Meten en beoordelen
Handboek water
Inhoud pagina: Meten en beoordelen
De beheerder is op grond van de Waterwet verplicht periodiek verslag uit te brengen over de waterstaatkundige toestand en veiligheid van de primaire waterkeringen die hij beheert. Dit was in de Wet op de waterkering vijfjaarlijks, in de Waterwet is dit met het oog op de cyclus van waterplannen zesjaarlijks geworden.
Beheerders van grote rivieren moeten verslag uitbrengen waarin dient te worden aangegeven in welke mate de rivieren in overeenstemming zijn met de daarvoor door de beheerder op grond van de Waterwet opgestelde legger.
Meten en beoordelen
Paragraaf 2.4 Waterwet geeft enkele voorschriften over metingen en beoordelingen die door de beheerder moeten worden verricht met het oog op de gestelde normen. Het betreft op dit moment vooral de beoordeling van de veiligheid van primaire waterkeringen. Voorschriften voor het meten en beoordelen van de waterkwaliteit worden, in navolging van de normen daarvoor, gesteld op basis van hoofdstuk 5 de Wet milieubeheer (zie hiervoor het Besluit kwaliteitseisen monitoring water).
Beoordeling veiligheid primaire waterkeringen
De beheerder is verantwoordelijk voor een goede waterstaatkundige toestand van een primaire waterkering en deze taak is wettelijk genormeerd door veiligheidsnormen. De verantwoordelijkheid van de beheerder omvat ook het beoordelen van de waterstaatkundige toestand van primaire waterkeringen, inclusief het beoordelen van de veiligheid gegeven de geldende normen. Artikel 2.12 Waterwet geeft voorschriften over deze beoordeling en over het uitbrengen van verslag over de resultaten daarvan aan de toezichthouders van de beheerder.
Op grond van artikel 3.9 Waterwet berust het toezicht op alle primaire waterkeringen immers, ook als zij in beheer zijn bij het Rijk, bij gedeputeerde staten. Het Rijk heeft wat vroeger het ‘oppertoezicht over de waterstaat' werd genoemd. Die terminologie is met de Waterwet verlaten en vervangen door een gemoderniseerd instrumentarium van tweedelijns interbestuurlijk toezicht (zie hiervoor hoofdstuk 3 Waterwet).
De wijze van beoordeling van de algemene waterstaatkundige toestand van de primaire waterkering wordt in beginsel overgelaten aan de beheerder. De technische leidraden van artikel 2.6 Waterwet kunnen daarbij behulpzaam zijn. De beoordeling van de veiligheid die door primaire waterkeringen wordt geboden is echter aan wettelijke veiligheidsregels gebonden, te weten de wettelijke veiligheidsnorm, de hydraulische randvoorwaarden, de technische leidraden en de legger (zie artikel 2.12 Waterwet, vierde lid Waterwet).
De beheerder is op grond van artikel 2.12 Waterwet , eerste lid verplicht periodiek verslag uit te brengen over de waterstaatkundige toestand en veiligheid van de primaire waterkeringen die hij beheert. Dit was in de Wwk vijfjaarlijks, in de Waterwet is dit met het oog op de cyclus van waterplannen zesjaarlijks geworden. De beheerder brengt het verslag uit aan de toezichthouder over de primaire waterkeringen, gedeputeerde staten. Gedeputeerde staten brengen vervolgens, al dan niet tezamen met andere provincies, per dijkring verslag uit aan de Minister van Verkeer en Waterstaat (art. 2.12 Waterwet, derde lid). De Minister zendt deze verslagen van de provincies samen met zijn bevindingen aan de Tweede en Eerste Kamer (art. 2.12 Waterwet, derde lid ).
Indien uit de beoordeling door de beheerder blijkt dat de primaire waterkering niet voldoet aan de daarvoor geldende veiligheidsnorm, of de veiligheid anderszins daar aanleiding toe geeft, wordt door de beheerder in zijn verslag omschreven welke voorzieningen, bijvoorbeeld dijkversterking, hij op welke termijn nodig acht (art. 2.12, Waterwet vijfde lid). Deze voorzieningen moeten getroffen worden door de beheerder van de primaire waterkering.
Op grond van artikel 2.12 Waterwet zesde lid is de Minister verplicht om een jaar na zijn rapportage over de veiligheid aan het parlement, een overzicht te sturen van de maatregelen die de beheerders hebben getroffen met betrekking tot de primaire waterkeringen die niet aan de veiligheidsnorm voldoen. Dit overzicht dient samen met het voor dat jaar vastgestelde Hoogwaterbeschermings-programma aan de Tweede en Eerste Kamer te worden gezonden.
Beoordeling grote rivieren
Op grond van artikel 2.12 Waterwet tweede lid, brengt ook de beheerder van de grote rivieren verslag uit aan gedeputeerde staten. Dit verslag dient aan te geven in welke mate de rivieren in overeenstemming zijn met de daarvoor door de beheerder op grond van hoofdstuk 5 Waterwet opgestelde legger, mede in het licht van de maatgevende hoogwaterstanden die met de hydraulische randvoorwaarden op grond van artikel 2.3, Waterwet eerste lid, bij ministeriële regeling zijn vastgesteld. De grote rivieren worden beheerd door het Rijk, en deze noch het beheer hiervan staan onder toezicht van gedeputeerde staten. Het gaat hier derhalve om een informatieverplichting aan gedeputeerde staten in zijn rol als toezichthouder op de primaire waterkeringen. GS beschikken dan ook niet over bevoegdheden richting de beheerder van de grote rivieren. GS kunnen vanzelfsprekend wel adviseren aan de minister over het te voeren beheer van de grote rivieren, of over eventueel door de minister uit te oefenen toezichtbevoegdheden op grond van hoofdstuk 3 Waterwet.
Beoordeling overige objecten
Artikel 2.14 Waterwet voorziet in de mogelijkheid om bij of krachtens amvb of provinciale verordening, al naar gelang het gaat om Rijks- of provinciale normen, regels te stellen over andere door de beheerder te verrichten metingen en beoordelingen. Hierbij kan men denken aan de beoordeling van de veiligheid van niet-primaire waterkeringen waarvoor op decentraal niveau normen zijn gesteld.

