenten. Waterschappen zijn ook openbare lichamen, net als provincies en gemeenten, maar hun taken zijn beperkt tot (onderdelen van) het waterbeheer, terwijl de andere twee soorten openbare lichamen een open huishouding hebben en daarmee behoren tot de algemene democratie. Waterschappen zijn functionele decentrale openbare lichamen en kennen een territoriale begrenzing, waar mogelijk geënt op de watersysteemgrenzen.
Artikel 2 van de Waterschapswet bevat het decentralisatiebeginsel: waterschappen zijn belast met het regionale waterbeheer (zorg voor het watersysteem en zorg voor het zuiveren van afvalwater) en eventueel met een andere waterstaatsaangelegenheid. Tenzij dat niet verenigbaar is met het belang van een goede organisatie van de waterstaatkundige verzorging (van het betreffende gebied).
De regeling van het bestuur en de inrichting vinden we in de hoofdstukken I t/m IX. Hoofdstuk VIa gaat over de ombudsman of ombudscommissie.
In artikel 61 waterschapswet staat dat het waterschapsbestuur bevoegd is tot het opleggen van een last onder dwangsom. De artikelen 73 t/m 76 betreffen de bekendmaking van besluiten. De hoofdstukken X, XI en XII gaan over de bevoegdheid van het algemeen bestuur respectievelijk van het dagelijks bestuur en van de voorzitter.
Niet onbelangrijk zijn de hoofdstukken over de financiën van het waterschap. Hoofdstuk XIII en XIV regelen algemene zaken en de begroting en jaarrekening. Hoofdstuk XV gaat over de administratie en controle.
Zowel de Waterwet Hoofdstuk 7 bevat een regeling over belastingen (te heffen door de waterbeheerders), als ook de Waterschapswet in hoofdstuk XVI. De belastingen vermeld in de Waterschapswet, worden uitsluitend geheven door waterschappen: de watersysteemheffing in hoofdstuk XVII, de heffing ter bekostiging van het wegenbeheer in hoofdstuk XVIIa en de zuiveringsheffing in hoofdstuk XVIIb. Hoofdstuk XVIII betreft de heffing en invordering, in aanvulling op de regeling in de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
De Waterschapswet besluit met een regeling over de goedkeuring door het college van gedeputeerde staten van besluiten van het waterschapsbestuur (XIX), over het beroep tegen besluiten van het waterschapsbestuur (XX), in aanvulling op de regeling daarover in de Algemene wet bestuursrecht, over schorsing en vernietiging (XXI) en over het toezicht op interprovinciale waterschappen (XXII).

