Toezicht door hoger gezag

Home > Onderwerpen > Lucht, water, energie > Handboek water > Wetgeving > Waterwet > Organisatie waterbeheer > Toezicht door hoger gezag

Toezicht door hoger gezag

Handboek water

Inhoud pagina: Toezicht door hoger gezag

In hoofdstuk 3 van de Waterwet  is de organisatie van het waterbeheer in Nederland geregeld. Een van de aspecten betrteft het toezicht op het waterbeheer door het hoger gezag. Het hoger gezag betreft hier het rijk en de provincies. Het toezicht op het waterbeheer wordt uitgeoefend volgens het principe 'getrapt toezicht tenzij...'. Dit betekent dat de provincies in eerste instantie toezicht houden op de waterschappen (en gemeenten). Het rijk (Inspectie Verkeer en Waterstaat) houdt toezicht op de provincies. Het rijk kan ook rechtstreeks toezicht houden op de waterschappen als dat nodig is vanwege internationale verplichtingen of bovenregionale belangen

Onder toezicht wordt verstaan het verzamelen van informatie, het beoordelen van die informatie en het eventueel op grond daarvan interveniëren.

Naast de bepalingen in § 3 van de Waterwet (artikel 3.9 ev.) zijn ook toezichtsbepalingen opgenomen in het Waterbesluit, de Provinciewet en de Waterschapswet.

Bevoegdheden van het Rijk

Het Rijk kan regels stellen over door provincies, waterschappen en gemeenten te leveren informatie als internationale verplichtingen of bovenregionale belangen dat nodig maken, zie artikel 3.10 Waterwet . Verder kan het Rijk, onder dezelfde clausule, regels stellen over de voorbereiding, vaststelling, wijziging en inhoud van plannen, besluiten en waterakkoorden van provincies en waterschappen, zie artikel 3.11 Waterwet .

Deze regels, ook wel instructiebepalingen genoemd, zijn te vinden in het Waterbesluit en de Waterregeling. Voorbeelden van dergelijke regels zijn te vinden in artikel 3.4 van het Waterbesluit , waarin onder andere is opgenomen welke gegevens door provincies, waterschappen en gemeenten moeten worden aangeleverd aan het Rijk in verband met de Europese Kaderrichtlijn Water en de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's. In artikel 3.4, zesde lid van het Waterbesluit is opgenomen dat gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders op verzoek van Onze Minister ten behoeve van het door hem uit te oefenen toezicht op het waterbeheer de bij dat verzoek omschreven gegevens verstrekken. Naast de veelal zesjaarlijkse informatiestromen voor Europese richtlijnen ingevolge artikel 3.4, eerste tot en met vijfde lid, van het besluit moet ad hoc informatie kunnen worden opgevraagd. Wat betreft gegevens van waterschappen biedt artikel 58 van de Waterschapswet daartoe al voorzieningen. In aanvulling daarop biedt artikel 3.4, zesde lid, van het Waterbesluit de minister een specifieke mogelijkheid om op formeel verzoek informatie over het waterbeheer van de provincie- en gemeentebesturen te verkrijgen.

Ook de voorgaande wetgeving bood de mogelijkheid tot het stellen van regels en het geven van aanwijzingen, maar met de Waterwet zijn deze mogelijkheden verbreed. De aanwijzingsbevoegdheid op provinciale waterhuishoudingsplannen en regelgeving kwam bijvoorbeeld ook al voor in de Wet op de waterhuishouding.

Bevoegdheden van de Provincie

Toezicht op Primaire waterkeringen

Gedeputeerde staten hebben het toezicht op alle primaire waterkeringen volgens artikel 3.9 Waterwet, dus zowel op de primaire waterkeringen die in beheer zijn bij de waterschappen als die in beheer zijn bij Rijkswaterstaat. Naast toezicht in algemene zin, betekent dit onder andere dat dijkversterkingsplannen (projectplannen) moeten worden goedgekeurd door gedeputeerde staten (artikel 5.7 Waterwet ) en dat waterschappen iedere zes jaar aan gedeputeerde staten verslag uit moeten brengen over de algemene waterstaatkundige toestand van primaire waterkeringen. Daarnaast moeten de beheerders van het buitenwater iedere zes jaar verslag uitbrengen aan gedeputeerde staten over de staat van de rivieren mede in relatie tot de hoogwaterstanden.

Het toezicht op de primaire waterkeringen door gedeputeerde staten stond ook al in de Wet op de waterkering.

Regels over te verstrekken informatie

Provincies kunnen met het oog op een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer regels stellen over door waterschappen aan te leveren informatie (zie artikel 3.10 Waterwet ). Ook kunnen provincies regels stellen over de voorbereiding, vaststelling, wijziging en inhoud van door waterschappen vast te stellen plannen, besluiten en waterakkoorden (zie artikel 3.11 Waterwet ). Wat betreft gegevens van waterschappen biedt artikel 58 van de Waterschapswet ook al voorzieningen.
Deze regels zijn te vinden in de provinciale waterverordeningen en worden ook wel instructiebepalingen genoemd. Een voorbeeld van een instructiebepaling, die door de meeste provincies is opgenomen in de waterverordeningen, is dat waterschappen informatie moeten aanleveren voor het landelijke grondwaterregister.

De mogelijkheid tot het stellen van regels (instructies) en het geven van aanwijzingen is nieuw in de Waterwet. 

Aanwijzingen

Gedeputeerde staten hebben de bevoegdheid een aanwijzing te geven aan het waterschap over de uitoefening van taken en bevoegdheden, zie artikel 3.12 Waterwet. Dit instrument kan alleen worden ingezet als een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer dat nodig maakt. Als een waterschap niet of niet naar behoren invulling geeft aan deze aanwijzing, kunnen gedeputeerde staten in de plaats treden van het waterschap. Gedeputeerde staten, of als die niet tijdig bij elkaar komen de Commissaris van de Koningin, hebben deze bevoegdheid in het bijzonder in situaties van gevaar, zie artikel 5.31 Waterwet .

Aanverwante wetgeving

Het toezicht op de waterschappen door provincies moet in samenhang worden gezien met de regels uit de Waterschapswet. In de Waterschapswet is de organisatie van de waterschappen geregeld en zo ook de relatie tussen provincies en waterschappen. Ook in de Wet financiering decentrale overheden zijn regels opgenomen over financieel toezicht door provincies op waterschappen.

Provincies (en rijk) houden wat betreft waterbeheer ook toezicht op gemeenten. Enerzijds gebeurt dit via de Wet ruimtelijke ordening (Wro), waarin provincies en het rijk onder andere de bevoegdheid hebben gekregen algemene regels te stellen of zelf bestemmingsplannen te maken, inpassingsplannen genoemd. Anderzijds gebeurt dit via de Wet milieubeheer, waarin in artikel 4.24 is opgenomen dat gedeputeerde staten gemeenten een aanwijzing kunnen geven over het gemeentelijk rioleringsplan (zie bij Gemeentelijk Rioleringsplan in dit handboek). Daarnaast bevinden zich in de Gemeentewet en Provinciewet nog een aantal toezichtinstrumenten, zie bijvoorbeeld artikel 124 Gemeentewet en artikel 173 Provinciewet.

download PDF
water
 

Kenniscentrum InfoMil