Begrippen en algemene bepalingen
Handboek water
Inhoud pagina: Begrippen en algemene bepalingen
Hoofdstuk 1 van de Waterwet betreft algemene bepalingen waarvan de begripsbepalingen volgens artikel 1.1 een onderdeel vormen. Voor een goed begrip van de wet zijn een aantal begrippen met hun betekenis cruciaal, die worden hieronder behandeld. Veel van deze begrippen vormden al onderdeel van de wetgeving en zijn dus al bekend. Ook in de Wet milieubeheer zijn een aantal begrippen in verband met het waterbeheer gedefinieerd. Een opsomming met een korte toelichting daarop vindt u in de waterbegrippen van de Wet milieubeheer.
Tenzij anders vermeld worden hieronder, in cursief, de definities van de begrippen volgens artikel 1.1 van de Waterwet gegeven. De artikelgewijze toelichting bij artikel 1.1 van het orginele wetsvoorstel Waterwet (TK, 2006-2007, 30 818, nr. 3) vindt u hier: toelichting bij artikel 1.1.
Kernbegrippen van de Waterwet zijn watersysteem en waterbeheer. Deze begripsomschrijvingen verankeren het concept van integraal waterbeheer op basis van de watersysteembenadering in de beheerswetgeving.
Watersysteem:
Samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken.
Een nieuw element in deze omschrijving van watersysteem zijn de bergingsgebieden.
Waterbeheer: de overheidszorg die is gericht op de in artikel 2.1 genoemde doelstellingen
In artikel 2.1 zijn de doelstellingen van de Waterwet geformuleerd. Zie ook verder in dit handboek onder doelstellingen en normen.
De ‘watersysteembenadering' gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen, zoals de relaties tussen waterkwaliteit, waterkwantiteit, oppervlakte- en grondwater, alsook de samenhang tussen water met grondgebruik en watergebruikers. Verder kenmerkt integraal waterbeheer zich door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening.
Oppervlaktewaterlichaam:
Samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna.
Deze begripsomschrijving is in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad over het begrip ‘oppervlaktewater' uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, dat in die wet overigens niet was gedefinieerd.
De Kaderrichtlijn Water (KRW) kent ook een, hiervan afwijkende, definitie van het begrip oppervlaktewaterlichaam (artikel 2): "een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater".
Enige achtergrondinformatie vindt u onder oppervlaktewaterlichaam.
Grondwaterlichaam:
Samenhangende grondwatermassa
In de Waterwet is dit begrip ruimer uitgelegd dan in bijvoorbeeld de Kaderrichtlijn Water of de Grondwaterrichtlijn. In de Europese richtlijnen is de begripsomschrijving beperkt tot water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt, ofwel al het water onder de grondwaterspiegel. De Nederlandse wetgeving heeft dit onderscheid echter nooit gemaakt. Ook nu niet in de Waterwet. Gegeven het grondwaterpeilbeheer in bebouwde gebieden, tot uitdrukking komend in de gemeentelijke grondwaterzorgplicht (art. 3.6 Waterwet), is in de Waterwet ook het water in de onverzadigde zone, het zogenoemde freatische grondwater, meegenomen.
Bergingsgebied:
Een krachtens de Wet ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen.
In verband met de nieuwe duldplicht om in daartoe bestemde gebieden de tijdelijke berging van water te gedogen, is het begrip bergingsgebied gedefinieerd in de Waterwet. Uit de definitie volgt dat bergingsgebieden ruimtelijk moeten zijn bestemd - via het ruimtelijke ordeningsspoor - voor de tijdelijke berging van water. Een bergingsgebied wordt veelal ingezet voor de berging en uiteindelijk de afvoer van overtollig oppervlaktewater. Maar een bergingsgebied kan in principe ook andere doelen dienen, zolang het maar past binnen de doelstellingen van de Waterwet.
Enige achtergrondinformatie vindt u onder bergingsgebieden.
Waterstaatswerk en beschermingszone
Waterstaatswerk: oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk.
Beschermingszone: aan een waterstaatswerkgrenzende zone, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden.
In de Waterwet is het begrip waterstaatswerk gehandhaafd dat nadrukkelijk verwijst naar specifieke beheerobjecten waarop een bepaalde verplichting van toepassing is. Beschermingszones worden in de praktijk gehanteerd in de keuren van waterschappen. Het is voor een goed beheer van objecten als waterkeringen in een aantal gevallen nodig dat beschermende voorschriften mede van toepassing zijn buiten het te beschermen object als zodanig. Bedoelde zone behoort dus niet bij het watersysteem als geheel, maar bij een bepaald waterstaatswerk binnen dat watersysteem.
Een waterbeheerder kan een waterstaatswerk aanleggen of wijzigen door middel van een projectplan dat een beschrijving geeft van het werk en de wijze waarop het aanleggen of wijzigen zal worden uitgevoerd. Voor belangrijke waterstaatswerken wordt gebruik gemaakt van een projectprocedure. Voor een uitgebreide toelichting hierop wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van de Waterwet.
Zuiveringtechnisch werk:
Werk voor het zuiveren van stedelijk afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of gemeente, dan wel een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap met de zuivering van stedelijk afvalwater is belast, met inbegrip van het bij dat werk behorende werk voor het transport van stedelijk afvalwater;
Stedelijk afvalwater is hierbij, zowel in de Waterwet als in de Wet milieubeheer, gedefinieerd als: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater.
