Overgangsrecht lucht

Overgangsrecht lucht

Lucht in het Activiteitenbesluit

Inhoud pagina: Overgangsrecht lucht

In artikel 6.7 en 6.8 van de Activiteitenregeling zijn de overgangsbepalingen ten aanzien van luchtemissies en geur opgenomen.

Artikel 6.7 Activiteitenregeling (luchtemissies)

Eerste lid

Het eerste lid is van toepassing op inrichtingen die zijn opgericht voordat het Activiteitenbesluit van toepassing werd op deze inrichtingen. Inrichtingen die voor het eerst onder de werking van het Activiteitenbesluit komen te vallen (bestaande inrichtingen), vielen voorafgaand aan deze wijziging onder een 8.40-besluit of hadden een vergunning. Zowel in het 8.40-besluit (in samenhang met eventuele nadere eis) als in de vergunning werden eisen gesteld om de geëmitteerde stoffen zo doelmatig mogelijk te verspreiden.

Bestaande inrichtingen die niet voldoen aan de artikelen 3.15, eerste lid, 3.63, eerste lid, 4.38, tweede lid, 4.40, derde lid, 4.44, tweede lid, 4.46, derde lid, 4.50, tweede lid, 4.55, tweede lid, 4.57, tweede lid, 4.60, tweede lid, 4.64, derde lid, 4.68, vierde lid, 4.71, tweede lid, 4.74, tweede lid, 4.77, tweede lid, 4.81, tweede lid, 4.84a, derde lid, 4.96, eerste lid, 4.102a, tweede lid, 4.102i, tweede lid, 4.104a, tweede lid, 4.104c, eerste lid, en 4.117, tweede lid, maar wel aan het daarover gestelde in de desbetreffende in (oude) 8.40-besluiten dan wel de Wm-vergunning, hoeven voor zover er geen wijzigingen optreden, die leiden tot een toename van de emissie naar de lucht dan wel die leiden tot een minder doelmatige verspreiding van de geurmitteerde stoffen, niet aan deze leden te voldoen.

Tweede lid

Op grond van het tweede lid krijgt het bevoegd gezag de mogelijkheid om ook voor inrichtingen, die zijn opgericht voordat het Activiteitenbesluit hierop van toepassing werd, maatwerkvoorschriften op te nemen zoals bedoeld in de artikelen 3.15, tweede lid, 3.63, tweede lid, 4.38, derde lid, 4.40, vijfde lid, 4.44, derde lid, 4.46, vijfde lid, 4.50, derde lid, 4.55, derde lid, 4.57, derde lid, 4.60, derde lid, 4.64, vijfde lid, 4.68, vijfde lid, 4.71, derde lid, 4.74, derde lid, 4.77, derde lid, 4.81, derde lid, 4.84a, vierde lid, 4.96, tweede lid, 4.102a, derde lid, 4.102i, derde lid, 4.104a, derde lid, 4.104c, tweede lid en 4.117, derde lid.

Artikel 6.8 Activiteitenregeling (geurhinder)

Eerste lid

Inrichtingen die voor het eerst een type A- of B-inrichting worden (bestaande inrichtingen), vielen voorafgaand aan deze wijziging onder een 8.40-besluit dan wel hadden de beschikking over een vergunning. Zowel in het 8.40-besluit (eventueel in samenhang met eventuele nadere eis) als in de vergunning werden eisen gesteld om geurhinder zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken.

Bestaande inrichtingen die niet voldoen aan de artikelen 4.40, vierde lid, 4.46, vierde lid, 4.64, vierde lid, 4.68, zesde lid, 4.84c, tweede lid, 4.85, 4.100, eerste lid, 4.102c, tweede lid, 4.102f, tweede lid, 4.104d, tweede lid, 4.107, eerste lid, en 4.108, eerste lid, maar wel aan het gestelde in het (oude) 8.40-besluit dan wel de Wm- of omgevingsvergunningvergunning, hoeven voor zover er geen wijzigingen optreden die tot een significante stijging van de geurbelasting leiden, niet aan deze leden te voldoen.

Tweede lid

Op grond van het tweede lid krijgt het bevoegd gezag de mogelijkheid om ook voor inrichtingen, die zijn opgericht voordat ze een inrichting type A of B werden, maatwerkvoorschriften op te nemen zoals bedoeld in artikelen 4.40, zevende en achtste lid, 4.46, zevende en achtste lid, 4.64, zevende en achtste lid, 4.68, achtste en negende lid, 4.84c, vierde en vijfde lid, 4.100, derde lid, 4.102c, vierde lid, 4.102f, vierde en vijfde lid, 4.104d, vierde en vijfde lid, 4.107, vierde lid, en 4.108, tweede en derde lid stellen.

Derde lid

Het derde lid biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid eisen te stellen aan bestaande inrichtingen die voedsel bereiden en geen schoorsteen op 2 meter hoogte hebben en ook geen ontgeuringsinstallatie, maar die wel geurhinder veroorzaken. Bij de totstandkoming van de Activiteitenregeling, is de aanname gedaan dat bestaande inrichtingen voldeden aan de eisen die golden voor 1 januari 2008. Voor die inrichtingen was het daarom niet nodig om nog eens te regelen dat er een schoorsteen, dan wel een ontgeuringsinstallatie aanwezig moest zijn. Gebleken is dat deze aanname onterecht was. Het derde lid regelt dat het bevoegd gezag ook voor bestaande inrichtingen kan besluiten om, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, een schoorsteen, dan wel een ontgeuringsinstallatie te eisen. De keuze tussen deze twee is in eerste instantie aan de drijver van de inrichting.

lucht
 

Kenniscentrum InfoMil