Ruimtelijke ordening
Luchtkwaliteit
Inhoud pagina: Ruimtelijke ordening
Het bevoegd gezag moet bij veel ruimtelijke besluiten de luchtkwaliteit meenemen in de besluitvorming. In het kader van de Wet milieubeheer moet worden getoetst aan de voorschriften van Titel 5.2. Centraal daarin is artikel 5.16, eerste lid, van de wet. Daarnaast moet in het kader van een "goede ruimtelijke ordening" ook gezorgd worden voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De amvb ‘Gevoelige bestemmingen' kent nadere regels voor blootstelling aan luchtverontreiniging in specifieke bestemmingen. Het betreft de bestemmingen scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Gemeenten kunnen deze regels aanvullen. Dat gebeurt soms in de praktijk, zie de Amsterdamse richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit.
Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening blijft daarnaast onverkort van toepassing voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. Dat geldt ook als besluiten op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm niet beoordeeld hoeven te worden!
Informatie over luchtkwaliteit in de ruimtelijke planvorming vindt u in het hoofdstuk Luchtkwaliteit in de Handreiking Ruimtelijke ordening en milieu.