In de definitie van zuiveringtechnisch werk is de term beheer, die in de Waterwet is voorbehouden aan watersystemen, vervangen door ‘exploitatie van een installatie onder de zorg van een waterschap of een gemeente'.
Een zuiveringtechnisch werk vertoont geen overlap met de definitie van openbaar vuilwaterriool in de Wet milieubeheer (zie ook begrippen in de Wet milieubeheer), zijnde: ‘een voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door de gemeente met het beheer is belast'.
In de praktijk wordt als grens tussen het openbare vuilwaterriool en het zuiveringtechnisch werk een overdrachtspunt gehanteerd. Op dit overdrachtspunt vindt de feitelijke overdracht van stedelijk afvalwater van de gemeente aan het waterschap plaats. Het werk voor het transport van stedelijk afvalwater vóór het overdrachtspunt is een openbaar vuilwaterriool; na het overdrachtspunt behoort dit werk tot het zuiveringtechnisch werk.
Geografische bepalingen
De artikelen 1.2, 1.3 en 1.4 Waterwet bevatten de geografische bepalingen. De bepalingen over indeling in stroomgebieddistricten en vaststelling van dijkringen uit de Wet op de waterhuishouding respectievelijk de Wet op de waterkering (Wwk) zijn qua strekking overgenomen. Voor de toepassing van het begrip stroomgebieddistrict wordt het Nederlandse grondgebied ingedeeld in de op Nederlands grondgebied gelegen delen van de vier stroomgebieddistricten Eems, Maas, Rijn en Schelde. Onder het Nederlandse grondgebied wordt mede verstaan de territoriale zee, voor zover die is gelegen aan de landzijde van de lijn waarvan elk punt zich bevindt op een afstand van een internationale zeemijl, gemeten zeewaarts vanaf de laagwaterlijn, bedoeld in artikel 1 van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee of de basislijn, bedoeld in artikel 2 van die wet. De onderlinge grenzen van de Nederlandse delen van de stroomgebieddistricten worden vastgesteld bij of krachtens AMvB. Daarbij wordt tevens voorzien in de toedeling van de grondwaterlichamen aan de stroomgebieddistricten. Uit artikel 1.3 Wtw blijkt dat de dijkringen en de primaire waterkeringen worden aangegeven op de als bijlage I en IA bij de wet behorende kaarten.
Artikel 1.4 Wtw bepaalt dat de Waterwet ook van toepassing is in de Nederlandse Exclusieve Economische Zone (EEZ). Die zone is vastgelegd bij en krachtens de Rijkswet instelling exclusieve economische zone en behoeft daarmee geen nadere omschrijving in andere wetten. De Wet beheer rijkswaterstaatswerken, Ontgrondingenwet en Wet verontreiniging zeewater, alsmede (partieel, voor Nederlandse rechtssubjecten) de Wet verontreiniging oppervlaktewateren waren al in die zone van toepassing.
Begrippen volgens hoofdstuk 6
Naast de begrippen die gedefinieerd zijn in artikel 1.1 kent de Waterwet een aantal begrippen, die met hun definitie slechts van toepassing zijn op hoofdstuk 6, en de daarop berustende bepalingen, van de Waterwet, Handelingen in watersystemen. Deze begrippen vindt u in artikel 6.1 Waterwet. Dit betreft dus vooral de vergunningverlening, zie Handelingen in het watersysteem.
Hieronder worden een aantal van die begrippen uitgelicht.
Bevoegd gezag:
tot verlening van een watervergunning bevoegd bestuursorgaan, in voorkomend geval met toepassing van artikel 6.17;
Artikel 6.17 Wtw heeft betrekking op handelingen waar meer dan één bevoegd gezag aan de orde is. In gevallen van samenloop van bevoegdheden wordt de watervergunning door één bevoegd gezag verleend. Zie verder onder Samenloop van bevoegdheden. Het moge duidelijk zijn dat iedere wet z'n eigen bevoegd gezag kent. In een tabel op de pagina vergunningplichtige handelingen is per handeling het bevoegd gezag aangegeven.
Lozen
De Waterwet definieert 'lozen' als: brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of brengen van water of stoffen op een zuiveringtechnisch werk;
Van belang hierbij is de definitie van het begrip 'stoffen' in hetzelfde artikel: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen;
In de algemene regels op grond van de Waterwet en de Wet milieubeheer moet het begrip 'lozen' breder gezien worden. Zie daarvoor bij waterbegrippen in de Wm onder 'lozen'. Ook bij het begrip 'stoffen' moet gewaakt worden dat in een bepaalde situatie de juiste definitie wordt gehanteerd. Bijvoorbeeld, de Wm kent een definitie van het begrip 'stoffen' in artikel 1.1, eerste lid, die hier nauwelijks overeenkomst mee vertoont.
Kenmerkend voor het begrip lozen in de Waterwet is de vergunningplicht volgens artikel 6.2 Waterwet.
Storten van stoffen:
zich in zee of op zee ontdoen van stoffen of van vaartuigen, luchtvaartuigen of op de zeebodem opgerichte werken, op een wijze als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, onderdeel a, in samenhang met artikel 6.12, onderdeel b, dan wel als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, onderdeel b, of derde lid.
Het begrip 'storten van stoffen' wordt gebruikt voor handelingen die vroeger via de Wet verontreiniging zeewater werden gereguleerd, en die nu onder artikel 6.3 Wtw vallen. Het gaat onder andere om het zich ontdoen van stoffen vanaf schepen in zee.

