Besluit gevoelige bestemmingen

Home > Onderwerpen > Klimaat, lucht, water > Luchtkwaliteit > Wettelijk kader > Besluit gevoelige bestemmingen

Besluit gevoelige bestemmingen

Luchtkwaliteit

Inhoud pagina: Besluit gevoelige bestemmingen

Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in Staatsblad nr. 14 gepubliceerd, waarna het besluit op 16 januari in werking getreden is.

Introductie

Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Met deze amvb wordt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’ - zoals een school - in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer, dat via een amendement van de Tweede Kamer in de Wm is opgenomen.

Onderzoekszones

Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan.
Er is steeds een koppeling met de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Overigens gaat het besluit uit van de huidige normen voor PM10 en NO2, en dus niet van tijdelijk verhoogde grenswaarden ten gevolge van derogatie (dat is toestemming van de EU om later aan een norm te mogen voldoen).
Is (dreigende) normoverschrijding niet aan de orde, dan is er geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone. Wel moet in die situaties de locatiekeuze goed gemotiveerd worden; dat gebeurt in de context van de goede ruimtelijke ordening.

Gevoelige bestemmingen

De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein.
In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. In de meeste ziekenhuizen is sprake van luchtbehandeling, waardoor binnen een goede luchtkwaliteit gehandhaafd kan worden. Ook hebben ziekenhuizen een flinke verkeers­aantrekkende werking, met negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit in de directe omgeving, terwijl een goede bereikbaarheid cruciaal is.

Goede ruimtelijke ordening

Het Besluit gevoelige bestemmingen benadrukt het belang van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Dat principe blijft onverkort gelden, en is dus niet vervangen door het besluit. Het besluit waarborgt dat mensen met een verhoogde gevoeligheid in specifieke (nieuwe) situaties niet worden geconfronteerd met een luchtkwaliteit die niet voldoet aan de grenswaarden. Daarnaast schrijft de Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

Handvaten bij goede ruimtelijke ordening:

  • Blootstelling: hoeveel en welke mensen worden blootgesteld aan verhoogde concentraties luchtverontreinigende stoffen
  • Scheiden: milieuzonering
  • Hinder: voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten
  • Beschermen: ‘de meest kwetsbare groep op de minst vervuilde plek’.

Daarnaast heeft het bevoegd gezag volgens Algemene wet bestuursrecht (Awb) als taak om:

  • relevante belangen op een evenwichtige wijze af te wegen (art. 3.4)
  • een besluit deugdelijk te onderbouwen (art. 3.46)

Het boek ‘Bedrijven en milieuzonering: handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk’ van de VNG (het ‘Groene boekje’) bevat aanwijzingen om tot goede ruimtelijke ordening te komen. Daarnaast kan de GGD op lokaal niveau adviseren over luchtkwaliteit in relatie tot gezondheid en een goede ruimtelijke ordening.

Meer informatie

Het ministerie van VROM heeft een A4 met de belangrijkste informatie gemaakt.

Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening blijft voor alle ruimtelijke ontwikkelingen onverkort gelden. Meer informatie daarover staat in hoofdstuk 2 van de Handreiking NIBM. Daarnaast biedt de landelijke GGD richtlijn 'Luchtkwaliteit en gezondheid' (2008) veel achtergrondinformatie en handvatten voor een goede ruimtelijke ordening.

Bestanden

lucktkwaliteit
 

Kenniscentrum InfoMil